Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2003:AF8463

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
13-05-2003
Datum publicatie
13-05-2003
Zaaknummer
08/004131-02
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Parketnummer: 08/004131-02

STRAFVONNIS

Uitspraak: 13 mei 2003

De Rechtbank te Almelo, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende in de zaak van de officier van justitie in het arrondissement Almelo, tegen:

[H.L.],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum1968],

wonende te woonplaats,

thans verblijvende in de P.I.V. te Zwolle,

terechtstaande terzake dat:

zij op of omstreeks 21 februari 2002 te Almelo opzettelijk en met voorbedachte

rade, [voorletters] [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, voornoemde [slachtoffer] met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp in de borst, en/of, althans

elders in het lichaam gestoken en/of getroffen, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 1 geen veroordeling mocht of zou kunnen volgen, SUBSIDIAIR, terzake dat

zij op of omstreeks 21 februari 2002 te Almelo opzettelijk [voorletters] [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet [slachtoffer] met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp in de borst en/of, althans

elders in het lichaam gestoken en/of getroffen, tengevolge waarvan voornoemde

[voorletters] [slachtoffer] is overleden;

Gezien de stukken;

Gelet op het onderzoek ter terechtzitting;

Gehoord de officier van justitie;

Gelet op de verdediging door en/of namens verdachte gevoerd;

De rechtbank heeft de eventueel in de tenlastelegging begane kennelijke schrijffouten verbeterd, in de bewezenverklaring.

Verdachte wordt daardoor in haar verdediging niet geschaad.

De rechtbank is door de inhoud van vorenstaande bewijsmiddelen, waarop na te melden beslissing steunt, tot de overtuiging gekomen en acht wettig bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

zij op 21 februari 2002 te Almelo opzettelijk en met voorbedachte rade,

[voorletters] [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met

dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, voornoemde [slachtoffer] met een

mes in de borst en elders in het lichaam gestoken, tengevolge waarvan voornoemde

[slachtoffer] is overleden;

Tot deze beslissing geven reden de in die bewijsmiddelen voorkomende feiten en omstandigheden.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte primair meer of anders is tenlastegelegd, zodat zij daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Het bewezen verklaarde levert op:

wat betreft primair het misdrijf:

"Moord",

strafbaar gesteld bij artikel 289 van het Wetboek van Strafrecht;

De rechtbank overweegt voor wat de strafbaarheid van verdachte betreft als volgt:

Een op 11 maart 2003 door E.H. Ameling, psycholoog en J. Loerakker, psychiater, beiden verbonden aan het Pieter Baan Centrum, psychiatrische observatiekliniek te Utrecht, uitgebracht rapport houdt, zakelijk weergegeven, ondermeer in:

Betrokkene is uit het onderzoek naar voren gekomen als een laaggemiddeld intelligente vrouw bij wie sprake lijkt van een procespsychologische ontwikkeling in de richting van een schizofrenie, van het paranoïde type. Dit op grond van één lange, of een tweetal kortere ernstige paranoïde episode(s) met wanen, visuele hallucinaties en vreemde, zoniet soms bizarre gedragingen. Thans zijn de zogenaamde negatieve symptomen van deze ontwikkeling zichtbaar, versterkt door de medicatie. Dat zijn de verstilling en vervlakking, alsook de initiatiefarmoede. Deze symptomen passen niet bij een waanstoornis. Dan komt men weer terug op het niveau van voor de psychose. De stoornis is grotendeels aanlegbepaald en kan verder nauwelijks of niet worden toegelicht vanuit de persoonlijkheidsstructuur en de ontwikkelingsgeschiedenis van betrokkene. Er zijn ook geen aanwijzingen voor een persoonlijkheidsstoornis en evenmin voor meer of minder ernstige persoonlijkheidsproblematiek. Voorzover de persoonlijkheidsstructuur kan worden beoordeeld lijkt sprake van een passief-afhankelijke persoonlijkheidsstructuur. Het huidige toestandsbeeld verhindert een goede beoordeling van de persoonlijkheid.

Zoals betrokkene en referenten vertellen was betrokkene tot een drietal jaren geleden een ander dan haar huidige presentatie kan doen vermoeden.

De vlakheid, de initiatiefarmoede en de algehele verstilling kenmerken haar nu, maar dat lijkt in het verleden anders te zijn geweest. Wel lijkt zij in een steeds kleiner wordende wereld te zijn gaan leven, maar dat is waarschijnlijk een voorbode geweest van de ontwikkeling die sinds twee jaar duidelijker zichtbaar is geworden.

Van agressie in enigerlei vorm is in het verleden geen sprake geweest. Op dat punt is er geen voorgeschiedenis. Daarmee kan de agressie vrijwel volledig worden toegelicht vanuit de paranoïdie en de levensbedreiging die ze vanuit deze paranoïdie ervoer. Vanaf 1998 zijn er spanningsverhogende momenten aan te wijzen die het schizofrene proces hebben gefaciliteerd

Na een eerste psychotische episode in het voorjaar van 2001 staakte betrokkene later haar medicatie. Een tweede psychotische episode diende zich vervolgens aan. Het kan overigens ook zijn dat er sprake is van één lange psychotische episode, met twee intense fases. In de tweede fase, of de tweede psychose, werd haar echtgenoot in haar waansysteem getrokken en dat zal met haar afhankelijkheid van hem te maken hebben gehad, maar simpelweg ook met zijn fysieke nabijheid en aanwezigheid als echtgenoot.

Betrokkene heeft zich zeer bedreigd gevoeld in haar paranoïdie en interpreteerde vrijwel alles wat haar echtgenoot deed vanuit de gedachte dat hij haar wilde vergiftigen.

Betrokkene voelde zich mogelijk bedreigd doordat haar echtgenoot zijn eigen leven leidde en minder geduld voor haar psychotische belevingen kon opbrengen dan zij verlangde. Het feit dat hij in eerste instantie geen kaartje voor zijn wedstrijd regelde kon zij als een bevestiging voor hun verwijdering opvatten. Betrokkene verwerkte de angst om haar echtgenoot kwijt te raken psychotisch en in haar waan meende zij dat haar echtgenoot haar dood wilde hebben. Ze had allemaal ervaringen, zoals lichamelijke klachten, die haar sterkten in haar overtuiging dat haar echtgenoot haar vergiftigde en gek wilde maken. Toen ze zich, in haar psychotisch denken, bewust werd van het feit dat haar dood ertoe zou leiden dat haar zoon bij haar echtgenoot zou achterblijven, zag zij vanuit de psychose geen andere uitweg meer dan haar echtgenoot te doden.

Conclusie:

Rapporteurs concluderen dat betrokkene ten tijde van het plegen van het haar ten laste gelegde feit lijdende was aan een zodanige ziekelijke stoornis van haar geestvermogens dat dit feit haar niet kan worden toegerekend.

Advies:

Betrokkene is een vrouw met al geruime tijd zeer ernstige psychiatrische problematiek in de zin van een psychose, passend bij schizofrenie van het paranoïde type. De mogelijkheid van een waanstoornis kan niet geheel uitgesloten worden. Het verdere ziektebeloop -met of zonder medicatie- zal dit verder uitwijzen. Vanaf februari 2001 functioneerde betrokkene eigenlijk continue op een psychotisch niveau.

Betrokkene ging gebukt onder een gevoel te worden bedreigd vanuit haar omgeving. Door haar gedrag ontstonden er uiteindelijk spanningen in de relatie met haar echtgenoot, waar zij dan weer paranoïd op reageerde. Uiteindelijk stond haar echtgenoot centraal in haar paranoïdie.

In de persoonlijkheid van betrokkene komen met name afhankelijke trekken naar voren.

Deze gaan echter niet zover dat er sprake is van een persoonlijkheidsstoornis. Door deze afhankelijke trekken is het inzichtelijk dat juist in de periode voorafgaande aan het tenlastegelegde, toen betrokkene's echtgenoot enige afstand van haar nam, de spanningen en haar paranoïdie toenemend op de voorgrond traden.

Voorafgaand en ten tijde van het tenlastegelegde verkeerde betrokkene in een psychotische toestand. Haar psychotische problematiek ligt dan ook ten grondslag aan het tenlastegelegde. De motieven voor het tenlastegelegde komen volledig uit haar psychose voort.

In verband hiermee achten onderzoekers betrokkene ontoerekeningsvatbaar voor het tenlastegelegde.

Over het recidivegevaar kan het volgende worden gezegd.

Vanuit betrokkene's afhankelijke en vermijdende persoonlijkheidskenmerken is het aannemelijk dat zij in de toekomst weer intieme relaties zal opdoen. Door de chronische aard van betrokkene's kwetsbaarheid om paranoïd psychotisch te decompenseren is het gevaar van onvoorspelbare agressieve gedragingen in de toekomst aanwezig. Dit gevaar beperkt zich niet enkel tot nieuwe partners, maar kan zich uitstrekken tot mensen van wie betrokkene zich afhankelijk voelt en waar een verandering in de relatie optreedt die betrokkene als bedreigend ervaart.

Naar de mening van onderzoekers dient aan betrokkene de maatregel van een terbeschikkingstelling onder voorwaarden te worden opgelegd.

De rechtbank acht de inhoud van voormeld rapport met de daaraan verbonden conclusie juist, mede gelet op hetgeen ter terechtzitting verder omtrent de persoon van verdachte is gebleken en maakt die inhoud en conclusie tot de hare.

Verdachte is derhalve terzake het bewezenverklaarde feit niet strafbaar, omdat het feit haar wegens een ziekelijke stoornis van haar geestvermogens niet kan worden toegerekend.

Aldus dient verdachte te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

De rechtbank zal aan verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling opleggen, nu de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van die maatregel eist.

Anders dan onderzoekers is de rechtbank van mening dat hieraan wel een bevel tot dwangverpleging dient te worden verbonden.

De rechtbank heeft daartoe als volgt overwogen:

Uit het rapport van het Pieter Baan Centrum kan de gerechtvaardigde conclusie worden getrokken dat in casu sprake zal zijn van een langdurige behandeling van verdachte, aangezien de kans op recidive -onder bepaalde omstandigheden- zeker aanwezig is.

Blijkens de wetgeving is de duur van een terbeschikkingstelling onder voorwaarden gemaximeerd tot vier jaren.

Op grond van artikel 38d, eerste lid van het Wetboek van Strafrecht, vangt een terbeschikkingstelling aan op de dag waarop de rechterlijke uitspraak waarbij zij is opgelegd onherroepelijk is geworden.

Het is de rechtbank ambtshalve bekend dat verdachten, aan wie de maatregel van terbeschikkingstelling is opgelegd, vaak gedurende geruime tijd als zogenaamde t.b.s. passant moeten wachten op plaatsing in een kliniek, terwijl de termijn, zoals in voormeld wetsartikel bepaald, dan al wel reeds een aanvang heeft genomen.

Concreet zou dit in het onderhavige geval betekenen dat er voor verdachte een relatief korte behandelduur resteert hetgeen de rechtbank, gelet op de problematiek aan de zijde van verdachte en het recidivegevaar, als ongewenst beschouwt, temeer nu verdere behandeling van verdachte na beëindiging van een terbeschikkingstelling onder voorwaarden alsdan uitsluitend op vrijwillige basis zou kunnen geschieden.

De rechtbank overweegt dat het inbeslaggenomen mes onttrokken dient te worden aan het verkeer, nu met betrekking tot dit mes het feit is begaan en zij van zodanige aard is dat het ongecontroleerde bezit daarvan in handen van deze verdachte in strijd is met de wet of met het algemeen belang.

De na te melden maatregel is gegrond, behalve op voormeld artikel, op de artikelen 36b,36c,37a,37b en 39 van het Wetboek van Strafrecht.

R E C H T D O E N D E:

Verklaart bewezen, dat het primair tenlastegelegde zoals boven omschreven door verdachte is begaan.

Verstaat, dat het aldus bewezen verklaarde oplevert het strafbare feit zoals hierboven vermeld.

Verklaart verdachte niet strafbaar en ontslaat haar te dier zake van alle rechtsvervolging.

Gelast de terbeschikkingstelling van verdachte, met bevel dat de terbeschikkinggestelde van overheidswege zal worden verpleegd.

Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte primair meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt haar daarvan vrij;

Gelast de teruggave aan verdachte van de inbeslaggenomen kleding.

Verklaart onttrokken aan het verkeer het inbeslaggenomen mes.

Aldus gewezen door mr. Bloebaum, voorzitter, en mr. Stoové en mr. Berg, rechters, in tegenwoordigheid van Last, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting op 13 mei 2003.