Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2003:AN9202

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
01-12-2003
Datum publicatie
08-12-2003
Zaaknummer
03/960 WW44 V1 V
Formele relaties
Verzetvonnis: ECLI:NL:RBALM:2004:AO7415
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft een bouwvergunning verleend voor het oprichten van een tandartsenpraktijk. Verzoek schorsing. Begrip bijgebouw.

Bodemzaak LJN: AO7415

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Ruimtelijke ordening 2003/3225

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Voorzieningenrechter

Registratienummer: 03 / 960 WW44 V1 V

UITSPRAAK ALS BEDOELD IN ARTIKEL 8:84 AWB

in het geschil tussen:

A, wonende te B, verzoeker,

gemachtigde: mr. E.D. van Tellingen, advocaat te Apeldoorn,

en

Het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Hengelo, verweerder,

Derde-belanghebbende: C, vergunninghouder.

1. Besluit waarop het verzoek betrekking heeft

Besluit van verweerder d.d. 11 augustus 2003.

2. De feiten en het verloop van de procedure

Bij besluit van 11 augustus 2003 heeft verweerder aan C (hierna: vergunninghouder) met toepassing van een vrijstelling ex artikel 19, derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) een bouwvergunning verleend voor het oprichten van een tandartsenpraktijk op het perceel X 1 te B.

Bij brief van 15 september 2003, aangevuld op 21 september 2003, heeft verzoeker een bezwaarschrift tegen dit besluit ingediend.

Bij verzoekschrift van 28 oktober 2003 is aan de voorzieningenrechter van de rechtbank verzocht een voorlopige voorziening te treffen inhoudende schorsing van de verleende bouwvergunning totdat verweerder op verzoekers bezwaren heeft beslist.

Bij brief van 5 november 2003 heeft verweerder de op de zaak betrekking hebbende stukken toegezonden.

Het verzoek is behandeld ter openbare zitting van 24 november 2003, waar verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde, terwijl verweerder zich heeft doen vertegenwoordigen door mrs. M.S. van Dijk en R.R. Greutink. Tevens is vergunninghouder verschenen, bijgestaan door mr. T.H.W. Jutta.

3. Overwegingen

Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank bezwaar is gemaakt, door de indiener van het bezwaarschrift aan de voorzieningenrechter van de rechtbank een voorlopige voorziening worden gevraagd.

Bij de beoordeling van een zodanig verzoek dient te worden nagegaan of onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, het treffen van een voorlopige voorziening vereist. Voorzover deze toetsing meebrengt dat een oordeel wordt uitgesproken dat tevens het onderwerp van de bezwarenprocedure raakt, heeft dit oordeel een voorlopig karakter.

Gelet hierop dient in het onderhavige geding de vraag te worden beantwoord of onverwijlde spoed vereist dat het besluit van 11 augustus 2003, waarbij met toepassing van een vrijstelling ex artikel 19, derde lid WRO bouwvergunning is verleend voor het oprichten van een tandartsenpraktijk, wordt geschorst dan wel dat anderszins een voorlopige voorziening wordt getroffen. Hieromtrent wordt het volgende overwogen.

Verzoeker wijst erop dat vergunninghouder op 27 oktober 2003 geheel tegen de afspraak in om nog niet met de bouw te beginnen hiertoe toch is overgegaan. Hij moet derhalve wel om een voorlopige voorziening vragen. Om zijn beroep als tandarts te kunnen uitoefenen is het voor vergunninghouder niet noodzakelijk dat hij terstond gaat bouwen omdat zijn huidige praktijk aan de […]straat 7 te B is gevestigd. In de brief van 9 augustus 2003 blijkt volgens verzoeker ook dat vergunninghouder in het geheel geen spoedeisend belang heeft om niet de beslissing op bezwaar af te wachten. Hier staat verzoekers belang tegenover om als naaste omwonende niet reeds nu met een verstoring van zijn woongenot te worden geconfronteerd, namelijk aantasting van de leefkwaliteit en woongenot als gevolg van verkeershinder, parkeerhinder, stankhinder, ernstige schending van de privacy en woongenot en geluidshinder. Op voorhand kan volgens verzoeker reeds worden aangenomen dat het bestreden besluit in de bodemprocedure geen stand zal houden, omdat het bouwwerk geen bijgebouw is als bedoeld in artikel 20 van het Besluit op de Ruimtelijke Ordening (BRO) zodat geen vrijstelling ex artikel 19, derde lid WRO verleend kon worden. Daarmee is het bouwen in strijd met het bestemmingsplan. Het bouwwerk is uitsluitend bestemd als tandartsenpraktijk (X 1) en daarmee functioneel op geen enkele wijze ondergeschikt aan het hoofdgebouw (Y 59). Verzoeker wijst op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van 16 april 2003 (LJN-nummer AF 7372).

Voorts geeft het beleid waar verweerder zich op beroept aan dat de goothoogte van een bouwwerk maximaal 3 meter mag bedragen. De goothoogte van het bouwwerk is 3,40 meter. De vrijstelling en bouwvergunning hadden dan ook wegens strijd met dit beleid moeten worden geweigerd. Voor het overige verwijst verzoeker naar zijn (aanvulling op het) bezwaarschrift en zijn zienswijzen.

Verweerder verwijst voor zijn standpunt primair naar de “nota behandeling zienswijzen” (hierna: nota). In deze nota behandelt verweerder de zienswijzen die verzoeker en anderen hebben kenbaar gemaakt met betrekking tot het voornemen van verweerder om met toepassing van artikel 19, derde lid WRO in samenhang met artikel 19a WRO in samenhang met artikel 20 van het Besluit op de ruimtelijke ordening (Bro) vrijstelling te verlenen van het bestemmingsplan ten behoeve van de realisering van de tandartspraktijkruimte. Het bouwwerk is volgens verweerder een bijgebouw bij een woongebouw in de bebouwde kom, terwijl het aantal woningen gelijk blijft.

Voorts voldoet het bouwplan volgens verweerder aan het terzake door hem op 17 april 2000 vastgestelde beleid. In artikel A, eerste lid onder c. van dat beleid wordt bepaald dat ten behoeve van een vrij of aan huis gebonden beroep aan- of bijgebouwen mogen worden opgericht met een maximale oppervlakte van 100 m2, mits het een kavel betreft met een oppervlakte van 500 tot 1.000 m2. Hieraan wordt volgens verweerder voldaan.

De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

Op het perceel waarop het bouwplan betrekking heeft, rust ingevolge artikel 3 van het bestemmingsplan “Thiemsland, uitwerkingsplan 3, blok A, B, C en D” de bestemming “Woondoeleinden” (hierna: het bestemmingsplan).

Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de bestemmingsplanvoorschriften zijn de gronden op de kaart aangewezen voor Woondoeleinden W bestemd voor het wonen.

Ingevolge artikel 3, tweede lid, sub b, van de planvoorschriften zijn op deze gronden bijgebouwen toegestaan.

Ingevolge artikel 3, vierde lid, van de planvoorschriften gelden voor het bouwen van bijgebouwen bij woningen in niet gestapelde vorm de volgende bepalingen:

a. de bijgebouwen mogen worden gebouwd op de gronden met de nadere aanduiding “bijgebouwen toegestaan (mg)” en binnen het bouwvlak, met dien verstande dat de afstand van de voorgevel van de bijgebouwen tot de voorgevel van de woning minimaal 1.00 meter dient te bedragen:

b. per woning mogen bijgebouwen worden opgericht met een totale maximale oppervlakte van 50 m2;

c. de goothoogte mag maximaal 3.00 m. bedragen;

d. de bouwhoogte mag maximaal 4.50 m. bedragen en

e. de afstand van de bijgebouwen tot de zijdelingse perceelsgrens mag niet minder zijn dan 1.00 m., tenzij op de erfafscheiding wordt gebouwd.

Onder bijgebouw wordt krachtens artikel 2, onder 17, van de planvoorschriften verstaan: een gebouw, dat in bouwkundig opzicht ondergeschikt is aan een op hetzelfde bouwperceel gelegen hoofdgebouw.

Burgemeester en wethouders zijn ingevolge artikel 3, achtste lid, van de planvoorschriften bevoegd bij woningen in niet gestapelde vorm vrijstelling te verlenen voor de bouw van een kantoor- en/of praktijkruimte ten dienste van een aan huis gebonden beroep en/of ruimten voor lichamelijk gehandicapten, met dien verstande dat de bepalingen als bedoeld in lid 4 van dit artikel van overeenkomstige toepassing zijn en dat de oppervlakte bedoeld in lid 4 onder b van dit artikel maximaal 75 m2 bedraagt.

Artikel 1 sub 17., van de planvoorschriften verstaat onder “bijgebouw”: een gebouw, dat in bouwkundig opzicht ondergeschikt is aan een op hetzelfde bouwperceel gelegen hoofdgebouw.

Onder “aan huis gebonden beroep” wordt ingevolge artikel 1 sub 20., verstaan: een beroep of het beroepsmatig verlenen van diensten op administratief, juridisch, medisch, therapeutisch, kunstzinnig, ontwerptechnisch of hiermee gelijk te stellen gebied, dat door zijn beperkte omvang in een woning en/of daarbij behorende gebouwen, met behoud van de woonfunctie kan worden uitgeoefend.

Onder “praktijk/kantoorruimte t.b.v. aan huis verbonden beroepen” wordt ingevolge artikel 1 sub 21., verstaan: een (gedeelte van een) woning, dat dient voor het uitoefenen van een beroep, dat in die woning, waarbij de woonfunctie in overwegende mate gehandhaafd blijft, kan worden uitgeoefend en dat is gericht op het verlenen van diensten.

Het onderhavige bouwplan betreft het oprichten van een tandartspraktijkruimte.

Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is het onderhavige bouwwerk een bijgebouw in de zin van artikel 2, onder 17 van het bestemmingsplan en is in strijd met artikel 3, vierde lid, sub b, van de bestemmingsplanvoorschriften, omdat de totale oppervlakte aan bijgebouwen na realisering van de praktijkruimte bijna 100 m2 zal bedragen. De goothoogte van het bouwplan is 3 m. respectievelijk 3,40 m. en voldoet dus evenmin aan het bestemmingsplan.

Verweerder heeft, als overwogen, ten behoeve van het bouwplan vrijstelling verleend op de voet van artikel 19 lid 3 WRO juncto artikel 20, eerste lid, aanhef en onder a, sub 1, Bro. Partijen twisten over de vraag of dat wel kan. De voorzieningenrechter beantwoordt deze vraag ontkennend. Beslissend is of het bouwplan als bijgebouw in de zin van voormeld artikel 20 Bro kan worden aangemerkt. Verweerder stelt zich op het standpunt dat nu het bestemmingsplan het begrip bijgebouw definieert, deze definitie tevens de inhoud van de term bijgebouw in de zin van artikel 20 Bro bepaalt. Verzoeker stelt daartegenover dat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State een andere definitie hanteert die het verlenen van een vrijstelling als hier aan de orde onmogelijk maakt.

Het gelijk is aan de zijde van verzoeker. Voor het standpunt dat de invulling van het begrip bijgebouw in artikel 20 Bro door de nationale wetgever is overgelaten aan de gemeentelijke planwetgever, en zodoende tal van verschillende betekenissen kan krijgen, bestaat geen enkele steun. Bij gebreke van een definitie van de term bijgebouw in het Bro, de WRO en de Woningwet, dient deze term nader te worden geïnterpreteerd. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft dat gedaan en hanteert als definitie voor het begrip bijgebouw in de zin van artikel 20 Bro: een gebouw dat, zowel in architectonische, als in functionele zin, ondergeschikt is aan en ten dienste staat van een hoofdgebouw. Verweerder heeft nog beleid geformuleerd ten aanzien van de toepassing van de vrijstellingsbevoegdheid als bedoeld in artikel 19, lid 3, WRO. In dat beleid komt tevens een omschrijving voor van bijgebouw die ruimer is dan de definitie in het bestemmingsplan en de omschrijving van het begrip die de Afdeling hanteert. Dat beleid kan evenmin de inhoud van het begrip bijgebouw in de zin van artikel 20 Bro bepalen.

De voorzieningenrechter ziet zich dan ook voor de vraag gesteld of de tandartspraktijkruimte kan worden aangemerkt als een bijgebouw in de zin van artikel 20 Bro, zoals de Afdeling die term heeft gedefinieerd. De voorzieningenrechter beantwoordt deze vraag voorshands ontkennend. Een gebouw voor een praktijkruimte is immers niet functioneel ondergeschikt aan en staat niet ten dienste van een hoofdgebouw waar overeenkomstig de bestemming wordt gewoond. Dat betekent dat verweerder ten onrechte vrijstelling heeft verleend op basis van artikel 19, derde lid WRO in samenhang met artikel 20, eerste lid, aanhef en onder a, sub 1 Bro. In bezwaar kan de bestreden beslissing derhalve geen stand houden.

Ter zitting heeft verweerder nog betoogd dat het ook mogelijk is binnenplanse vrijstelling te verlenen voor het bouwplan door artikel 3, achtste lid van het bestemmingsplan toe te passen. De voorzieningenrechter wijst er in dit verband op dat de goothoogte van deels 3.40 m. een probleem vormt omdat deze de norm van een maximale goothoogte van 3.00 m. met 40 cm overschrijdt. Ook heeft de gemeente nog gewezen op de vrijstellingsmogelijkheid van artikel 20, eerste lid, aanhef en onder a, sub 3, Bro, maar deze mogelijkheid dient verweerder, indien hij de bouwvergunning wenst te handhaven en voor die mogelijkheid kiest, bij zijn beslissing op bezwaar nog nader uit te werken.

Bij de komende besluitvorming in bezwaar kan verweerder tevens preciseren met welke belangen hij bij het verlenen van de benodigde vrijstelling rekening heeft gehouden en hoe hij deze heeft afgewogen. In de bestreden beslissing wordt een dergelijke afweging node gemist.

De voorzieningenrechter zal de gevraagde voorlopige voorziening toewijzen als na te melden en verweerders gemeente verwijzen in de kosten van deze procedure eveneens als na te melden.

4. Beslissing

De voorzieningenrechter van de Rechtbank Almelo,

Recht doende:

· wijst het verzoek toe en schorst de bestreden beslissing tot zes weken nadat verweerder op het bezwaarschrift van verzoeker heeft beslist;

· veroordeelt verweerder in de door verzoeker gemaakte proceskosten, welke kosten worden bepaald op EURO 648,30 (inclusief reiskosten), door verweerders gemeente te betalen aan verzoeker;

· veroordeelt verweerder in de door vergunninghouder gemaakte proceskosten, welke kosten worden bepaald op EURO 648,30, (inclusief reiskosten), door verweerders gemeente te betalen aan vergunninghouder;

· verstaat dat verweerder aan verzoeker het griffierecht ad EURO 116,--, vergoedt, door verweerders gemeente te betalen aan verzoeker.

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.

Gewezen en in het openbaar uitgesproken op 1 december 2003

door mr. R.J. Jue, in tegenwoordigheid van mr. G.J.M. Annink, griffier.

Afschrift verzonden op 1 december 2003

Mtl