Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2004:AO7379

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
09-04-2004
Datum publicatie
09-04-2004
Zaaknummer
08/015123-04
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

de verdachte heeft thuis hennep geteeld. Hij is van oordeel dat hij niet strafbaar is omdat het verbod in de opiumwet niet van toepassing is in die gevallen waarin hij om zijn geloofs- of levensovertuiging in de praktijk te brengen, hennep nodig heeft die hij nergens anders in Almelo kan krijgen. hij beroept zich daarbij op de in het europees verdrag ter bescherming van de rechten van de mens verankerde vrijheid van godsdienst. de politierechter is het niet met de verdachte eens.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOW 2004, 42
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

STRAFVONNIS

(schriftelijk en verkort vonnis)

Parketnummer: 08/015123-04

Uitspraak: 9 april 2004

De politierechter in de Rechtbank te Almelo, rechtdoende in de zaak van de officier van justitie in het arrondissement Almelo tegen:

[verdachte],

geboren te [plaats en datum] 1957,

wonende te Almelo aan de [adres],

terechtstaande terzake dat:

1.

hij in of omstreeks het tijdvak van 1 september 2003 tot en met 17 januari

2004, althans in het (de) ja(a)r(en) 2003 en/of 2004, in de gemeente Almelo,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan de Zonnebloemstraat 2 aldaar) (een) hoeveelheid/hoeveelheden van (in totaal) ongeveer 93, althans een (groot) aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval (telkens) een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet;

2.

hij op of omstreeks 17 januari 2004, in de gemeente Almelo, toen (een) aldaar al dan niet in uniform geklede dienstdoende politieambtena(a)r(en) verdachte, als verdacht van het gepleegd hebben van één of meer op heterdaad ontdekt(e) strafba(a)r(e) feit(en) had(den) aangehouden en had(den) vastgegrepen, althans vast had(den) teneinde verdachte, ter geleiding voor een hulpofficier van justitie, over te brengen naar een politiebureau, zich met geweld tegen die eerstgenoemde opsporings-ambtena(a)r(en), werkzaam in de rechtmatige uitoefening van hun/zijn bediening, heeft verzet door te rukken en te trekken in een richting tegengesteld aan die, waarin die ambtena(a)r(en) verdachte trachtte(n) te geleiden;

3.

hij op of omstreeks 17 januari 2004, in de gemeente Almelo, opzettelijk beledigend (een) politieambtena(a)r(en), te weten N. Tuluk en/of G.D.J. Roelofs, gedurende en/of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn/hun bediening, in diens/hun tegenwoordigheid mondeling heeft toegevoegd de woorden "vuile nazi's" en/of "jullie lijken wel NSB-ers" en/of "kankerwouten" en/of "vieze vuile klojo's", althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking;

Gezien de stukken;

Gelet op het onderzoek ter terechtzitting van 29 maart 2004;

Gehoord de vordering van de officier van justitie, te weten dat alle drie feiten bewezen worden verklaard en dat wordt opgelegd een taakstraf in de zin van een werkstraf van 60 uren, bij niet- of onvoldoende verrichten te vervangen door 30 dagen hechtenis;

Gelet op de bewijsmiddelen;

Gelet op hetgeen door verdachte en ten behoeve van hem door zijn raadsvrouw mr A.G. van der Plas naar voren is gebracht;

Overweegt als volgt.

De ontvankelijkheid van de officier van justitie.

Ten aanzien van de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie is door de raadsvrouw betoogd dat de politierechter niet kan komen tot het bewijs van het aanwezig hebben van meer dan 32 volwassen planten. Nu daarvan vier gezinsleden gebruik maakten, alsook enkele andere vrienden, moet het ervoor worden gehouden dat verdachte, gelet op de Aanwijzing Opiumwet van het College van procureurs-generaal, in werking getreden op1-1-2001, erop had mogen vertrouwen dat hij niet vervolgd zou worden, aldus de raadsvrouw. De officier van justitie zou daarom niet ontvankelijk moeten worden verklaard in zijn vervolging. Dit verweer gaat niet op. Ten eerste niet omdat de vraag naar de ontvankelijkheid moet worden beoordeeld aan de hand van de telastelegging – die een groter aantal planten als uitgangspunt neemt – en niet naar de “te verwachten” bewezenverklaring. Ten tweede slaagt het verweer niet omdat volgens de bedoelde Aanwijzing, registratienummer 2000A019, Scrt 2000, 250, politiesepot met afstand volgt bij ontdekking van teelt van niet meer dan vijf planten. Niet bedrijfsmatige teelt van een geringe hoeveelheid voor eigen gebruik heeft volgens de Aanwijzing, indien de verdachte volwassen is, geen prioriteit. Duidelijk is voor de politierechter komen vast te staan dat meer dan vijf planten werden geteeld, en uit hetgeen hierna zal worden overwogen blijkt ook dat niet slechts voor eigen gebruik werd geteeld.

De conclusie is dat de officier van justitie ontvankelijk is in zijn vervolging van verdachte.

De bewezenverklaring

De politierechter acht op grond van de (zonodig in een nader op te stellen bijlage op te nemen) bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

in het tijdvak van 1 september 2003 tot en met 17 januari 2004, in de gemeente Almelo, tezamen en in vereniging met een ander, telkens opzettelijk heeft geteeld in een pand aan de Zonnebloemstraat 2 aldaar een aantal hennepplanten, in elk geval telkens een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II;

2.

op 17 januari 2004, in de gemeente Almelo, toen aldaar al dan niet in uniform geklede dienstdoende politieambtenaren verdachte, als verdacht van het gepleegd hebben van één of meer op heterdaad ontdekte strafbare feiten hadden aangehouden en vast hadden teneinde verdachte ter geleiding voor een hulpofficier van justitie over te brengen naar een politiebureau, zich met geweld tegen die opsporings-ambtenaren, werkzaam in de rechtmatige uitoefening van hun bediening, heeft verzet door te rukken en te trekken in een richting tegengesteld aan die waarin die ambtenaren verdachte trachtten te geleiden;

3.

op 17 januari 2004, in de gemeente Almelo, opzettelijk beledigend politieambtenaren, te weten N. Tuluk en G.D.J. Roelofs, gedurende en ter zake van de rechtmatige uitoefening van hun bediening, in hun tegenwoordigheid mondeling heeft toegevoegd de woorden "vuile nazi's" en "jullie lijken wel NSB-ers" en "kankerwouten" en "vieze vuile klojo's";

Hetgeen meer of anders is telastegelegd acht de politierechter niet bewezen. De verdachte behoort daarvan te worden vrijgesproken.

Met betrekking tot de bewezenverklaring merkt de politierechter in het bijzonder op dat, voor zover uit het dossier blijkt, inderdaad geen tests door het NFI hebben plaatsgevonden ten aanzien van de aangetroffen planten en delen daarvan. Ook moge het zo zijn dat een deel van de in beslag genomen gedroogde planten, zoals door verdachte betoogd, geen hennepplanten waren maar andere voor spirituele doeleinden bestemde planten. Een en ander laat onverlet dat door verdachte zelf is aangegeven dat een belangrijk deel van de in beslaggenomen planten, waaronder alle nog levende planten, henneplanten waren. Hij heeft aangegeven vanwege zijn jarenlange verslaving in het verleden een deskundige te zijn geworden op het gebied van de drugs, zodat zijn oordeel dat het hier hennep betrof, groot gewicht toekomt. Bovenal kan uit de kern van zijn betoog niet anders volgen dan dat verdachte juist buitengewoon hecht aan de voor zijn geloofsbeleving benodigde crème de la crème onder de henneplanten, te weten onder zijn eigen controle gekweekte bio-wiet: henneplanten waaraan niets onnatuurlijks is toegevoegd die hem op voor hem aanvaardbare c.q. op religieuze wijze voorgeschreven wijze in hoger sferen kunnen brengen. Verdachte is daarin zo serieus dat de politierechter geen enkele twijfel heeft over de aard van de aangetroffen planten: dat moet wel de hennepplant zijn waarop de wetgever in lijst II bij de Opiumwet doelt. Daar komt bij dat de raadsvrouw van verdachte ook een aantal verklaringen van derden heeft overgelegd waaruit blijkt dat ook die derden van oordeel zijn dat het in casu ging om geestverruimende hennepplanten. In het bijzonder bruikzaam voor het bewijs, mede ook m.b.t. het aspect “tezamen en in vereniging” is de overgelegde verklaring van [echtgenote], wonende op hetzelfde adres als verdachte, die verklaart “Ik verklaar dat ik + 5 gram cannabis van onze eigen biologische teelt gebruik voor spirituele doeleinden zoals introspectie en meditatie en als offer en gebed.” Daarnaast strekt mede tot overtuiging van het bewezenverklaarde de verklaring van verdachtes zoon [naam] en diens echtgenote [naam], die verklaren: Ik en mijn vrouw roken wiet hetgeen hoort bij onze geloofsovertuiging. Dit moet biologische wiet zijn. Er is geen shop in Almelo die biologische wiet verkoopt. [...]De wiet die ik en mijn vrouw roken kregen wij altijd gratis van mijn ouders [namem]. Wij geloven in de geneeskrachtige werking van zuivere wiet [...]”. Van algemene bekendheid is naar het oordeel van de politierechter dat met wiet hennep als bedoeld in lijst II bij de Opiumwet wordt bedoeld.

Kwalificatie en strafbaarheid m.b.t. feit 1.

Voor wat betreft het onder 1 bewezen verklaarde feit geldt dat dit gekwalificeerd moet worden als:

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, eerste lid onder B van de Opiumwet gegeven verbod, strafbaar gesteld bij artikel 11, tweede lid, van die wet, juncto artikel 47, eerste lid van het Wetboek van Strafrecht, meermalen gepleegd.

Namens verdachte is betoogd dat dit feit, althans verdachte niet strafbaar zou zijn omdat artikel 3 van de Opiumwet toepassing mist. Dit zou zo zijn omdat artikel 9, eerste lid EVRM de vrijheid van godsdienst beschermt, daaronder mede begrepen het recht van een ieder om zijn godsdienst te belijden of zijn overtuiging tot uitdrukking te brengen in praktische toepassing daarvan. Het gebruik van in Almelo niet verkrijgbare geestverruimende gegarandeerd natuurzuivere hennep behoort tot de middelen die noodzakelijk zijn bij het in de praktijk brengen van de religieuze overtuiging van verdachte, die door zijn raadsvrouw is samengevat als een Sjamanistische levensovertuiging met een levenswijze volgens de richtlijnen van en in de geest van de Yogafilosofie. Hij heeft een Shivaistisch en Tantraistisch georienteerde levensbeschouwing. Het EVRM is van hogere rang dan de Opiumwet, en artikel 9, eerste lid EVRM heeft directe werking, zodat het verbod in de Opiumwet toepassing mist nu de Opiumwet in de weg staat aan het in de praktijk brengen van zijn levensbeschouwing, waarop hij dus een hoger recht heeft.

Uit de foto’s in het dossier komt het de politierechter voor dat het lage zoldertje van verdachte, door hem ter zitting aangeduid als een plaats waar hij zijn geloofs-overtuiging in het bijzonder beleeft, zich afgezien van de beeltenis van de godheid Shiva aan de wand bar weinig onderscheidt van andere door de politie ontmantelde hennepplantages die in de afgelopen jaren aan het oog van de politierechter voorbij zijn gekomen. Shiva is bepaald minder prominent aanwezig dan de ventilatoren, de lampen, het rondslingerend piepschuim en de plantjes. Zo op het oog van de niet in dezelfde levensovertuiging ingevoerde politierechter ziet de ruimte er meer uit als een eenvoudigee thuiskwekerij dan als een plaats van godsdienstbeleving. Gelet op de omschrijving van verdachtes levensovertuiging door zijn raadsvrouw, heeft zijn levensovertuiging een aanzienlijk “fusion”-gehalte. Op zichzelf is de inrichting van de gebedsplaats en een “samengesteld” geloof niet alleen maatgevend voor het wezen van de aangetroffen hennepplantage. De door de raadsvrouwe overgelegde verklaringen van andere profiteurs van verdachtes kwekerij, die bepaald niet allen hetzelfde sjamanistisch/Shivaistisch religieus gebruik van de gekregen hennep voor ogen hebben (“als laxeermiddel”, “om helemaal lam te worden”, en “daar wordt ik als huisvader met een druk leventje met al die regels en wetten rustig van in mijn hoofd”) en die vooral die overeenkomst met elkaar hebben dat zij hun wiet gratis van verdachte krijgen, brengen de politierechter echter tezamen in hun onderling verband beschouwd wel tot de conclusie dat tenminste een deel van de teelt en de aanwezige hennepplanten bestemd was voor andere doeleinden dan religieuze. Voor dat deel van de teelt en de voorraad gaat het verweer dus zonder meer niet op.

Uit de verklaringen van verdachte en de profiteurs van zijn kwekerij komt ook niet naar voren dat de hennep wordt gebruikt door in het bijzonder een voorganger van gelovigen of door gelovigen in een gezamenlijk ritueel, ofschoon uit de door de raadsvrouw overgelegde verklaring van dr Kranenborg juist blijkt dat het individueel gebruik van geestverruimende middelen atypisch is voor het gebruik van geestverruimende middelen in een religieuze, in het bijzonder ook de sjamanistische, context: die context indiceert gebruik in groepsverband.

De stelling van verdachte dat eigen kweek noodzakelijk is omdat alleen zo het zuiver biologisch karakter van de kweek is gewaarborgd komt tenslotte in een vreemd daglicht te staan waar de politie blijkens het p-v twee plastic flessen hennep-groeimiddel heeft in beslaggenomen en op een foto de plastic verpakking te zien lijkt van pootaarde zonder Eko-keurmerk van een bekend Nederlands tuincentrum.

Aan deze bedenkingen van de politierechter met betrekking tot de religieuze toepassing van verdachtes hennep en de kwalificatie “bio-wiet” door verdachte zelf zal de politierechter voorbij gaan en hij zal het gevoerde verweer op zijn merites beoordelen, uiteraard slechts voor wat betreft dat gedeelte van de teelt en de aanwezige voorraad waarop het verweer nog slechts betrekking kan hebben.

Juist is, dat elke gewenste religieuze overtuiging volgens het EVRM mag worden beleden, en dat dit mede inhoudt het in de praktijk brengen van die overtuiging door onder meer het naleven van voorschriften en het uitvoeren van rituelen. Vast staat voor de politierechter dat hiertoe mede kan behoren het zichzelf in hogere althans andere sferen brengen door het gebruik van nu eenmaal zo genaamde geestverruimende middelen.

Terecht heeft de raadsvrouw ook aangehaald dat dit door artikel 9, eerste lid EVRM gewaarborgde recht niet absoluut is. Het tweede lid staat toe dat inbreuken worden gemaakt. Die inbreuken moeten dan wel in een wettelijk voorschrift zijn vastgelegd en zij moeten noodzakelijk zijn voor de bescherming van de openbare veiligheid, de openbare orde, de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten van anderen.

Welnu, de Opiumwet is zo een wettelijk voorschrift. En anders dan de raadsvrouw heeft betoogd, is de Opiumwet, in het bijzonder het verbod van artikel 3 daarin, door de wetgever vastgesteld in de eerste plaats ten behoeve van de bescherming van de volksgezondheid. Dat sommigen vraagtekens zetten bij het gevaar dat hennep betekent voor de volksgezondheid, doet daaraan niets af. Evenmin kan enige betekenis worden gehecht aan de stelling dat hennepproducten legaal verkrijgbaar zijn via de apotheek. Integendeel: Voor de meeste producten die op recept bij de apotheek verkrijgbaar zijn geldt immers dat het ongecontroleerd bezit ervan in strijd komt met de belangen van de volksgezondheid. Te meer geldt dat voor de productie van hetgeen bij de apotheker op recept verkrijgbaar is. In de door de raadsvrouw ingenomen stelling dat verdachte de hennep ook nooit verkocht aan minderjarigen is overigens een begin van erkenning te zien van het schadelijk karakter van geestverruimende cannabisproducten.

Het komt in dit verband, nu de raadsvrouwe zo nadrukkelijk heeft gewezen op de verstrekking van cannabis via de apotheek geraden voor nog eens te wijzen op de Aanhef van het Enkelvoudig Verdrag inzake verdovende middelen waarbij Nederland zoals zovele landen partij is en waarin in één adem vooropgesteld wordt dat de verdragsluitende partijen bezorgd zijn om de gezondheid en het welzijn der mensheid, en erkennen dat het geneeskundig gebruik van verdovende middelen onmisbaar blijft voor het verzachten van pijn en lijden en dat voldoende maatregelen moeten worden genomen om te verzekeren, dat verdovende middelen voor die doeleinden beschikbaar zijn, om vervolgens wel te besluiten, in artikel 22 van dat Verdrag - kort gezegd - dat de verdragsluitende partijen, als zij zo het belang van de volksgezondheid het beste kunnen dienen, de verbouw van de cannabisplant moeten verbieden. De restrictieve toelating van hennepteelt in Nederland past derhalve in de noodzakelijke bescherming van de volksgezondheid, zodat het recht om een godsdienst op de door verdachte gewenste wijze te praktiseren, in dit geval op geldige wijze is beperkt.

Kwalificatie en strafbaarheid m.b.t. feit 2.

Voor wat betreft de kwalificatie van het onder 2 bewezen verklaarde geldt het volgende. Dit levert op

Wederspannigheid, strafbaar gesteld in artikel 180 van het Wetboek van Strafrecht.

Niet is gebleken dat de dienstdoende politiebeambten onrechtmatig hebben gehandeld jegens verdachte. In diens mededeling dat hij ziek was, die overigens niet blijkt uit het proces-verbaal, was evenmin gelegen dat zij zich anders naar verdachte hadden behoren op te stellen. In zijn lichamelijke en psychische gezondheidsklachten, wat daarvan ook zij, is geen strafuitsluitingsgrond gelegen nu verdachte kennelijk heel bewust handelde vanuit de overtuiging dat hij in zijn recht stond de verbalisanten de toegang te weigeren ook al hadden zij een machtiging tot binnentreden. Het was dus een misverstand zijnerzijds en zijn uit vrije wil genomen besluit en niet in hoofdzaak iets anders dat hem tot zijn wederspannige gedragingen bracht.

Het verweer dat de verbalisanten niet de vereisten van subsidiariteit in aanmerking hebben genomen door de wijze van hun tegemoet treden, wordt verworpen. Niets is gebleken wat zou moeten leiden tot de conclusie dat hun wijze van tegemoet treden “te zwaar aangezet” zou zijn. Verdachtes acties en reacties waren volstrekt onjuist en nergens door gerechtvaardigd of te billijken.

Kwalificatie en strafbaarheid m.b.t. feit 3.

Het onder 3 bewezenverklaarde feit levert op

Eenvoudige belediging, aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, strafbaar gesteld bij artikel 266, eerste lid, juncto artikel 267 onder 2o van het Wetboek van Strafrecht, meermalen gepleegd.

Het verweer dat verdachte verkeerde in een zekere niet door hemzelf gewilde of veroorzaakte gemoedstoestand die hem tot zijn uitlatingen aanleiding gaf, en strekkende tot strafuitsluiting volgt de politierechter niet. Hiervoor geldt hetgeen hiervoor is overwogen met betrekking tot feit 2. Geen andere strekking kan uit de gebezigde woorden volgen, objectief gezien, dan dat verdachte de verbalisanten wilde beledigen.

Verdachte is derhalve voor alle bewezen verklaarde feiten strafbaar, nu van strafuitsluitende omstandigheden niet is gebleken.

Strafoplegging

De politierechter is van oordeel dat de hierna op te leggen straf passend is. Daarbij overweegt hij dat verdachte er een gewoonte van heeft gemaakt om zelf hennep te telen en reeds twee maal heeft geoogst. Zoals hij zelf verklaarde bestaat de oogst telkens uit zo’n 30-40 planten, nu van de circa 40 planten waarmee hij telkens ongeveer begint, niet veel verloren gaat. Hij gebruikt die oogst niet alleen zelf met zijn echtgenote, maar deelt die ook verder uit aan andere personen. Hij draagt daardoor bij aan de verspreiding van drugs. Gelet op de door die anderen aangegeven gebruik van in enkele gevallen wel vijf gram per dag, helpt hij bij het instandhouden van een forse verslaving van die personen.

De politierechter overweegt dat alle in beslag genomen voorwerpen vatbaar zijn voor onttrekking aan het verkeer, nu met betrekking tot deze voorwerpen de hiervoor onder 1 bewezen verklaarde feiten zijn begaan, terwijl die (gezamenlijkheid van) voorwerpen van zodanige aard zijn, dat het ongecontroleerde bezit ervan in strijd is met de wet of het algemeen belang.

De politierechter heeft gelet op artikel 10, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36b, 36c, 57 en 91 Wetboek van Strafrecht.

R E C H T D O E N D E:

Acht alle drie feiten bewezen zoals hierboven uiteengezet;

Acht niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is telastegelegd en spreekt hem daarvan vrij;

Verstaat dat de feiten gekwalificeerd moeten worden als hierboven overwogen.

Verdachte is daarvoor strafbaar;

Veroordeelt verdachte terzake dat deze feiten tot een taakstraf in de zin van een werkstraf zijnde het verrichten van onbetaalde arbeid voor de duur van 40 uren, met het bevel, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 20 dagen.

Veroordeelt verdachte voorts tot een gevangenisstraf van twee weken.

Bepaalt dat deze gevangenisstraf niet wordt tenuitvoergelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten, op de grond dat de veroordeelde zich voor het eind van de proeftijd, die hierbij op twee jaar wordt bepaald, aan een ander strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Verklaart onttrokken aan het verkeer de in beslag genomen goederen.

Aldus gewezen door mr. Berg, politierechter, in tegenwoordigheid van Abbink, griffier, en uitgesproken bij vervroeging (met bericht aan verdachte en raadsvrouwe) ter openbare terechtzitting van de politierechter in de Rechtbank voornoemd, op 9 april 2004;