Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2003:AO5846

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
19-11-2003
Datum publicatie
18-03-2004
Zaaknummer
03/121 WW AG1 A
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Opzegtermijn naar Duits of Nederlands recht?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Sector Bestuursrecht

Enkelvoudige Kamer

Registratienummer: 03 / 121 WW AG1 A

UITSPRAAK

in het geschil tussen:

A, wonende te B, eiser,

gemachtigde: mr. D.K. Kalma, werkzaam bij De Jonge Peters Remmelink Advocaten te Enschede,

en

De Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gevestigd te Amsterdam, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder d.d. 23 december 2002.

2. De feiten en het verloop van de procedure

Eiser is van 1 oktober 1996 tot en met 31 juli 2001 in dienst geweest bij X BV te Y. Per 1 augustus 2001 is eiser in dienst getreden bij X GmbH te Z. Op 24 april 2002 is de arbeidsovereenkomst tussen eiser en X GmbH per 1 juni 2002 rechtsgeldig beëindigd door de werkgever. Eiser is een schadevergoeding toegekend van EUR 11.000,--.

Bij besluit van 15 juli 2002 heeft verweerder besloten eiser met ingang van 1 juni 2002 een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) te weigeren. Dit in verband met het toekennen van een schadevergoeding, welke gelijkgesteld dient te worden met het loon over de opzegtermijn die loopt tot 1 juli 2002.

Blijkens het bezwaarschrift van 16 juli 2002 kan eiser zich met dit besluit niet verenigen.

Bij besluit van 23 december 2002 heeft verweerder het bezwaarschrift van eiser ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiser op 3 februari 2003, aangevuld bij schrijven van 19 februari 2003, een beroepschrift ingediend.

Verweerder heeft op 20 maart 2003 een verweerschrift ingediend.

Het beroep is behandeld ter openbare zitting van de rechtbank van 22 oktober 2003, waar eiser in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. I. Kruiders, terwijl verweerder zich heeft doen vertegenwoordigen door A.G.G. Schoonderbeek.

3. Overwegingen

In geschil is de vraag of het besluit van verweerder van 23 december 2002, waarbij het bezwaarschrift van eiser ongegrond is verklaard, in rechte in stand kan blijven.

In artikel 16, lid 3, onderdeel b van de WW is bepaald dat met het recht op onverminderde doorbetaling van het loon, bedoeld in het eerste lid, worden gelijkgesteld de inkomsten waarop de werknemer recht heeft in verband met de beëindiging van de dienstbetrekking, tot aan het bedrag aan loon dat de werknemer zou hebben ontvangen indien de dienstbetrekking door opzegging met inachtneming van de rechtens geldende termijn zou zijn geëindigd. Onder inkomsten als bedoeld in de eerste zin wordt niet verstaan een door de rechter toegewezen vergoeding van proceskosten. Onder de rechtens geldende termijn, bedoeld in de eerste zin wordt verstaan de termijn die de werkgever of de werknemer op grond van artikel 672 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek ieder voor zich bij opzegging in acht behoort te nemen. Het in de eerste zin bedoelde bedrag wordt toegerekend aan de periode onmiddellijk volgend op de datum van de beschikking tot ontbinding indien de dienstbetrekking is geëindigd door ontbinding.

Conform de Duitse wetgeving met betrekking tot het opzeggen van het dienstverband door de werkgever, dient opzegging schriftelijk te geschieden met inachtneming van een opzegtermijn van twee maanden indien de dienstbetrekking tenminste vijf jaren heeft geduurd. Opgezegd kan worden tegen het einde van de maand (Bürgerlichtes Gesetzbuch, de paragrafen 622 en 623).

Eiser is van mening dat verweerder ten onrechte stelt dat X BV en X GmbH dusdanig met elkaar verweven zijn dat zou moeten worden aangenomen dat een dienstverband van meer dan vijf jaar heeft te gelden op grond waarvan een opzegtermijn van twee maanden in acht genomen had moeten worden. Blijkens de arbeidsovereenkomst met X GmbH geldt er een opzegtermijn van vier weken. Voormelde vennootschappen zijn twee afzonderlijke vennootschappen. Ieder der vennootschappen is volgens eiser verantwoordelijk voor haar eigen resultaten. Het feit dat op de website naar elkaar wordt verwezen, heeft volgens eiser geen juridische betekenis. Eiser is van mening dat de WW-uitkering ten onrechte is geweigerd over de maand juni. Eiser werd geconfronteerd met een opzegging conform zijn arbeidsovereenkomst. Bovendien is door eiser bezwaar gemaakt tegen de opzegtermijn, maar dit bezwaar is niet gehonoreerd, zodat eiser van mening is dat het niet redelijk is hem thans financieel te straffen door de WW-uitkering over de maand juni te weigeren.

Verweerder is van mening dat het hier gaat om twee ondernemingen met twee verschillende rechtspersoonlijkheden in twee verschillende landen, wat op zich alle reden is om aan te nemen dat het hier twee, niet met elkaar in verbinding staande, ondernemingen betreft. Daar staat volgens verweerder echter tegenover dat de directeur van X BV en X GmbH één en dezelfde persoon betreft. Zowel de arbeidsovereenkomst bij X BV als bij X GmbH zijn ondertekend door deze directeur. Daarnaast wordt gebruik gemaakt van hetzelfde logo en ook op internet wordt één website gebruikt voor beide vestigingen.

Doorslaggevend is volgens verweerder de arbeidsovereenkomst welke eiser per 1 augustus 2001 is aangegaan met X GmbH. Hierin is nadrukkelijk gesteld dat “Dienstort is Z (Westf.) und Y NL”. Hieruit mag volgens verweerder duidelijk blijken dat beide vestigingen verwantschap met elkaar hebben. Hierdoor dient de lengte van eisers dienstverband volgens verweerder te worden vastgesteld op meer dan vijf jaar. Dat houdt in dat eisers werkgever de dienstbetrekking had behoren op te zeggen met inachtneming van een opzegtermijn van twee maanden. De dienstbetrekking is opgezegd op 24 april 2002, waardoor de fictieve opzegtermijn volgens verweerder loopt tot 1 juli 2002.

De rechtbank overweegt het volgende.

De rechtbank is van oordeel dat X BV te Y en X GmbH te Z twee afzonderlijke rechtspersonen zijn, van wie het verschil in identiteit door de oprichters rechtens is erkend en beoogd. Hieraan doet niet af, dat beide ondernemingen werkzaam zijn in dezelfde branche en op nagenoeg dezelfde wijze, noch doet daaraan af de omstandigheid dat het bestuur van beide rechtspersonen geheel, danwel grotendeels in handen is van een en dezelfde persoon. De feiten rechtvaardigen echter niet het door verweerder gedane beroep op vereenzelviging (“piercing the veil”) van beide rechtspersonen, met het dus volledig wegdenken van het identiteitsverschil. De rechtspersonen hebben elk een eigen debiet en er is (dus) wel degelijk een redelijk motief voor de inzet van een tweede rechtspersoon (zie HR 13 oktober 2000, NJ 2000/698). De rechtbank is dus van oordeel dat de arbeidsovereenkomst bij X GmbH te Gronau wel degelijk moet worden aangemerkt als een nieuwe arbeidsovereenkomst met een andere werkgever.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat het besluit van verweerder van 23 december 2002 voor vernietiging in aanmerking komt.

Op grond van het vorenoverwogene acht de rechtbank het, gelet op het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht, billijk verweerder te veroordelen in de kosten die eiser redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van dit beroep, zijnde de kosten voor rechtsbijstand ad EUR 644,-- en de reiskosten ad EUR 6,20.

Beslist wordt derhalve als volgt.

4. Beslissing

De Rechtbank Almelo,

Recht doende:

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

- veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten, welke kosten worden bepaald op EUR 650,20, door verweerder te betalen aan eiser;

- verstaat dat verweerder aan eiser het griffierecht ad EUR 29,-- vergoedt.

Tegen deze uitspraak staat binnen zes weken na verzending hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep te Utrecht.

Gewezen en in het openbaar uitgesproken op 19 november 2003

door mr. M.L.J. Koopmans, in tegenwoordigheid van H.B. Slot-Akkerman, griffier.

Afschrift verzonden op

Mtl