Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2003:AO5522

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
02-12-2003
Datum publicatie
13-05-2004
Zaaknummer
03 / 276 ALGEM AG1 A
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Op 29 mei 2001 heeft verweerder een looncontrole uitgevoerd bij eiseres. Uit het op 16 augustus 2001 naar aanleiding van deze controle opgemaakte rapport blijkt dat over één of meer, niet door eiseres aan de uitvoeringsinstelling doorgegeven, loonbestanddelen premies afgedragen moesten worden. Bij schrijven van 27 augustus 2001 heeft verweerder eiseres een aankondiging correctienota’s, boeteregistratie en oplegging administratieve boete over 1996 tot en met 2000 doen toekomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Sector Bestuursrecht

Enkelvoudige Kamer

Registratienummer: 03 / 276 ALGEM AG1 A

UITSPRAAK

in het geschil tussen:

[eiseres] Transportbedrijf B.V., gevestigd te [plaats], eiseres,

gemachtigde: mr. J. Bredewoud FB te Raalte,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekerinigen (UWV), gevestigd te Amsterdam, verweerder, in dezen vertegenwoordigd door UWV Gak.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder d.d. 21 februari 2003.

2. De feiten en het verloop van de procedure

Op 29 mei 2001 heeft verweerder een looncontrole uitgevoerd bij eiseres. Uit het op 16 augustus 2001 naar aanleiding van deze controle opgemaakte rapport blijkt dat over één of meer, niet door eiseres aan de uitvoeringsinstelling doorgegeven, loonbestanddelen premies afgedragen moesten worden. Bij schrijven van 27 augustus 2001 heeft verweerder eiseres een aankondiging correctienota’s, boeteregistratie en oplegging administratieve boete over 1996 tot en met 2000 doen toekomen.

Bij schrijven van 22 oktober 2001 heeft eiseres verweerder haar zienswijze doen toekomen.

Op 4 januari 2002 heeft verweerder eiseres een aanvullend looncontrolerapport doen toekomen. In het begeleidend schrijven heeft verweerder tevens aangegeven, behoudens de correctie over het jaar 1996 wegens verjaring, geen aanleiding te zien om op de aangekondigde correcties terug te komen.

Bij besluit van 23 september 2002 heeft verweerder over 1997 tot en met 1999 een verzuim geregistreerd.

Bij besluiten van 24 september 2002 heeft verweerder afrekening nota’s SV correctie over de jaren 1997, 1998, 1999 en 2000 vastgesteld.

Bij besluiten van 30 september 2002 heeft verweerder besloten boetenota’s over de jaren 1998 tot en met 2000 op te leggen.

Bij schrijven van 28 oktober 2002, respectievelijk 6 november 2002, heeft eiseres tegen deze besluiten bezwaar gemaakt. De gronden van de bezwaren zijn aangevuld bij schrijven van 4 december 2002.

Eiseres is in de gelegenheid gesteld haar bezwaren ter hoorzitting mondeling nader toe te lichten. Van deze gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

Bij het bestreden besluit van 21 februari 2003 heeft verweerder de bezwaren van eiseres ongegrond verklaard en heeft het besluit verzuimregistratie van 23 september 2002, de correctienota’s van 24 september 2002 over de jaren 1997 tot en met 2000, alsmede de boetenota’s van 30 september 2002 over de jaren 1998 tot en met 2000 gehandhaafd.

Eiseres kan zich blijkens het beroepschrift, zoals nader aangevuld bij schrijven van 18 mei 2003, niet met dat besluit verenigen.

Bij schrijven van 19 juni 2003 heeft verweerder de rechtbank de aan het besluit ten grondslag liggende stukken, alsmede een verweerschrift doen toekomen.

Het beroep is behandeld ter openbare zitting van de rechtbank van 24 november 2003, waar eiseres zich heeft doen vertegenwoordigen door […], bijgestaan door gemachtigde mr. J.A. Maathuis, kantoorgenoot van mr. J. Bredewoud, voornoemd. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. D.A. Rusman.

3. Overwegingen

In geschil is de vraag of het besluit van 21 februari 2003 in rechte in stand kan blijven.

Met betrekking tot de correctienota’s

Ingevolge artikel 10 lid 2 van de Coördinatiewet Sociale Verzekering (CSV) doet de werkgever, met inachtneming van de door Onze Minister daaromtrent te stellen regels, opgave van het door de werknemer genoten loon aan verweerder.

Artikel 12 lid 1 van de CSV bepaalt dat indien de werkgever niet, niet juist of niet volledig voldoet aan een op grond van artikel 10 lid 2 gestelde verplichting verweerder ambtshalve het verschuldigde of het alsnog verschuldigde bedrag aan premie of voorschotpremie vaststelt.

Artikel 4 lid 1 van de CSV bepaalt dat loon is al hetgeen uit een dienstbetrekking wordt genoten. Lid 2 bepaalt dat tot het loon behoren aanspraken om na verloop van tijd of onder een voorwaarde een of meer uitkeringen of verstrekkingen te ontvangen.

Vervolgens geeft artikel 6 van de CSV een aantal aanspraken, uitkeringen en verstrekkingen die niet tot het loon behoren.

Artikel 8 lid 1 van de CSV bepaalt dat niet in geld genoten loon in aanmerking wordt genomen naar de waarde welke daaraan in het economische verkeer kan worden toegekend.

Ingevolge artikel 8 lid 2 van de CSV kunnen bij ministeriële regeling nadere regels worden gesteld met betrekking tot de waardering van aanspraken en van ander niet in geld genoten loon.

Van deze bevoegdheid is gebruik gemaakt middels het besluit Waardering aanspraken d.d. 3 september 1954, Stcrt 1954,173, zoals nadien gewijzigd.

In artikel 3 van dit besluit worden voorwaarden genoemd op grond waarvan in bepaalde gevallen voor de berekening van het loon, waarnaar de premies op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, de Werkloosheidswet en de Ziekenfondswet worden geheven, het voordeel dat de werknemer heeft van aan hem vanwege zijn werkgever verstrekte geldleningen, waarvoor hem geen danwel een lagere rente in rekening wordt gebracht, op nihil worden gesteld.

Verweerder heeft bij het bestreden besluit overwogen dat in casu de onderneming van de heren . [voorletters] [betrokkenen] (hierna: betrokkenen), [betrokkenen] Transport BV, op 3 augustus 1995 is gefailleerd en dat betrokkenen op 4 maart 1996, respectievelijk 18 maart 1996 bij eiseres in dienst zijn getreden. Verder heeft verweerder overwogen dat op basis van een overeenkomst van 13 juli 1996 eiseres aan betrokkenen een lening van ƒ 46.000,-- heeft verstrekt ter aflossing van hun algehele schuld bij de ING bank. In de overeenkomst staat volgens verweerder vermeld dat van betrokkenen wordt verwacht hun medewerking te verlenen bij het verwerven van de diverse werkzaamheden, welke zij tijdens hun periode van [betrokkenen] Transport BV hebben uitgeoefend.

Volgens verweerder hebben betrokkenen aan eiseres nimmer rente betaald en hebben ook nimmer hun schuld aan haar afgelost. Betrokkenen zijn inmiddels niet meer in dienst bij eiseres.

Volgens verweerder heeft eiseres aan de looninspecteur verteld dat naar alle waarschijnlijkheid het saldo zal worden kwijtgescholden. Verder overweegt verweerder nog dat de lening in de administratie van eiseres als personeelslening stond vermeld. Daarbij is verweerder van mening dat op deze lening artikel 3 van voornoemd besluit Waardering aanspraken niet van toepassing is.

Verder geeft verweerder in zijn overwegingen aan dat de looninspecteur op grond van het vorenstaande de waarde van het genoten rentevoordeel als loon van betrokkenen heeft aangemerkt. Eveneens is de kwijtgescholden lening als loon van betrokkenen aangemerkt.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder voorts overwogen dat eiseres in haar bezwaarschrift heeft opgemerkt dat de overeenkomst van 13 juli 1996 niet op basis van de relatie, die eiseres als werkgever met betrokkenen had, tot stand is gekomen. Naar de mening van eiseres was de relatie die zij had met [betrokkenen] Transport BV de basis van de overeenkomst. De waarde die het relatiebestand van [betrokkenen] Transport BV had, alsmede de waarde die de kennis en ervaring van betrokkenen hadden (“goodwill”), lagen volgens eiseres ten grondslag aan deze lening.

Daarbij verwijst eiseres naar de uitspraken HR 29 juni 1983, BNB 1984/2 en naar HR 7 maart 1990, BNB 1990/109 om haar standpunt dat in casu geen sprake is van loon te onderbouwen.

Verweerder merkt bij het bestreden besluit dienaangaande als eerste op dat de lening in de administratie van eiseres als personeelslening is aangemerkt.

Verder merkt verweerder op dat betrokkenen reeds een aantal maanden in dienst van eiseres waren toen de overeenkomst tot het verstrekken van de lening werd gesloten. In deze overeenkomst wordt volgens verweerder gerept van het door betrokkenen verlenen van medewerking bij een aantal werkzaamheden. Naar verweerders opvatting ligt het dan ook in de rede dat betrokkenen werkzaamheden voor eiseres dienden te verrichten in het kader van deze overeenkomst. Deze aanwijzingen vormen volgens verweerder een aanwijzing dat de overeenkomst is gesloten in het kader van de dienstbetrekking van betrokkenen.

Daarbij merkt verweerder nog op dat eiseres in haar bezwaarschrift aangeeft dat de kennis en ervaring van betrokkenen een rol hebben gespeeld bij de totstandkoming van de overeenkomst. Naar verweerders opvatting wordt hiermee des te aannemelijker dat de dienstbetrekking van betrokkenen een doorslaggevende rol hebben gespeeld bij de verstrekking van de lening.

Hiernaast wijst verweerder nogmaals op de omstandigheid dat betrokkenen reeds een paar maanden bij eiseres in dienst waren toen de overeenkomst werd gesloten. Verweerder is van mening dat, voor zover de onderneming van eiseres via betrokkenen in aanraking kwam met de relaties van [betrokkenen] Transport BV, het niet aannemelijk is dat dergelijke contacten pas tot stand kwamen na 13 juli 1996. Daarbij merkt verweerder nog op dat de onderneming van betrokkenen reeds bijna een jaar failliet was op het moment dat de overeenkomst werd gesloten. Het is naar verweerders mening aannemelijk te achten dat betrokkenen daardoor minder in staat waren dan voorheen om een rol te spelen in de totstandkoming van contacten tussen eiseres en hun relaties.

Deze omstandigheden geven verweerder aanleiding om aan te nemen dat de waarde van de overdracht van de goodwill geen doorslaggevende rol heeft gespeeld bij de totstandkoming van de overeenkomst tot de verstrekking van de lening.

Gelet op het voorgaande is verweerder van mening dat de overeenkomst tot het verstrekken van de lening grondslag had in de dienstbetrekking van betrokkenen.

Daarbij is verweerder van mening dat in het door eiseres genoemde arrest HR 7 maart 1990, BNB 1990/109 het verkrijgen van voordeel zijn oorzaak vond in een aantal omstandigheden welke geen verband hadden met het dienstverband en dat er in het door haar genoemde arrest van 29 juni 1983, BNB 1984/2 onvoldoende oorzakelijk verband bleek te zijn met de dienstbetrekking.

Verweerder is van mening dat, gelet op het voorgaande, in casu blijkt van een voldoende oorzakelijk verband met de dienstbetrekking.

Ten aanzien van het argument van eiseres dat de lening gebaseerd was op de persoonlijke verhouding van haar directeur met betrokkenen merkt verweerder op dat hij, gelet op al het voorgaande, van mening is dat de dienstbetrekking van betrokkenen de grondslag vormde voor het verstrekken van de lening. Verweerder is van mening dat de renteloze lening niet door eiseres zou zijn verstrekt indien betrokkenen niet bij haar in dienst waren. Eveneens is verweerder van mening dat zonder dienstbetrekking het bedrag niet door eiseres zou zijn kwijtgescholden.

Eiseres verwijst in het beroepschrift naar de gronden van het bezwaar die naar haar opvatting onverkort als gronden voor het beroep kunnen worden overgenomen.

Hiernaast vindt eiseres dat uit het bestreden besluit blijkt dat verweerders mening over de aanwezigheid van een personeelslening uitsluitend wordt gevormd door het feit dat in de jaarrekening wordt gesproken over een ‘personeelslening’ en dat de schuldenaren een arbeidsovereenkomst met dezelfde rechtspersoon hebben als de rechtspersoon waaraan zij geld verschuldigd zijn. Volgens eiseres wordt hiermee miskend dat partijen in verschillende hoedanigheden tot elkaar kunnen staan.

Verder is eiseres van mening dat verweerder niet ingaat op hetgeen is aangevoerd in het bezwaarschrift omtrent de intentie van partijen, zoals nogmaals uitdrukkelijk is uitgesproken in een verklaring van betrokkenen en eiseres. Volgens eiseres gaat verweerder eraan voorbij dat er geen plicht rustte op betrokkenen arbeid te verrichten ter zake van de overdracht van de goodwill in het kader van de dienstbetrekking. Het feit dat verweerder niet meer dan aanwijzingen aanvoert ter onderbouwing van zijn conclusie dat de overeenkomst van geldlening in het kader van de dienstbetrekking is verricht, weegt naar de mening van eiseres zwaar nu het hier gaat om een kwestie van civielrechtelijke aard. Te meer daar de intentie van de partijen volgens eiseres vast ligt en ook niet wordt bestreden door verweerder. De medewerking die betrokkenen dienden te verlenen op grond van de overeenkomst van geldlening op zichzelf beschouwd, levert volgens eiseres geen dienstbetrekking op aangezien de medewerking (introduceren bij opdrachtgevers) volledig op initiatief van de betrokkenen gebeurde die daarbij naar eigen goeddunken handelden.

Voor het overige is eiseres van mening dat verweerders besluit is gebaseerd op secundair bewijs in de vorm van aannames zonder dat daarvoor concreet bewijs is geleverd. Eiseres meent dat dit onvoldoende recht doet aan de rechtspositie van eiseres.

Verweerder geeft in het verweerschrift dienaangaande aan dat volgens jurisprudentie van de Hoge Raad goodwill kan worden omschreven als de waarde die een bedrijf heeft uitgaande boven de waarde van de afzonderlijk daartoe behorende zaken doordat het de mogelijkheid heeft om winst te behalen. In dit kader verwijst verweerder naar de uitspraak van de Hoge Raad d.d. 9 maart 1951, gepubliceerd in NJ 1952/46.

Verweerder is van mening dat de verstrekte lening niet vanwege de overdracht van goodwill is verstrekt. Daartoe merkt verweerder allereerst op dat eiseres in haar administratie de lening niet als goodwill heeft aangemerkt, maar als een personeelslening. Voorts merkt verweerder op dat in de overeenkomst van 13 juli 1996 niet is vermeld dat de lening vanwege de overdracht van goodwill tot stand is gekomen. Bovendien waren betrokkenen volgens verweerder al enkele maanden werkzaam voor eiseres toen voornoemde overeenkomst werd gesloten.

Daarbij is verweerder van mening dat indien de overeenkomst vanwege de waarde van de overdracht van goodwill tot stand was gekomen, deze reeds bij indiensttreding van betrokkenen tot stand zou zijn gekomen. Ten slotte merkt verweerder nog op dat het over het algemeen gebruikelijk is dat de goodwill direct en in zijn geheel wordt betaald en niet, zoals in casu, bij wijze van een lening die binnen 10 jaar terug zou moeten worden betaald. Gelet op het voorgaande is volgens verweerder genoegzaam aangetoond dat de verstrekte lening niet vanwege de overdracht van goodwill is verstrekt.

Voor wat betreft de mening van eiseres dat de intentie van partijen ten aanzien van de overeenkomst van de geldlening vastligt en niet door verweerder wordt bestreden, merkt verweerder op dat in de overeenkomst van 13 juli 1996 niet is vermeld dat aflossing van de lening alleen zou plaatsvinden indien bij verkoop van de verworven goodwill tot een betere transactiemogelijkheid zou leiden. In voornoemde overeenkomst staat volgens verweerder vermeld dat indien [eiseres] Transport BV binnen vijf jaar geheel of gedeeltelijk in andere handen overgaat, de lening aan betrokkenen volledig zal worden kwijtgescholden. Gesteld wordt dat in november 2000 [eiseres] Transport BV is verkocht aan een ander transportbedrijf, waarna de lening aan betrokkenen is kwijtgescholden. Verweerder kan eiseres dan ook niet volgen in haar opmerking dat de intentie van partijen ten aanzien van de overeenkomst van de geldlening vastligt en niet door verweerder wordt bestreden.

Ten aanzien van het bezwaar van eiseres dat de lening niet voortvloeit uit dienstbetrekking maar uit de persoonlijke relatie tussen de heer [eiseres] en betrokkenen merkt verweerder op dat betrokkenen op 4 maart 1996, respectievelijk 18 maart 1996, bij eiseres als chauffeur in dienst zijn getreden. Eerst nadat zij in dienstbetrekking zijn getreden heeft eiseres op basis van een overeenkomst op 13 juli 1996 de lening van ƒ 46.000,-- ter aflossing van hun algehele schuld bij de ING bank verstrekt. In de overeenkomst staat volgens verweerder vermeld dat betrokkenen hun medewerking verlenen bij het verwerven van de diverse werkzaamheden, welke zij tijdens hun periode van [betrokkenen] Transport BV hebben uitgeoefend. Verweerder is van mening dat deze omstandigheden aanwijzingen zijn dat deze overeenkomst is gesloten in het kader van de dienstbetrekking van betrokkenen.

De rechtbank overweegt dienaangaande als volgt.

De onderneming van betrokkenen is op 3 augustus 1995 gefailleerd, waarbij door de curator de bedrijfsvoering is verkocht aan een derde. Betrokkenen zijn op 4 maart 1996, respectievelijk op 18 maart 1996 bij eiseres in dienst gekomen. Pas in juli 1996 is op basis van een eerst toen perfect geworden overeenkomst aan betrokkenen een lening van in totaal ƒ 46.000,-- verstrekt ter aflossing van de hun algehele schuld bij de ING bank.

De rechtbank onderschrijft het standpunt van verweerder, dat het over het algemeen gebruikelijk is dat de waarde van de goodwill direct en in zijn geheel wordt betaald en niet, zoals in casu, bij wijze van een lening die binnen 10 jaar terug zou moeten worden terugbetaald.

Verder staat de lening in de administratie van eiseres ook niet als goodwill aangemerkt, maar als personeelslening, terwijl er toch belangrijke fiscale redenen waren om dat wel te doen, waarbij dan onder meer moet worden gedacht aan de mogelijkheid om op die aanschaf versneld te mogen afschrijven. In de overeenkomst van 13 juli 1996 staat ook niet vermeld dat de lening vanwege de overdracht van goodwill tot stand is gekomen. Bovendien waren betrokkenen, zoals hiervoor reeds is overwogen, al enkele maanden werkzaam voor eiseres toen voornoemde overeenkomst werd gesloten. Indien de overeenkomst vanwege de waarde van de overdracht van goodwill tot stand was gekomen, was deze reeds bij indiensttreding van betrokkenen tot stand gekomen, hetgeen naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk is geworden.

Eerst ter zitting - en rechtens dus veel te laat, omdat verweerder daar bij het nemen van de beslissing op bezwaar dus geen rekening mee heeft mogen houden - is alsnog namens eiseres aangevoerd dat de betreffende afspraak wel degelijk is gemaakt ongeveer drie maanden voordat de betrokkenen in dienst zijn getreden van eiseres. Allereerst moet naar aanleiding hiervan worden vastgesteld dat eiseres op geen enkele wijze heeft weten hard te maken dat reeds toen de gestelde afspraak is gemaakt. Vervolgens gevraagd naar de inhoud van die afspraak, is geantwoord dat betrokkenen vijf potentiële opdrachtgevers voor stukvervoer wilden aandragen zodat eiseres (met toen nog maar twee opdrachtgevers) aanzienlijk kon gaan uitbreiden. Daar is toen naar zeggen van eiseres geen tegenprestatie voor afgesproken. Dit met name omdat eiseres het realiteitsgehalte van dat aanbod eerst wilde verifiëren, voordat er zaken werden gedaan. Eerst nadat de betrokkenen in dienst van eiseres waren genomen, de ronde langs de nieuwe opdrachtgevers - “achterlatend een goed gevoel” - was gemaakt en nadat duidelijk was geworden dat de betrokkenen gebaat waren bij een aflossing van hun leningen, zijn de afspraken met betrokkenen naar zeggen van eiseres definitief geworden op de wijze waaraan door verweerder wordt getornd.

De rechtbank is van oordeel dat ook uit dit namens eiseres gedane relaas volgt dat de gestelde “goodwill afspraak” eerst definitief is geworden staande de arbeidsverhouding met betrokkenen. Voor het aangaan van de definitieve afspraken en voor het aangaan van de arbeidsovereenkomsten, was er kennelijk nog steeds de mogelijkheid om de gestelde “goodwill afspraak” alsnog niet aan te gaan. Aldus beschouwd, maakt het aangaan van de arbeidsovereenkomsten onlosmakelijk deel uit van de afspraken met betrokkenen. Op grond van deze overeenkomst dienden betrokkenen ook als chauffeur werkzaamheden voor eiseres te verrichten, hetgeen eveneens een belangrijke aanwijzing oplevert dat de overeenkomsten zijn gesloten in het kader van de dienstbetrekking van betrokkenen. Het feit dat de kennis en ervaring een rol hebben gespeeld bij de totstandkoming van de overeenkomst maakt het des te aannemelijker dat de dienstbetrekking van betrokkenen een doorslaggevende rol heeft gespeeld bij de verstrekking van de leningen, de duur daarvan en ook het feit dat deze renteloos mochten zijn.

Door verweerder is terecht het standpunt ingenomen dat de lening niet is gebaseerd op de persoonlijke verhouding van de directeur van eiseres met betrokkenen. Deze zou immers ook naar zeggen van eiseres niet zijn verstrekt als betrokkenen niet in dienstbetrekking waren geweest van eiseres. Zonder deze dienstbetrekking/werkzaamheden van betrokkenen zou het bedrag ook niet zijn kwijtgescholden, aldus ook eiseres.

Het boetebesluit hangt nauw samen met overwegingen die hebben geleid tot het opleggen van de correctienota’s. Het toepassen van de juiste regelgeving en de hoogte van het bedrag zijn niet aangevochten.

Op grond van het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit in rechte in stand kan worden gelaten. Voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht bestaat geen aanleiding.

Beslist wordt derhalve als volgt:

4. Beslissing

De Rechtbank Almelo,

Recht doende:

- verklaart het beroep ongegrond.

Tegen deze uitspraak staat binnen zes weken na verzending hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep te Utrecht.

Gewezen en in het openbaar uitgesproken op 2 december 2003 door mr. M.L.J. Koopmans, in tegenwoordigheid van J. Wenniger, griffier.

Afschrift verzonden op

AW