Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2003:AM7964

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
29-10-2003
Datum publicatie
29-10-2003
Zaaknummer
39499 ha za 645/2000
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Was eternit aansprakelijk voor eventuele lichamelijke schade voor aanwonenden aan fietspaden in Goor die verstevigd waren met Asbestcementafval afkomstig van Eternit in de periode 1945 - 1972?

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 162
Burgerlijk Wetboek Boek 6 175
Burgerlijk Wetboek Boek 6 185
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 658
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2004, 32
JM 2004/146 met annotatie van Bos
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

zaaknummer: 39499 ha za 645 van 2000

datum uitspraak vonnis: 29 oktober 2003 (pl)

Vonnis van de rechtbank Almelo, enkelvoudige kamer voor burgerlijke zaken, in de zaak van:

[EISER],

wonende te [Plaatsnaam],

optredend als erfgenaam en nabestaande van wijlen

[ERFLATER],

overleden op [Datum],

eiser,

hierna te noemen [Eiser],

procureur: mr. G.G. Vermeulen,

advocaat: mr. R.F. Ruers te Utrecht,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

ETERNIT FABRIEKEN B.V.,

gevestigd te Goor,

gedaagde,

hierna te noemen Eternit,

procureur: mr. H.A.A. Kienhuis,

advocaat: mr. J.W. Bruidegom te Rotterdam.

Gehoord partijen.

Gezien de stukken, waaronder afschrift van het door deze rechtbank tussen partijen gewezen vonnis d.d. 20 november 2002.

Overweegt:

Over het procesverloop:

1. De rechtbank neemt hier over hetgeen dienaangaande in voormeld vonnis is overwogen.

2. In genoemd vonnis waren partijen in de gelegenheid gesteld zich bij akte uit te laten omtrent de vraag opgeworpen in rechtsoverweging 8. van genoemd vonnis.

3. Op verzoek van [Eiser] is in plaats van het nemen van een akte voorgesteld een comparitie van partijen te houden, waarmee Eternit kon instemmen en bij gelegenheid van welke comparitie als deskundige zou worden gehoord dr. ing. A. Burdorf.

4. Vervolgens heeft een comparitie van partijen plaatsgevonden op 23 december 2002, waarvan proces-verbaal is opgemaakt.

5. Naar aanleiding van deze comparitie van partijen hebben partijen ieder nog een conclusie na comparitie genomen, waarbij partijen ieder nog producties in het geding hebben gebracht en vervolgens andermaal vonnis hebben verzocht.

Over het recht:

1. De rechtbank neemt ook hier over hetgeen dienaangaande in voormeld vonnis is overwogen.

2. Voorafgaand aan bespreking van hetgeen bij gelegenheid van de comparitie van partijen aan de orde is geweest en naar aanleiding daarvan door partijen naar voren is gebracht, heeft Eternit gewezen op het tussenvonnis van deze rechtbank van 31 januari 2001 waarbij [Eiser] voorzover hij voor zijn beide kinderen in recht is opgetreden in zijn vordering niet-ontvankelijk is verklaard, hetgeen ook voor de beide kinderen zelve geldt, nu gesteld noch gebleken is dat [Eiser] door de kantonrechter gemachtigd was om namens zijn kinderen als eiser in rechte op te treden. Aangezien de rechtbank niet heeft kunnen vaststellen dat inmiddels alsnog bedoelde machtiging overgelegd is, is [Eiser] q.q. en zijn zijn kinderen nog steeds niet-ontvankelijk in hun vorderingen.

3. Het vonnis van 20 november 2002 was er voornamelijk op gericht boven water te krijgen bijvoorbeeld aan de hand van statistische gegevens of een zogenaamde asbestkaart of in het gebied rond Goor verhoudingsgewijs veel meer gevallen van mesothelioom geconstateerd zijn dan elders in landelijke gebieden in Nederland. Dr. ing. A. Burdorf heeft in zijn verklaring ter comparitie aangegeven dat een asbestkaart zoals de rechtbank die voor ogen had blijkbaar niet bestaat dat wil zeggen dat een asbestkaart geen geografische kaart is waarop je per stad of dorp kunt zien hoeveel mensen getroffen zijn door een asbestgerelateerde ziekte zoals mesothelioom. Wel kon hij aan de hand van een statistiek laten zien dat bij uitsplitsing voor vrouwen over de diverse provincies in Nederland het aantal vrouwen dat mesothelioom krijgt betrekkelijk constant is met uitzondering van de provincies Overijssel en Flevoland. In Flevoland zat net als bij Goor een asbestfabriek, waarvan ook afval gebruikt is voor versteviging van wegen. Zowel in Twente als in Flevoland is het percentage vrouwelijke mesothelioompatiënten circa twee keer zo hoog als in de rest van Nederland. Of aldus Burdorf nog iets duidelijker 0.2 gevallen van de 100.000 vrouwen die in Nederland leven wordt mesothelioompatiënt en in Twente en Flevoland is dit 0.8 tot 0.9 gevallen per 100.000 vrouwen. Nadat aan Burdorf was voorgehouden dat in een korte tijd achter elkaar twee nog redelijk jonge vrouwen overleden zijn aan mesothelioom, die dicht bij elkaar in de buurt woonden, verklaarde hij dat als je weet dat er gemiddeld circa 20 vrouwen per jaar in Nederland overlijden aan mesothelioom dan is dit aantal opmerkelijk en zouden het er 3 à 4 zijn geweest hier in de buurt van Goor, dan zou dat voor hem een bewijs zijn dat hier geen sprake meer kan zijn van toeval.

4. In een memo als productie 1 bij de conclusie na comparitie in het geding gebracht, heeft genoemde dr. ing. Burdorf nog een nadere uiteenzetting gegeven over sterfte aan mesothelioom onder vrouwen en dan in het bijzonder de kans op overlijden aan mesothelioom door milieublootstelling aan asbest in de regio Goor en omstreken. Burdorf begint daarbij te stellen dat voor het schatten van deze kans het eigenlijk nodig is het totaal aantal gevallen van mesothelioom onder vrouwen te weten en dit blijft voorlopig niet mogelijk. Aan de hand van de gegevens van drie vrouwen van wie in de gemeente Hof van Twente bekend is dat zij aan pleuramesothelioom overleden zijn en wel in 1999 één patiënte en in 2000 twee patiënten, stelt hij dat de kans dat in de gemeente Hof van Twente een willekeurige vrouw zal komen te overlijden aan een pleuramesothelioom voor de leeftijd van 65 jaar 0.03% per jaar bedraagt en voor de periode 1999-2000 is op basis van de Nederlandse sterftecijfers te verwachten dat 0.06 vrouw zal overlijden in de Hof van Twente. De werkelijke sterfte is 3 gevallen (50 keer zo hoog).

Bij deze berekening maakt hij dan de volgende opmerkingen:

a De totale sterfte aan pleuramesothelioom in Hof van Twente in 1999-2000 is onbekend en kan dus hoger zijn dan de 3 bij hem bekende gevallen.

b Een verhouding van 3 gevallen op 17.516 inwoners is significant hoger dan de verwachte sterfte op basis van Nederlandse cijfers.

c De statistische oversterfte aan pleuramesothelioom is een statistisch bewijs voor een relatie tussen asbestblootstelling in het milieu en het overlijden van de 3 genoemde gevallen. Bovenstaande analyse geeft aan dat het uitermate onwaarschijnlijk is dat de sterfte van 3 vrouwen in 2 jaar aan pleuramesothelioom toeval is. De jonge leeftijd van overlijden duidt op de mogelijkheid van asbestblootstelling in de jeugd, aangezien de gemiddelde latentietijd voor mesothelioom ruim 30-40 jaar bedraagt.

d Door de kleine aantallen (3) kan geen goede uitspraak worden gedaan over het niveau van de oversterfte. De factor 50 is slechts een zeer ruwe indicatie.

5. Terecht stelt Eternit dat het wetenschappelijk veel correcter zou zijn om de cijfers van de jaren 1999 en 2000 te plaatsen naast die van een hele reeks andere jaren en dat het bij dit soort berekeningen van groot belang is zoals bepleit door andere epidemiologen om uit te gaan van geboortecohorten. Echter als door Burdorf aangegeven deze cijfers ontbreken op dit moment. Een en ander neemt niet weg dat zoals [Eiser] stelt er zeer sterke indicaties zijn dat in de Hof van Twente een beduidend hogere sterfte aan pleuramesothelioom onder vrouwen bestaat, dan in het algemeen mocht worden verwacht. Om van zeer sterke indicaties een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid te maken, zou een nader onderzoek dienen te geschieden bijvoorbeeld door partijen aan te wijzen epidemiologen, doch de rechtbank zal dit niet doen en overweegt daartoe het navolgende.

6. Zou komen vast te staan dat de mesothelioom waaraan Heuten is overleden een gevolg is van het asbestcement en draaisel dat als afval gebruikt is voor versteviging van wegen in de buurt van de Hof van Twente, dan is de volgende vraag of Eternit daarvoor aansprakelijk is dat wil zeggen onrechtmatig gehandeld heeft. De rechtbank is van oordeel dat dit niet het geval is, waarbij er dan uiteraard van uitgegaan wordt dat het asbestafval ter beschikking is gesteld in de periode van circa 1945 tot 1972 (er is ook als begindatum genoemd 1940 en 1955) en de in die periode bestaande wetenschap over asbest met name met betrekking tot het milieu en de op dat moment bestaande of liever gezegd nog niet bestaande wetgeving.

7. In het TNO rapport van 1987 staat onder meer op bladzijde 63 het volgende:

"De problematiek van het asbestcementafval kan ook van een andere invalshoek worden bekeken en wel die van asbest als chemisch afvalstof vallend onder de wet op de chemische afvalstoffen. Tal van wettelijke maatregelen moeten er momenteel voor zorgen dat asbesthoudend afval gecontroleerd wordt gestort. De afvalproducent moet in het bezit zijn van een vergunning om het afval te storten en de verwerker in dit geval alleen de transporteur, moet over een vergunning beschikken. Daarnaast moet de stortplaats een ontheffing hebben voor het storten van asbesthoudend afval. Het aan de oppervlakte van wegen voorkomende asbesthoudende afval is zeker geen gecontroleerde stort. Het op deze plaatsen storten van asbesthoudend afval zou in het licht van de huidige kijk op chemische afvalstoffen en bodemverontreiniging vrijwel zeker als een illegale praktijk worden aangeduid."

De wet chemische afvalstoffen trad op 1 augustus 1979 in werking, dat is dus circa 7 jaar nadat Eternit gestopt was met het uitgeven van asbestafval. Bovendien storten zij het afval niet zelf, doch gaf dit aan de lokale overheden, boerenbedrijven en particulieren om te gebruiken als wegverharding. Terecht stelt Eternit dat het niet door toedoen van haar was dat het asbestcementafval bij de door genoemde derden gekozen toepassing aan de oppervlakte is gekomen. Wel is het natuurlijk zo, dat Eternit indien zij in die tijd aan de hand van de toen bestaande technische wetenschap zich gerealiseerd had dat dit soort gebruik gevaar zou kunnen opleveren voor omwonenden, dit op z'n minst kenbaar had moeten worden gemaakt, zeker in de richting van particulieren. De stand van de wetenschap was evenwel in die periode voorzover aan de rechtbank bekend zodanig, dat in 1969 het proefschrift van dr. Stumphius verscheen, dat een belangrijke aanzet bevatte in de kennisontwikkeling omtrent de gevaren aan asbest verbonden, maar dan wel bedrijfsmatig gebruikt.

8. "Voor asbestconcentraties in de buitenlucht bestaan in Nederland geen luchtkwaliteitsnormen- of richtwaarden (bladzijde 56 TNO rapport). Beoordelen van de gemeten concentraties is niet goed mogelijk. Voor de kortdurende metingen werd een monsternemings- en analysemethode toegepast, die ontwikkeld is voor arbeidshygiënisch onderzoek. Voor werkplekconcentratieniveaus bestaan de zogenaamde Maximaal Aanvaarde Concentraties (MAC). De MAC-waarden hebben voor de buitenluchtconcentraties feitelijk geen betekenis. Voor stoffen waarvoor geen buitenluchtkwaliteitsnormen beschikbaar zijn wordt weleens een zogenaamde MIC-waarde gehanteerd. De MIC-waarde wordt uit de MAC-waarde afgeleid door een veiligheidsfactor te introduceren. Voor asbest wordt een dergelijke benaderingswerk afgeraden, daar onder anderen de deeltjesverdeling voor werkpleksituaties en de buitenlucht sterk kunnen verschillen."

Een en ander betekent naar het oordeel van de rechtbank, dat indien Eternit dan wel de overheden die het asbestafval gebruikten voor 1972 technisch in staat waren geweest een onderzoek te verrichten zoals door TNO gebeurd is, zij nog niet hadden geweten waar zich aan te houden.

Overigens stelt het TNO in hetzelfde rapport, dat de gemeten concentratieniveaus zich bewegen tussen het maximaal toelaatbaar risico gekoppeld aan maximaal 500 vezels per kuub als levenslang expositieniveau en het verwaarloosbare risiconiveau verbonden met een levenslange expositie van 5 vezels per kuub. Voorts stelt zij dan dat, hoewel op grond van de gemeten concentratieniveaus het nemen van maatregelen niet direct noodzakelijk is, zij bij wijziging van de bestemming of reconstructiewerkzaamheden aan een met asbestcementafval verharde weg wel noodzakelijk zullen zijn. Wel adviseren zij op beperkte schaal stofreducerende maatregelen.

9. Ten overvloede:

het huidige boek 6 artikel 175, in werking getreden op 1 februari 1995 geeft ook aan dat rekening gehouden moet worden met de "State of the Art", dat wil dus zeggen de stand van de techniek op dat moment en dus de bekendheid met eventueel gevaar en duidelijk is dat het bedrijfsmatig rond 1972 bekend was dat asbest schadelijke eigenschappen had bij hoge concentraties in het bedrijf, maar niet in het milieu. Dezelfde huidige wetgeving geeft overigens in artikel 6:181 aan dat het niet redelijk is Eternit aan te spreken, wel, indien uiteraard bekendheid bestaat met een mogelijk gevaar van het gebruik van asbestcementafval als verhardingsmiddel voor wegen, degenen die dit asbestcementafval daartoe aanwenden.

10. Het vorenoverwogene betekent naar het oordeel van de rechtbank dat in de periode 1945-1972 bij Eternit niet bekend was of had moeten zijn dat er eventueel gevaren verbonden waren aan het ter beschikking stellen van asbestcementafval voor versteviging van wegen zodat de vorderingen van [Eiser] afgewezen dienen te worden. Als de in het ongelijk gestelde partij zal [Eiser] in de proceskosten worden verwezen.

RECHTDOENDE:

I. Wijst af de vorderingen van [Eiser].

II. Veroordeelt [Eiser] in de proceskosten aan de zijde van Eternit gevallen daaronder begrepen het salaris van de procureur en tot op heden begroot op € 5.148,27.

III. Verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen te Almelo door mr. H.J. Inden, lid van voormelde enkelvoudige kamer en uitgesproken ter openbare civiele terechtzitting van woensdag 29 oktober 2003, in tegenwoordigheid van de griffier.