Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2003:AO2636

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
28-10-2003
Datum publicatie
06-02-2004
Zaaknummer
03 / 847 BELEI V1 V, 03 / 796 BELEI V1 A
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Verzoekster verzorgt trajecten in het kader van het gemeentelijk beleid voor jongeren, die vanwege persoonlijke kenmerken niet op de reguliere arbeidsmarkt of op een baan in het kader van de Wet inschakeling werkzoekenden (Wiw) geplaatst kunnen worden. Volgens verweerder is zijn beslissing om – voor het jaar 2002 – geen overeenkomst aan te gaan met verzoekster, voor het verrichten van bepaalde diensten, een privaatrechtelijke rechtshandeling, waartegen geen bezwaar en beroep als bedoeld in de Awb kan worden ingediend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Voorzieningenrechter

Registratienummer: 03/847 BELEI V1 V

03/796 BELEI V1 A

UITSPRAAK ALS BEDOELD IN ARTIKEL 8:86 AWB

in het geschil tussen:

Jarabee, Jeugdzorg in Twente, gevestigd te Hengelo, verzoekster,

en

Het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Enschede, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder d.d. 31 juli 2003.

2. De feiten en het verloop van de procedure

Verzoekster (als rechtsopvolgster van BJ Twente sinds 2001) verzorgt trajecten in het kader van het gemeentelijk beleid voor jongeren, die vanwege persoonlijke kenmerken niet op de reguliere arbeidsmarkt of op een baan in het kader van de Wet inschakeling werkzoekenden (Wiw) geplaatst kunnen worden. De uitvoering van dit project werd tot en met 2000 deels gefinancierd met middelen vanuit het Europees Sociaal Fonds (ESF). De gemeente Enschede was hiervan aanvrager en verzoekster uitvoerder. Voor de uitvoering werd door de stichting Activa (als subsidie-beheerder) een overeenkomst afgesloten met verzoekster. Met ingang van het jaar 2000 veranderde de systematiek van subsidies uit het ESF. In 2000 liep de subsidie uit de ‘oude’ ESF-periode af.

Naast dit ESF project voert verzoekster ook andere projecten uit voor “jongeren met sociale beperkingen en aangewezen op jeugdhulpverlening”. Deze opdrachten worden eveneens in opdracht van de gemeente Enschede uitgevoerd. De financiering hiervan is apart geregeld. Op 11 september 2001 is verzoekster daartoe een overeenkomst met de gemeente Enschede aangegaan.

In 2002 is de afrekening van de overeenkomst moeizaam verlopen. Tevens bleek toen dat er voor het jaar 2002 (project Dug-Out) geen overeenkomst was aangegaan. Verzoekster heeft daarom het initiatief genomen om in overleg te komen met de gemeente Enschede. Op 14 oktober 2002 is hierover gesproken.

Vervolgens is verzoekster de mogelijkheid geboden om toch nog tot een overeenkomst te komen.

Daartoe zou verzoekster een overeenkomst conform 2001 opstellen en naar de gemeente Enschede toezenden. Op 14 januari 2003 is van verzoekster enkel een verslag ontvangen maar geen overeenkomst. Daarop heeft verweerder een brief gedateerd 23 januari 2003 doen uitgaan waarin is aangegeven dat er geen overeenkomst is ontvangen en dat er wegens wijzigingen in de regelgeving geen mogelijkheden meer zijn om tot inkoop van diensten voor 2003 over te gaan.

Daarop heeft verzoekster verzocht om een onderhoud met de heer Fransen. Op 5 maart 2003 heeft er een gesprek plaatsgevonden tussen de heer A. Fransen en mevrouw I. Kleine van de gemeente Enschede en de heer J. Wennink en mevrouw A. Tunc.

Tijdens dit gesprek is afgesproken dat de gemeente Enschede zou bezien of er nog wel tot financiering kan worden overgegaan van de verrichte werkzaamheden ten laste van de budgetten van 2002. Gebleken is dat de kosten alleen ten laste van de budgetten 2002 kunnen worden gebracht voor zover de gemeente Enschede ook daadwerkelijk betalingen ten laste van het budget in 2002 heeft verricht (kasstelsel). Tevens is gekeken of het project eventueel ten laste van de budgetten in 2003 kon worden gebracht. Hiertoe zijn volgens verweerder ook geen mogelijkheden meer, omdat de projecten in principe middels een open en transparante procedure worden gegund. Voor een klein deel kan een uitzondering worden gemaakt als bijvoorbeeld de markt geen aanbod heeft. Dit is hier volgens verweerder niet het geval. Bovendien zijn de middelen die voor dergelijke projecten kunnen worden ingezet volgens verweerder reeds uitgeput.

Verweerder heeft bij brief van 31 maart 2003 het vorenstaande aan verzoekster meegedeeld. Bij dat schrijven heeft verweerder verzoekster voorts meegedeeld dat het haar vrij staat om voor 2003 en verder een aanvraag voor subsidie in te dienen.

Bij schrijven d.d.13 mei 2003 heeft verzoekster bezwaar gemaakt tegen het schrijven van verweerder van 31 maart 2003. Verzoekster maakt daarmee bezwaar tegen de afwijzing door verweerder om de financiering van verzoekster over het jaar 2002 alsnog tot stand te brengen.

Hiernaast heeft verzoekster op 26 mei 2003 een aanvraag tot subsidiëring voor het project Dug Out over 2003 ingediend. Bij besluit van 19 juni 2003 heeft verweerder de aanvraag afgewezen. Hiertegen zijn geen rechtsmiddelen aangewend.

Bij het bestreden besluit van 31 juli 2003 heeft verweerder het bezwaarschrift gericht tegen de brief van 31 maart 2003 niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat deze brief niet kan worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Tegen dit besluit is op 2 september 2003 beroep ingesteld bij deze rechtbank. Bij verzoekschrift van 23 september 2003 is aan de voorzieningenrechter van de rechtbank verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Verweerder heeft op 6 oktober 2003 de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd, alsmede een verweerschrift ingediend.

Het verzoek is behandeld ter openbare zitting van 21 oktober 2003, alwaar verzoekster zich heeft doen vertegenwoordigen door B. Bentem, terwijl verweerder zich heeft doen vertegenwoordigen door A.P. Brinkman en C. Kleine.

3. Overwegingen

Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld, door een partij in de hoofdzaak aan de voorzieningenrechter van de rechtbank een voorlopige voorziening worden gevraagd. Bij de beoordeling van een zodanig verzoek dient te worden nagegaan of onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, het treffen van een voorlopige voorziening vereist.

Indien naar het oordeel van de voorzieningenrechter na de zitting als bedoeld in artikel 8:83, eerste lid, van de Awb nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, kan hij op grond van het bepaalde in artikel 8:86 van die wet onmiddellijk uitspraak doen op het door de verzoeker bij de rechtbank ingediende beroep tegen het bestreden besluit. Naar aanleiding van het verhandelde ter zitting is de voorzieningenrechter van oordeel, dat nader onderzoek geen relevante bijdrage meer kan leveren voor de oordeelsvorming. Derhalve zal tevens worden beslist op het door verzoekster ingestelde beroep.

Ingevolge artikel 1:3, eerste lid, van de Awb wordt onder besluit verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.

Artikel 4:36, eerste lid, van de Awb bepaalt dat er uitvoering van de beschikking tot subsidieverlening een overeenkomst kan worden gesloten.

Verweerder heeft het bezwaarschrift van verzoekster niet-ontvankelijk verklaard omdat hij van mening is dat het schrijven van 31 maart 2003 geen besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb bevat. Volgens verweerder is zijn beslissing om - voor het jaar 2002 - geen overeenkomst aan te gaan met verzoekster, voor het verrichten van bepaalde diensten, een privaatrechtelijke rechtshandeling, waartegen geen bezwaar en beroep als bedoeld in de Awb kan worden ingediend. Op privaatrechtelijke rechtshandelingen is volgens verweerder het Burgerlijk Wetboek van toepassing.

Verzoekster is, kort gezegd, van mening dat zowel over het jaar 2001 als het jaar 2002 een publiekrechtelijke rechtsverhouding aanwezig is. Volgens verzoekster is zij ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard nu verweerder met de brief van 31 maart 2003 heeft geweigerd subsidie aan verzoekster toe te kennen en deze brief dus is aan te merken als een besluit in de zin van 1:3 van de Awb. Volgens verzoekster kan de overeenkomst niet anders kan worden gezien dan een subsidieovereenkomst als bedoeld in artikel 4:36 van de Awb.

Uit het verhandelde ter zitting maakt de voorzieningenrechter op dat verweerder op grond van de Wiw subsidie ontvangt van het Rijk voor de uitvoering van voorzieningen voor de in de gemeente woonachtige werklozen, uitkeringsgerechtigden en jongeren, die kunnen leiden tot inschakeling in het arbeidsproces dan wel die sociale activering en een zelfstandige bestaansvoorziening bevorderen. Verweerder kan de subsidie onder meer aanwenden door middel van het inkopen van dienstverlening om de langdurig werklozen en uitkeringsgerechtigden te activeren, zo mogelijk in de richting van werk. Ten behoeve van jongeren met een achterstand heeft verweerder in 2001 de diensten bij verzoekster ingekocht. De looptijd van de overeenkomst was van 1 januari 2001 tot 1 januari 2002. Verweerder heeft het project Dug-Out voor het jaar 2002 ook aangemerkt als arbeidstoeleiding. Bij schrijven van 31 maart 2003 heeft verweerder geweigerd om tot inkoop van diensten, in de vorm het project Dug-Out voor het jaar 2002, over te gaan.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat de weigering om een overeenkomst aan te gaan tot inkoop van het project Dug-Out voor het jaar 2002 dient te worden opgevat als een weigering om subsidie te verlenen. Mitsdien behelst deze weigering een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb. Immers, het subsidiëren van voormelde voorzieningen betreft een publiekrechtelijke taak die verweerder verricht. Bovendien is het ingevolge artikel 4:36 van de Awb niet toegestaan om een subsidie te verlenen bij wege van een overeenkomst. Verweerder heeft dat miskend, zodat zijn besluit voor vernietiging in aanmerking komt. Daarbij merkt de voorzieningenrechter nog op dat het bij het besluit van 31 maart 2003 weliswaar gaat om een herhaalde afwijzing. Desondanks is het gericht op rechtsgevolg nu verweerder opnieuw materieel heeft overwogen of tot subsidieverlening voor het jaar 2002 kon worden overgegaan.

De voorzieningenrechter laat thans in het midden of het bezwaarschrift van verzoekster tijdig is ingediend. Verweerder dient dat bij het nemen van de nieuwe beslissing op het bezwaarschrift van verzoekster alsnog nader te onderzoeken.

Op grond van het vorenoverwogene acht de voorzieningenrechter het, gelet op het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht, billijk verweerder te veroordelen in de kosten die verzoekster redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van dit beroep,

zijnde reiskosten voor het verschijnen ter zitting.

Aangezien het beroep bij uitspraak van heden gegrond is verklaard, is er vanwege het ontbreken van een connexe hoofdzaak geen grondslag meer voor het treffen van een voorlopige voorziening.

Beslist wordt derhalve als volgt.

4. Beslissing

De voorzieningenrechter van de Rechtbank Almelo,

Recht doende:

I. Op het beroep in de hoofdzaak:

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

- veroordeelt verweerder in de door verzoekster gemaakte proceskosten, welke kosten worden bepaald op EUR 4,30, door verweerder te betalen aan verzoekster;

- verstaat dat verweerder aan verzoekster het griffierecht ad EUR 232,-- vergoedt.

Tegen dit onderdeel van de uitspraak staat binnen zes weken na verzending hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State te Den Haag.

II. Op het verzoek om voorlopige voorziening:

- verklaart het verzoek niet-ontvankelijk.

- verstaat dat verweerder aan verzoekster het griffierecht ad Eur 232,-- vergoedt.

Tegen dit onderdeel van de uitspraak staat geen hoger beroep open.

Gewezen en in het openbaar uitgesproken op 28 oktober 2003 door mr. R.J. Jue in tegenwoordigheid van J. Wenniger, griffier.

Afschrift verzonden op

AW