Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2003:AN9205

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
01-12-2003
Datum publicatie
24-12-2003
Zaaknummer
03/293 WW AG1 A
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft besloten op eisers WWuitkering een maatregel toe te passen, omdat hij in de periode [...] 2002 geen enkele sollicitatie zou hebben verricht

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Sector Bestuursrecht

Enkelvoudige Kamer

Registratienummer: 03/293 WW AG1 A

UITSPRAAK

in het geschil tussen:

A, wonende te B, eiser,

gemachtigde: mr. W.F.C. van Megen te Rotterdam,

en

De Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV), gevestigd te Amsterdam, verweerder, in dezen vertegenwoordigd door UWV Cadans.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder d.d. 17 maart 2003.

2. De feiten en het verloop van de procedure

Eiser ontvangt sedert 1 juli 2002 een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW).

Bij besluit van 6 november 2002 heeft verweerder besloten op eisers uitkering een maatregel toe te passen, omdat hij in de periode van 30 september 2002 tot 28 oktober 2002 geen enkele sollicitatie zou hebben verricht. Deze maatregel houdt in dat er van 28 oktober 2002 tot 17 februari 2003 20% op eisers uitkering wordt gekort. Bij schrijven van 5 december 2002 heeft eiser tegen dit besluit een bezwaarschrift bij verweerder ingediend. Bij het bestreden besluit van 17 maart 2003 heeft verweerder op de daarin vervatte gronden eisers bezwaarschrift ongegrond verklaard en heeft zijn beslissing van 6 november 2002 gehandhaafd. Blijkens het ingediende beroepschrift kan eiser zich niet verenigen met dit besluit. Verweerder heeft op 24 april 2003 de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd, alsmede een verweerschrift ingediend.

Het beroep is behandeld ter openbare zitting van de rechtbank van 10 november 2003, waar niet eiser maar wel diens gemachtigde mr. W.F.C. van Megen is verschenen, terwijl verweerder zich heeft doen vertegenwoordigen door de gemachtigde J.J.Bakker.

3. Overwegingen

In geschil is de vraag of het besluit van 17 maart 2003 in rechte in stand kan blijven.

Artikel 24, eerste lid, aanhef en onder b, ten eerste, van de WW bepaalt dat de werknemer voorkomt dat hij werkloos is of blijft, doordat hij in onvoldoende mate tracht passende arbeid te verkrijgen.

De eerste volzin van het vierde lid van artikel 24 van de WW bepaalt dat als passende arbeid, bedoeld in het eerste lid, wordt beschouwd alle arbeid die voor de krachten en bekwaamheden van de werknemer is berekend, tenzij aanvaarding om redenen van lichamelijke, geestelijke of sociale aard niet van hem kan worden gevergd.

Artikel 27, derde lid, van de WW bepaalt onder meer dat indien de werknemer een verplichting, hem op grond van artikel 24, eerste lid, aanhef en onder b, ten eerste opgelegd, niet of niet behoorlijk is nagekomen, het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen de uitkering tijdelijk of blijvend, geheel of gedeeltelijk kan weigeren.

Verweerder heeft in het bestreden besluit overwogen dat eiser in de periode van 30 september 2002 tot 28 oktober 2002 onvoldoende sollicitatieactiviteiten heeft verricht. Daarbij overweegt verweerder dat zolang eiser aanspraak maakt op een WW-uitkering, hij gehouden is om te voldoen aan de verplichtingen die voortvloeien uit de WW. Een van die verplichtingen is volgens verweerder dat eiser minstens één concrete sollicitatieactiviteit per week dient te verrichten. Voorts overweegt verweerder dat in het eerste half jaar van eisers recht op WW, ‘passend’ werk een functie moet inhouden die aansluit bij zijn opleiding en ervaring. Echter vanuit het oogpunt van de WW moet eiser er alles aan doen om te voorkomen dat hij werkloos blijft, aldus verweerder. Indien eiser niet binnen zijn eigen branche voldoende sollicitatieactiviteiten kan verrichten, wordt volgens verweerder tevens van hem verwacht dat hij werk binnen andere branches zoekt. Daarbij merkt verweerder nog op dat het feit dat eiser gebruik maakt van een arbeidsbemiddelingsbureau, hem niet ontslaat van zijn sollicitatieplicht. Volgens verweerder is eiser zelf verantwoordelijk voor het vinden van passend werk.

Eiser heeft in het beroepschrift aangegeven dat hij werkzaam is in de bedrijfstak Betaald Voetbal. In deze bedrijfstak is volgens eiser zelf solliciteren niet gebruikelijk. De enige geaccepteerde wijze om aan een werkkring te komen is via spelersmakelaars of vakbond. Volgens eiser heeft hij van beide opties gebruik gemaakt, echter vooralsnog zonder resultaat. Naar eisers opvatting neemt dat echter niet weg dat hij al hetgeen heeft gedaan dat redelijkerwijs van hem verlangd kon worden om arbeid te verwerven. Eiser heeft ook nog wedstrijden bezocht teneinde contact te houden met de arbeidsmarkt waarin hij zich wil blijven begeven. In het beroepschrift heeft eiser voorts aangegeven dat bedacht dient te worden dat een voetballer niets liever wil dan (betaald) te voetballen op een zo hoog mogelijk niveau. Daarbij is het volgens eiser bekend dat hoe langer een voetballer zonder club is, des te moeilijker het wordt om een nieuwe club op niveau te vinden. Verder geeft eiser aan dat de door verweerder in het bestreden besluit genoemde voorbeelden van sollicitatieverrichtingen slechts een indicatie vormen van de wijze waarop nieuwe arbeid dient te worden gezocht, maar dat dit zeker geen limitatieve opsomming daarvan is.

Volgens eiser heeft het besluit van verweerder hem verrast omdat in vergelijkbare situaties verweerder wel rekening heeft gehouden met de bedrijfstakspecifieke situatie met betrekking tot het verwerven van nieuwe arbeid. Eiser verwijst in dit kader bij wijze van voorbeeld naar een uitspraak van de rechtbank Utrecht van 31 maart 2003, door eiser in het geding gebracht bij gelegenheid van de behandeling ter zitting. Waarom juist hier in voor verweerder ongunstige zin is beslist, ontgaat eiser.

In het verweerschrift blijft verweerder van mening dat eiser op juiste gronden een maatregel opgelegd heeft gekregen. Volgens verweerder brengt een correcte toepassing van artikel 24, eerste lid, aanhef en onder b, ten eerste, van de WW immers mee dat eiser in beginsel tenminste één concrete sollicitatieactiviteit per week verricht. Hoewel verweerder erkent dat er bijzondere omstandigheden zijn rond het verkrijgen van arbeid in het betaalde voetbal, mag volgens hem wel van eiser worden verwacht dat hij concreet aangeeft wanneer en waarover er contact heeft plaatsgevonden met het arbeidsbemiddelingsbureau Soccer Vision B.V. en met gelijksoortige bemiddelingsbureaus, alsmede wat het resultaat van dat contact is geweest. Volgens verweerder is een dergelijke manier van werk zoeken immers vergelijkbaar met de inschrijving bij en contact onderhouden met een uitzendbureau. Volgens verweerder heeft eiser op de werkbriefjes echter geen enkele concrete actie vermeld, waarbij hij er tevens op wijst dat eiser in het kader van de bezwaarprocedure nog in de gelegenheid is gesteld om aan te geven wanneer en waar hij gesolliciteerd heeft en wanneer hij contact heeft gehad met zijn zaakwaarnemer. Gesteld wordt dat eiser bij brief van 26 februari 2003 hierop weliswaar heeft gereageerd met een toelichting op de gang van zaken, maar dat hij geen data heeft genoemd. Hierdoor kan verweerder niet nagaan of eiser in de hier in het geding zijnde periode heeft voldaan aan de eis van minimaal één sollicitatieactiviteit per week. Verder is verweerder, kort gezegd, niet gebleken van gelijke gevallen die ongelijk behandeld worden.

De rechtbank overweegt dienaangaande als volgt.

Op grond van vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) is het niet in strijd met een juiste uitleg van artikel 24, eerste lid, aanhef en onder b, ten eerste, van de WW dat verweerder van een werkloze werknemer (ingevolge het vanaf 1 april 1998 door hem gehanteerde beleid) verlangt dat hij in beginsel ten minste één concrete sollicitatieactiviteit per week verricht. Van belang daarbij is dat per periode van vier weken, aan de hand van het werkbriefje en rekening houdend met de op de individuele omstandigheden van de verzekerde betrekking hebbende factoren, wordt beoordeeld of voormeld onderdeel van artikel 24 WW in concreto is overtreden. Voorts mag bij het niet nakomen van de verplichting om één concrete sollicitatie per week te verrichten, in principe worden uitgegaan van het bestaan van een causaal verband tussen de mate waarin de betrokkene solliciteert en het bestaan of voortduren van de werkloosheid, in die zin dat er bij het voldoen aan de gestelde norm een meer dan louter hypothetische kans had bestaan om passende arbeid te verkrijgen.

Het bestreden besluit heeft verweerder mede gestoeld op de overweging dat indien eiser in het eerste halfjaar van zijn recht op WW niet binnen zijn eigen branche voldoende sollicitatieactiviteiten kan verrichten, van hem kan worden verwacht dat hij werk binnen andere branches zoekt. Het gaat hier om het begrip passende arbeid. Naar mate een persoon langer werkloos is moet hij zijn eisen voor wat betreft de aard en het salarisniveau van de arbeid waarop hij zich richt terugschroeven. Gelet op de inhoud van de Richtlijn passende arbeid bij werkloosheid, waarnaar ook het Besluit sollicitatieplicht werknemers WW verwijst teneinde rekening te houden bij de beoordeling of er voldaan is aan de sollicitatieplicht, heeft eiser na aanvang van de werkloosheid een half jaar de tijd om zich te richten op het zoeken naar arbeid overeenkomstig het vroegere beroep en niveau en is hij in beginsel niet verplicht werk op een lager niveau of in een ander beroep te aanvaarden. De rechtbank kan derhalve verweerders stelling niet volgen dat eiser ook werk had dienen te zoeken in een andere branche. Immers in de periode 30 september 2002 tot 28 oktober 2002 was na aanvang van zijn werkloosheid op 1 juli 2002 hij (nog maar) 3 maanden en dus nog geen half jaar werkloos.

Het bestreden besluit is in zoverre dan ook gebaseerd op een niet juiste motivering, hetgeen ter zitting door verweerder ook is erkend. Immers, verweerder heeft ter zitting desgevraagd verklaard dat eiser niet wordt verweten dat hij nog niet op ander werk heeft gesolliciteerd. Dit leidt de rechtbank tot het oordeel dat het bestreden besluit moet worden vernietigd. Uit het hierna volgende blijkt echter dat de rechtbank van oordeel is dat de rechtsgevolgen van het besluit geheel in stand moeten blijven.

De rechtbank stelt vervolgens vast dat eiser sinds hij per 1 juli 2002 in aanmerking is gebracht voor een WW-uitkering, op de werkbriefjes bij de vraag welke bronnen hij heeft geraadpleegd bij het zoeken naar werk steeds of niets heeft ingevuld of heeft ingevuld dat zijn zaakwaarnemer

J. Korevaar een club voor hem zoekt. Dat is voor verweerder kennelijk geen aanleiding geweest om eiser eerder te waarschuwen dan wel om hem eerder een maatregel op te leggen.

De vraag is dan of het in die situatie, hoewel niet aangevoerd, op de weg van verweerder had gelegen om eiser te waarschuwen dat hij geen genoegen meer zou nemen met het niet verrichten van concrete sollicitaties. Deze vraag moet onder verwijzing naar een uitspraak van de CRvB (RSV 2001/227) ontkennend worden beantwoord. Het feit dat de betrokkene in voorafgaande uitkeringsperioden niet werd gewaarschuwd voor, dan wel werd gesanctioneerd wegens onvoldoende sollicitatieactiviteiten, betekende op zichzelf nog niet dat er van verweerders zijde sprake zou zijn van een gedogen van betrokkenes gebrek aan sollicitatieactiviteiten. In deze uitspraak werd de duur van de periode - in casu 2 tot 3 maanden - daarvoor te kort geacht op de grond dat van de uitvoeringsinstelling in redelijkheid niet kan worden gevergd, dat per uitkeringsgerechtigde een doorlopende honderdprocentscontrole wordt uitgevoerd op de nakoming van (onder meer) de sollicitatieplicht. Dit betekent dat overtredingen enige tijd kunnen hebben voortgeduurd alvorens zij worden onderkend en - dus - alvorens daarop wordt gereageerd. In die situatie gaat het te ver om direct van een gedogen uit te gaan, dit mede tegen de achtergrond van de aanwezig geachte bekendheid met de sollicitatieplicht. Nu gelet op het vorenstaande ook hier niet gesproken kan worden van een situatie van gedogen en van een gerechtvaardigd vertrouwen, was verweerder dus niet gehouden om eiser te waarschuwen alvorens hem een maatregel op te leggen wegens het in onvoldoende mate trachten passende arbeid te verkrijgen.

Rest dan de vraag of eiser al dan niet (voldoende) concrete sollicitatieactiviteiten heeft verricht.

In de brief van de Vereniging van Contractspelers van 26 februari 2003 wordt aangegeven dat eiser in de periode hier in het geding door zijn zaakwaarnemer Korevaar (van het bureau Fair Deal) gesproken is met de clubs Heracles Almelo (de heer Steunenberg) en Sparta (de heer Roks). Het lijkt hier naar het oordeel van de rechtbank te gaan om “maximaal” open sollicitaties. Op zich zijn deze niet op juistheid weersproken contacten wel als concrete sollicitatieactiviteiten aan te merken. In dat geval voldoet eiser echter nog steeds niet aan de eis van één concrete sollicitatieactiviteit per week. Bovendien dient eiser concrete data te melden. Dat eiser wekelijks contact heeft met zowel de eerder genoemde bureaus, als met zijn aanspreekpunt op het kantoor van de vereniging van contractspelers (VVCS), de heer Everhard, lijkt vooralsnog onvoldoende om van voldoende concrete sollicitatieactiviteiten te kunnen spreken. Eiser dient om dat als sollicitatieactiviteit te kunnen laten meetellen de naam te vermelden van de potentiële werkgever (of intercedent) waarmee al dan niet indirect contact is gelegd en ook een datum te vermelden wanneer daarmee (indirect) contact is gelegd. Eiser heeft hieraan niet voldaan.

De rechtbank onderschrijft in dit verband de stelling van eiser dat niet van hem kan worden gevergd om schriftelijke sollicitaties te doen. Waar het echter fout gaat is dat eiser heeft nagelaten op de werkbriefjes te melden welke sollicitatieactiviteiten in concreto wel zijn verricht.

Voorstelbaar is immers dat eiser steeds concreet aangeeft:

- wanneer welke gerichte wedstrijden door hem zijn bijgewoond om zichzelf te etaleren;

- met welke “technische staf” van welke club door eiser dan wel door diens spelersagent Korevaar of de door de vakbond in concreto contact is gelegd, bijvoorbeeld in de vorm van het verschaffen van informatie over eiser;

- wanneer en welke gesprekken eiser heeft gehad met zijn spelersagent en/of de vakbond;

- welke e-mails en/of telefoongesprekken zijn gevoerd met de spelersagent en/of de vakbond;

- welke “kansen” eiser zijn geboden in de afgelopen periode;

- en meer algemeen: inzicht verschaffen in al hetgeen is gedaan om eeen functie van zijn niveau te verkrijgen.

De rechtbank is van oordeel dat ook in het licht van de specifieke kenmerken van de (voetbal)markt waarin eiser actief is, door verweerder in redelijkheid van eiser kon en mocht worden gevergd om de hiervoor aangeduide informatie te verschaffen. Een andersluidend oordeel zou namelijk in de voorliggende situatie – waarin door eiser in feite niets concreets over de sollicitatieactiviteiten werd verklaard – elke controle door verweerder op eisers reilen en zeilen in feite onmogelijk maakt. Dit laatste met name ook omdat concrete (arbeidsmarkt)gegevens betreffende de inhoud, beloning en aantallen relevante vacatures voor verweerder niet kenbaar zijn. De rechtbank kiest dus niet voor de aanpak zoals die is gevolgd door de rechtbank Utrecht, in het in het geding gebrachte vonnis van 31 maart 2003 (reg. Nr. SBR 02/738).

Naar het oordeel van de rechtbank kan in de thans voorliggende omstandigheden wel degelijk worden gesteld dat eiser niet heeft voldaan aan zijn verplichting als neergelegd in artikel 24, eerste lid, aanhef en onder b, ten eerste, van de WW.

Voor het overige is niet gebleken van omstandigheden die het in voldoende mate solliciteren verminderd verwijtbaar maken, zodat er geen reden is voor matiging van de opgelegde maatregel van 20% over periode 28 oktober 2002 tot 17 februari 2003.

Zoals gezegd, is de rechtbank op basis hiervan van oordeel dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit geheel in stand moeten blijven.

Op grond van het vorenoverwogene acht de rechtbank het, gelet op het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht, billijk verweerder te veroordelen in de kosten die eiser redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van dit beroep, zijnde de kosten van rechtsbijstand ad EUR 322,--.

Beslist wordt derhalve als volgt:

4. Beslissing

De Rechtbank Almelo,

Recht doende:

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit geheel in stand worden gelaten;

- veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten, welke kosten worden bepaald op EUR 322,-- te betalen aan eiser;

- verstaat dat verweerder aan eiser het griffierecht ad EUR 31,-- vergoedt.

Tegen deze uitspraak staat binnen zes weken na verzending hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep te Utrecht.

Gewezen en in het openbaar uitgesproken op 1 december 2003 door mr. M.L.J. Koopmans, in tegenwoordigheid van J. Wenniger, griffier.

Afschrift verzonden op

Mtl