Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2003:AH9164

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
23-06-2003
Datum publicatie
05-01-2004
Zaaknummer
02/650 LIQ N1 A
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

de rechtsvoorgangster van verweerder heeft besloten aan eiser een afkoopsom toe te kennen van de contante waarde van de uitkering die hij op grond van de Ongevallenwet 1921 zou hebben genoten als deze wet niet was ingetrokken

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Sector Bestuursrecht

Enkelvoudige Kamer

Registratienummer: 02/650 LIQ N1 A

UITSPRAAK

in het geschil tussen:

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

gemachtigde: mr. H.G.M. van Zutphen, advocaat te Almelo,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) gevestigd te Amsterdam, verweerder, in dezen vertegenwoordigd door UWV Gak.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 24 juni 2002, kenmerk bz/ao 62700631.

2. De feiten en het verloop van de procedure

Op 11 mei 1964 is eiser een ongeval overkomen tijdens zijn werkzaamheden als textieldrukker. Uiteindelijk heeft de Sociale Verzekeringsbank hem vanwege deze gebeurtenis een rente toegekend op grond van de Ongevallenwet 1921. Deze rente werd berekend naar een verlies aan geschiktheid tot werken van 30%. Na intrekking van de Ongevallenwet 1921 is op eiser artikel 13 van de Wet overgangsregeling arbeidsongeschiktheidsverzekering toegepast. Op grond van dit artikel is eiser bij besluit van 6 april 1970 vanaf 1 juli 1967 een uitkering toegekend ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering. Deze uitkering werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%. Na verschillende wijzigingen werd deze uitkering vanaf 1 juli 1979 berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

Op 27 februari 1996 heeft de rechtsvoorgangster van verweerder besloten aan eiser een afkoopsom toe te kennen van de contante waarde van de uitkering die hij op grond van de Ongevallenwet 1921 zou hebben genoten als deze wet niet was ingetrokken. De afkoopsom werd bepaald op ƒ 16.840,=. Op 3 april 1996 heeft eiser tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Hij heeft geen gebruik gemaakt van de hem geboden mogelijkheid om op zijn bezwaar te worden gehoord. Bij het bestreden besluit van 24 juni 2002 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

Bij beroepschrift van 2 augustus 2002 heeft eiser tegen dit besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft de stukken ingezonden die op de zaak betrekking hebben. Op 31 oktober 2002 heeft hij een verweerschrift ingediend.

Het beroep is behandeld ter openbare zitting van de rechtbank van 16 juni 2003, waar eiser niet in persoon is verschenen, maar zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. N.M. Nijhof, kantoorgenoot van mr. H.G.M. van Zutphen voornoemd, terwijl verweerder zich heeft doen vertegenwoordigen door mevrouw mr. M.J.M. Oltmans.

3. Overwegingen

In geschil is de vraag of het besluit van 24 juni 2002 in rechte in stand kan blijven. Bij dit besluit heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard dat eiser had ingediend. Dit bezwaar was gericht tegen het besluit van verweerder van 27 februari 1996, waarbij hij eiser een afkoopsom had toegekend van ƒ 16.840,--.

Juridisch kader

In dit geval gelden, voor zover relevant en zakelijk weergegeven, onder andere de volgende wettelijke regels.

Artikel 1, eerste lid, van de Ongevallenwet 1921 (oud) bepaalt dat de werklieden in de verzekeringsplichtige bedrijven volgens de bepalingen van de Ongevallenwet 1921 (oud) verzekerd zijn tegen geldelijke gevolgen van ongevallen, hun in verband met hun dienstbetrekking overkomen. Als een dergelijk ongeval ten gevolge heeft dat de verzekerde zes weken na de dag van het ongeval gedeeltelijk of geheel ongeschikt is tot werken, dan ontvangt hij op grond van artikel 16, eerste lid, van de Ongevallenwet 1921 (oud) een geregelde uitkering, rente genaamd, gedurende de tijd van zijn gedeeltelijke of gehele ongeschiktheid tot werken, te rekenen van de dag van het ongeval. Volgens artikel 18, eerste lid, van de Ongevallenwet 1921 (oud) wordt een werkman geheel of gedeeltelijk ongeschikt geacht tot werken, als hij geheel of gedeeltelijk ongeschikt is geworden tot arbeid, die voor zijn krachten en bekwaamheid is berekend, en die met het oog op zijn opleiding en vroeger beroep hem in billijkheid kan worden opgedragen ter plaatse waar hij arbeid verricht of het laatste verricht heeft of op een naburige soortgelijke plaats. Op grond van het tweede lid van dit artikel wordt bij de vaststelling van de ongeschiktheid tot arbeid, zoveel doenlijk, rekening gehouden met de door deze arbeidsongeschiktheid veroorzaakte verminderde gelegenheid tot het verkrijgen van arbeid als bedoeld in het eerste lid.

Artikel 13 van de Wet overgangsregeling arbeidsongeschiktheidsverzekering bepaalt dat degene, die op de dag, voorafgaande aan die, waarop artikel 19 van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering in werking treedt, recht heeft op een uitkering als bedoeld in artikel 16 van de Ongevallenwet 1921 en die op laatstbedoelde dag dat recht zou hebben behouden indien die wetten niet zouden zijn ingetrokken, recht heeft op toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkering.

Volgens artikel 18 van de Liquidatiewet ongevallenwetten heeft degene die zijn arbeidsongeschiktheidsuitkering ontleent aan artikel 13 van de Wet overgangsregeling arbeidsongeschiktheidsverzekering recht op een afkoopsom. Voorwaarde daarvoor is dat hij van de dag waarop zijn recht op bedoelde uitkering is ingegaan tot en met de laatste dag van de maand, voorafgaande aan die, waarin hij de leeftijd van 65 jaar bereikt, onafgebroken recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering heeft gehad. De hoogte van die een afkoopsom is de contante waarde van de uitkering als bedoeld in artikel 16 van de Ongevallenwet, waarop hij - indien genoemde wetten niet zouden zijn ingetrokken - recht zou hebben gehad op de eerste dag van de maand, waarin hij de leeftijd van 65 jaar bereikt, ter zake van het ongeval waarvoor hem het recht op uitkering is verleend in aansluiting waaraan hem vorenbedoelde arbeidsongeschiktheidsuitkering is toegekend.

Standpunten van partijen

Eiser voert, zakelijk weergegeven, het volgende aan. Bij het bestreden besluit is geen sprake van zorgvuldige en adequate besluitvorming, zowel in materiële als in formele zin, omdat de besluitvorming over de beslissing op bezwaar bijna zes jaar heeft geduurd. Daarnaast is het standpunt van verweerder onvoldoende gemotiveerd en onderbouwd dat eiser per 1 februari 1996 voor 30% arbeidsongeschikt moet worden geacht in de zin van de Ongevallenwet 1921. Uit het besluit blijkt namelijk niet op welke medische informatie het is gebaseerd. Verweerder had zijn besluit niet mogen baseren op een medische rapportage uit 1967. Zeker nu eiser sindsdien toegenomen arbeidsongeschikt is geworden door verlammingsverschijnselen in de armen, nek en benen en dergelijke. Ook die toegenomen arbeidsongeschiktheid is het gevolg van het ongeval op 11 mei 1964. Verder had verweerder acht moeten slaan op de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling voor de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering. Deze heeft immers een benadering die gelijk is aan die van de Ongevallenwet, zoals blijkt uit de omzetting van het percentage arbeidsongeschiktheid Ongevallenwet 1921 in Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering in 1967. Dit blijkt ook uit CRvB 25 oktober 1976, RSV 1977, 15. Verweerder had ten slotte eiser moeten onderzoeken om tot een zorgvuldig oordeel te kunnen komen. Dit heeft hij nagelaten waardoor eiser door het verloop van de tijd in zijn bewijspositie is geschaad. Gelet op dit alles had verweerder moeten uitgaan van een arbeidsongeschiktheid in de zin van de Ongevallenwet 1921 van 100% en dus een afkoopsom moeten toekennen van € 17.830,89. Hij verzoekt deze rechtbank verweerder te veroordelen tot betaling van dit bedrag, dan wel een ander in goede justitie te bepalen bedrag, te vermeerderen met wettelijke rente en de kosten van het geding.

Verweerder brengt hier het volgende tegen in. Eiser heeft afgezien van het bijwonen van een hoorzitting waar een bezwaarverzekeringsarts aanwezig zou zijn. Daarmee heeft hij aangegeven onderzoek door de bezwaarverzekeringsarts niet nodig te achten. Verder zijn de opmerkingen van eiser over CRvB 25 oktober 1976, RSV 1977, 15 niet juist.

Overwegingen van de rechtbank

1.1 Volgens artikel 18 van de Liquidatiewet ongevallenwetten wordt de hoogte van de afkoopsom bepaald door de uitkering die een betrokkene op grond van artikel 16 van de Ongevallenwet 1921 zou hebben gehad op de eerste dag van de maand waarin hij 65 jaar wordt als de Ongevallenwet 1921 niet zou zijn ingetrokken. Daaruit volgt dat de hoogte van de uitkering geheel moet worden bepaald aan de hand van de maatstaven van de Ongevallenwet 1921. De maatstaven van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering spelen daarin geen rol.

1.2 Anders dan eiser stelt, bestaat wel degelijk verschil tussen de maatstaven van deze wetten. De CRvB bevestigt dit nadrukkelijk in de door eiser aangehaalde uitspraak van 25 oktober 1976. In andere uitspraken, zoals die van 17 april 1979, RSV 1979, 178 expliciteert de CRvB dit door er op te wijzen dat bij de Ongevallenwet 1921 de ongeschiktheid tot arbeid op de voorgrond staat en bij de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering het verlies aan verdiencapaciteit. Ook overigens verschillen deze wetten van elkaar, bijvoorbeeld doordat de Ongevallenwet 1921 slechts een verzekering biedt voor de gevolgen van ongevallen die verzekerden in verband met hun dienstbetrekking zijn overkomen.

1.3 De rechtbank acht overigens de door eiser aangehaalde uitspraak van de CRvB van 25 oktober 1976 voor deze zaak niet relevant. Geschilpunt in deze zaken was of bij de bepaling van de arbeidsongeschiktheid in de zin van de Ongevallenwet 1921 rekening mocht worden gehouden met de door de arbeidsongeschiktheid veroorzaakte verminderde gelegenheid tot het verkrijgen van arbeid, zoals deze bepaling onder de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering werd uitgelegd. Niet is gebleken dat dit geschilpunt ook in deze zaak een rol speelt. Zou dat wel het geval zijn dan kan deze uitspraak alleen in het nadeel van eiser werken. De CRvB heeft immers uitgesproken dat de ruime interpretatie onder de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering niet mag worden toegepast op de Ongevallenwet 1921.

1.4 Dat betekent dat verweerder niet gehouden was het arbeidsongeschiktheidspercentage dat was vastgesteld onder de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering bepalend te laten zijn voor het percentage onder de Ongevallenwet 1921 .

2.1 Wel diende verweerder na te gaan welke percentage volgens de Ongevallenwet 1921 voor eiser gold op 1 februari 1996. Op hem lag daarom de plicht voldoende kennis te vergaren omtrent de relevante feiten. Dit houdt niet zonder meer een verplichting in tot het uitvoeren van een medisch onderzoek. Uit de omstandigheden van het geval kan de noodzaak van een dergelijk onderzoek echter blijken. In dat verband kan de vaststelling van arbeidsongeschiktheid onder de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering een aanwijzing zijn dat de arbeidsongeschiktheid onder de Ongevallenwet 1921 is toegenomen. Voor een medisch onderzoek kan dan aanleiding bestaan.

2.2 In dit geval was een dergelijk onderzoek echter niet vereist. Weliswaar blijkt uit de stukken dat eisers beperkingen zijn toegenomen na de vaststelling in 1967 van de arbeidsongeschiktheid onder de Ongevallenwet 1921. Anders dan eiser heeft gesteld, blijkt echter nergens dat deze toename het gevolg is van het ongeval dat heeft geleid tot toekenning van de rente. Verweerder heeft ter zitting terecht gesteld dat eiser geen enkele (medische) informatie heeft aangedragen waaruit het tegendeel zou blijken. Uit het dossier volgt daarentegen dat de toename van de arbeidsongeschiktheid met name is toe te rekenen aan rugklachten van eiser, die volgens de overgelegde medische rapportages van 30 januari 1980 en 1 juni 1982 samenhangen met werkzaamheden die eiser na zijn ongeval op 11 mei 1964 door zijn werkgever zijn opgedragen. Voor alle duidelijkheid wijst de rechtbank er op dat deze nieuwe beperkingen niet alsnog tot verhoging van de arbeidsongeschiktheid in de zin van de Ongevallenwet 1921 kunnen leiden en dus niet als grondslag voor rente en afkoopsom zullen kunnen gelden. Ten eerste is sterk te betwijfelen of deze beperkingen het gevolg zijn van een (ander) ongeval in de zin van de Ongevallenwet 1921 . Ten tweede heeft eiser ter zake daarvan geen uikering als bedoeld in artikel 16 van de Ongevallenwet 1921 aangevraagd en genoten (CRvB 10 mei 1990, LJN ZB1920).

2.3 Dat betekent dat het dossier geen aanwijzingen bevatte dat eiser toegenomen arbeidsongeschikt was in de zin van de Ongevallenwet 1921. Eiser heeft evenmin dergelijke aanwijzingen genoemd. Verweerder hoefde dan ook geen verder (medisch) onderzoek te doen. De rechtbank zal daarom niet ingaan op de vraag of eiser door af te zien van deelname aan de hoorzitting ook te kennen heeft gegeven een medisch onderzoek niet nodig te achten.

2.4. Verweerder mocht bij de vaststelling van de arbeidsongeschiktheid in de zin van de Ongevallenwet 1921 daarom uitgaan van de inhoud van het dossier en de medische informatie die zich daarin bevond.

3. Eiser heeft er terecht op gewezen dat de termijn voor de beslissing op het bezwaar op grove wijze is overschreden. Dit is uiterst laakbaar en onzorgvuldig jegens eiser, maar kan niet op zichzelf leiden tot gegrondverklaring van het beroep. Voor zover enige schade aan de bewijspositie van eiser in dit geval al relevant zou zijn, staat deze schade niet op voorhand vast en komt deze in ieder geval niet voor rekening van verweerder. Uit het voorgaande volgt immers dat verweerder niet tot nader medisch onderzoek was gehouden.

4. Op grond van het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit in rechte in stand kan worden gelaten. Voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht en voor een schadevergoeding als bedoeld in artikel 8:73 van deze wet bestaat geen aanleiding.

Beslist wordt derhalve als volgt:

4. Beslissing

De Rechtbank Almelo,

Recht doende:

verklaart het beroep ongegrond.

Tegen deze uitspraak staat binnen zes weken na verzending hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep te Utrecht.

Gewezen en in het openbaar uitgesproken op 23 juni 2003 door mr. M.E. van Wees, in tegenwoordigheid van H.B. Akkerman, griffier.

Afschrift verzonden op

nb