Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2003:AJ3457

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
29-08-2003
Datum publicatie
17-10-2003
Zaaknummer
03 / 705 WW44 N1 V
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Schorsing van op zich rechtmatig verleende, nog niet onherroepelijke, sloopvergunning gelet op belang voorkomen onomkeerbare situatie en verzoeksters belang bij uitstel sloop.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Voorzieningenrechter

Registratienummer: 03/705 WW44 N1 V

UITSPRAAK ALS BEDOELD IN ARTIKEL 8:84 AWB

in het geschil tussen:

de Jan de Jongstichting te Schaijk e.a., verzoeksters,

gemachtigden: de Henri van Abbestichting en mr W.A.A. Wernink te Eindhoven,

en

het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Almelo, verweerder,

Derde belanghebbende: Woningstichting St. Joseph, te Almelo, vergunninghoudster,

gemachtigde: mr. W. van de Wetering, advocaat te Enschede.

1. Besluit waarop het verzoek betrekking heeft

Besluit van verweerder d.d. 8 juli 2003 (verzonden 10 juli 2003).

2. De feiten en het verloop van de procedure

Bij besluit van 8 juli 2003 (verzonden 10 juli 2003) heeft verweerder aan Woningstichting St. Joseph te Almelo een sloopvergunning verleend voor het slopen van de Willibrordkerk en het daarbij behorende klooster te Almelo. Vergunninghoudster wil ter plaatse een appartementencomplex realiseren.

Bij brieven van 30 juli 2003 zijn door de gemachtigden van verzoeksters de Jan de Jong Stichting, respectievelijk mevr. A te B en de Fondation Théodore Strawinksy, respectievelijk Mme. C te D (Zwitserland) bezwaarschriften tegen dit besluit ingediend.

Voorts is namens verzoeksters bij verzoekschrift d.d. 30 juli 2003 aan de voorzieningenrechter van de rechtbank verzocht een voorlopige voorziening te treffen, inhoudende schorsing van de verleende sloopvergunning totdat op hun verzoek om plaatsing van de Willibrordkerk op de gemeentelijke monumentenlijst onherroepelijk zal zijn beslist.

Verweerder heeft op 14 augustus 2003 de op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingediend.

Gemachtigde van verzoeksters heeft bij brief van 22 augustus 2003 nog enkele nadere stukken in het geding gebracht.

Openbare behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 26 augustus 2003, waar verzoeksters zijn verschenen bij gemachtigde mr. R.H. Vossebeld, terwijl verweerder zich heeft doen vertegenwoordigen door J.M.T. Merkenij, ambtenaar van de gemeente Almelo. Namens vergunninghoudster zijn ter zitting verschenen J. Kamst en mr. W. van de Wetering, voornoemd.

Na afloop van deze zitting hebben verzoeksters bij fax van 27 augustus 2003 een nader schriftelijke stuk aan de rechtbank gezonden. Omdat dit stuk echter te laat is ingebracht, zal de voorzieningenrechter hier geen acht op slaan.

3. Overwegingen

Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank bezwaar is gemaakt, door de indiener van het bezwaarschrift aan de voorzieningenrechter van de rechtbank een voorlopige voorziening worden gevraagd.

Bij de beoordeling van een zodanig verzoek dient te worden nagegaan of onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, het treffen van een voorlopige voorziening vereist. Voor zover deze toetsing meebrengt dat een oordeel wordt uitgesproken dat tevens het onderwerp van de bezwarenprocedure raakt, heeft dit oordeel een voorlopig karakter.

In de eerste plaats dient de voorzieningenrechter te beoordelen of verzoeksters als belanghebbende bij het bestreden besluit kunnen worden aangemerkt en om die reden ontvankelijk zijn in het onderhavige verzoek om voorlopige voorziening. Dienaangaande merkt de voorzieningenrechter op dat de Jan de Jong Stichting blijkens haar statuten ten doel heeft het organiseren, coördineren, en initiëren van alle activiteiten gericht op de bevordering van de studie van het werk van de architect Jan de Jong (1917-2001), die het ontwerp voor de Willibrordkerk heeft gemaakt, en het beheer van diens auteursrechten en alle andere rechten en verplichtingen, en het verrichten van alle verdere handelingen die met het vorenstaande in de ruimste zin verband houden of daartoe bevorderlijk kunnen zijn. De stichting tracht haar doel onder meer te verwezenlijken door het uitdragen van zijn gedachtegoed en het beheer van zijn auteursrechten en het samenwerken met instellingen en organisaties, die een gelijk of gelijksoortig doel nastreven. Gelet op deze doelstelling kan de Jan de Jong Stichting als belanghebbende bij het bestreden besluit worden aangemerkt.

Wat betreft de Fondation Théodore Strawinsky merkt de voorzieningenrechter op dat deze stichting blijkens de stukken het beheer voert over de artistieke nalatenschap van de kunstenaar Théodore Strawinsky (1907-1989). In de kerk bevindt zich een grote muurschildering van deze kunstenaar, welke door de sloop van de kerk verloren zal gaan. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kan mitsdien ook deze stichting als belanghebbende bij het bestreden besluit worden aangemerkt.

Voorts acht de voorzieningenrechter voldoende termen aanwezig om verzoeksters mevr. A en Mme. C, als directe nabestaanden en beheersters van de nalatenschap, alsmede -vermoedelijk- houdsters van de auteursrechten van Jan de Jong respectievelijk Théodore Strawinsky, eveneens als belanghebbenden bij het bestreden besluit te beschouwen.

In het onderhavige geding dient de vraag te worden beantwoord of onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, vereist dat het besluit van verweerder d.d. 8 juli 2003, waarbij verweerder aan Woningstichting St. Joseph een vergunning heeft verleend voor het slopen van de Willibrordkerk en bijbehorende klooster, wordt geschorst dan wel dat anderszins een voorlopige voorziening wordt getroffen. Hieromtrent wordt het volgende overwogen

Verzoeksters stellen zich -kort samengevat- op het standpunt dat de Willibrordkerk vanwege de architectonische en kunsthistorische waarde ervan behouden moet blijven. De Willibrordkerk dateert uit 1965 en is een bouwwerk uit de zogenoemde Bossche School en is ontworpen door de architect Jan de Jong. De Bossche School is een verzamelnaam voor een geheel van ideeën aangaande architectuur, stedenbouw, meubiliar etc. waar het gedachtegoed van de Benedictijner monnik/architect Dom Hans van der Laan aan ten grondslag ligt. Omdat vanaf 1946 in Den Bosch de cursus over deze vernieuwende architectuur werd gegeven, ontstond de benaming Bossche School. Jan de Jong werd reeds vroeg een deelnemer aan deze cursus en werkte in de navolgende jaren nauw samen met Dom Hans van der Laan, tot aan diens dood in 1991. De Jong werd door Van der Laan beschouwd als degene die het werk verder moest ontwikkelen. In de te slopen Willibrordkerk bevindt zich op 5 meter hoogte een grote muurschildering (fries) met een lengte van 72 meter van de hand van Théodore Strawinsky met 24 taferelen uit het leven van Christus. Enkele verzoeksters hebben in februari en mei 2003 een procedure gestart teneinde plaatsing van de kerk op de gemeentelijke monumentenlijst te bewerkstelligen en daarmee het behoud van de kerk te verzekeren.

Ingevolge het bepaalde in artikel 8.1.6 van de bouwverordening van de gemeente Almelo moet een sloopvergunning worden geweigerd indien:

a. de veiligheid tijdens het slopen onvoldoende is gewaarborgd en ook door het stellen van voorschriften niet op een voldoende peil kan worden gewaarborgd;

b. de bescherming van nabijgelegen bouwwerken in verband met het slopen onvoldoende is gewaarborgd en ook door het stellen van voorschriften niet op een voldoende peil kan worden gewaarborgd;

c. een vergunning ingevolge de Monumentenwet 1988 of een provinciale of een gemeentelijke monumentenverordening is vereist en deze niet is verleend;

d. een vergunning ingevolge een leefmilieuverordening op grond van de Wet op de stads- en dorpsvernieuwing is vereist en deze niet is verleend;

e. een aanlegvergunning op grond van het bestemmingsplan of op grond van een voorbereidingsbesluit is vereist en deze niet is verleend.

Vast staat dat ten tijde van het nemen van het bestreden besluit voor de sloop van de Willibrordkerk geen vergunning vereist was krachtens artikel 11 of artikel 37 van de Monumentenwet 1988, of een provinciale of een gemeentelijke monumentenverordening, zodat de weigeringsgrond als genoemd in artikel 8.1.6 onder c niet aan de orde is. Nu evenmin is gesteld of gebleken dat zich in het onderhavige geval een van de andere weigeringsgronden als genoemd in artikel 8.1.6 van de Bouwverordening voordeed, was verweerder gehouden de gevraagde sloopvergunning te verlenen.

In dit verband merkt de voorzieningenrechter op dat de voorbescherming van artikel 3, zevende lid, van de Monumentenverordening 1997 van de gemeente Almelo ten tijde van het nemen van het bestreden besluit niet gold nu niet is gesteld of gebleken dat met betrekking tot de Willibrordkerk reeds een voornemen tot aanwijzing als beschermd monument bekend was gemaakt. Voor het standpunt van verzoeksters dat er reeds voorbescherming geldt indien sprake is van een ontvankelijke aanvraag tot plaatsing op de gemeentelijke monumentenlijst, is naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen steun te vinden in de bepalingen van de Monumentenverordening 1997 en de daarbij behorende toelichting.

Gelet op het vorenstaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat er geen aanknopingspunten zijn om de bestreden sloopvergunning op grond van de ten tijde van het nemen ervan bekende feiten en omstandigheden onrechtmatig te achten. De voorzieningenrechter tekent daarbij evenwel het volgende aan.

Inmiddels heeft verweerder bij besluit van 14 augustus 2003 (verzonden 15 augustus 2003) het verzoek om de Willibrordkerk aan te wijzen als gemeentelijk monument afgewezen.

Nu ter zitting is gebleken dat tegen dat besluit inmiddels enkele bezwaarschriften zijn ingediend, kan niet op voorhand worden uitgesloten dat na heroverweging in bezwaar de afwijzende beslissing wordt herroepen en wellicht alsnog aanwijzing van de Willibrordkerk als gemeentelijk monument zal plaatsvinden. Hierbij heeft de voorzieningenrechter in aanmerking genomen dat door de gemachtigde van verzoeksters is gesteld en van de zijde van verweerder ter zitting is bevestigd dat verweerder voorafgaande aan de afwijzing van de aanvraag om plaatsing op de gemeentelijke monumentenlijst niet het krachtens artikel 3, derde lid, van de Monumentenverordening 1997 voorgeschreven advies van de monumentencommissie heeft ingewonnen, terwijl niet is gesteld of gebleken dat in casu sprake is van een spoedeisend geval waarin een zodanige adviesaanvraag achterwege kan blijven. Verweerders gemachtigde heeft verklaard dat slechts informeel, telefonisch advies is gevraagd.

Daarnaast wijst de voorzieningenrechter er op dat blijkens de stukken zowel de gemeentelijke monumentencommissie Het Oversticht als de Rijksdienst voor de Monumentenzorg te kennen hebben gegeven dat vanwege de architectuurhistorische, cultuurhistorische en stedenbouwkundige waarde van de Willibrordkerk een status als gemeentelijk monument zonder meer gerechtvaardigd is.

Door sloop van de Willibrordkerk ontstaat een onomkeerbare situatie Daardoor zou de bezwarenprocedure tegen de afwijzing om de kerk op de gemeentelijke monumentenlijst te plaatsen zinledig worden, terwijl juist het systeem van de weigeringsgrond van artikel 8.1.6. van de bouwverordening en de wettelijke regelingen voor monumentenzorg tot doel heeft te voorkomen dat gebouwen die als monument dienen te worden aangemerkt zonder nadere afweging worden gesloopt. De voorzieningenrechter is daarom van oordeel dat aan het belang van verzoeksters bij uitstel van de sloop van de kerk meer gewicht moet worden toegekend dan aan het belang van vergunninghouder bij onverwijlde gebruikmaking van de -op zich rechtmatig- verleende sloopvergunning. De voorzieningenrechter acht derhalve termen aanwezig om de bestreden sloopvergunning te schorsen tot uiterlijk zes weken nadat op het daartegen namens verzoeksters gemaakte bezwaar zal zijn beslist. Tegen die beslissing op bezwaar kunnen verzoeksters te zijner tijd beroep instellen bij de rechtbank en zo nodig wederom een verzoek om voorlopige voorziening indienen bij de voorzieningenrechter.

Op grond van het vorenoverwogene acht de voorzieningenrechter het, gelet op het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb, billijk verweerder te veroordelen in de kosten die verzoeksters redelijkerwijs hebben moeten maken in verband met de behandeling van dit verzoek, zijnde de kosten van rechtsbijstand.

Beslist wordt derhalve als volgt.

4. Beslissing

De voorzieningenrechter van de Rechtbank Almelo,

Recht doende:

- schorst het bestreden besluit tot zes weken nadat op het bezwaar van verzoeksters zal zijn beslist;

- veroordeelt verweerder in de door verzoekers gemaakte proceskosten, welke kosten worden bepaald op EUR 644,--, door de gemeente Almelo te betalen aan verzoeksters;

- verstaat dat de gemeente Almelo aan verzoeksters het griffierecht ad EUR 232,-- vergoedt.

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.

Gewezen en in het openbaar uitgesproken op

door mr. M.E. van Wees, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van G. Kootstra als griffier.

Afschrift verzonden op

Mtl