Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2003:AF8073

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
29-04-2003
Datum publicatie
01-05-2003
Zaaknummer
08/000023-01
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

STRAFVONNIS

(verkort schriftelijk vonnis PR)

Parketnummer: 08/000023-01

Uitspraak 29 april 2003.

De politierechter in de rechtbank te Almelo, rechtdoende in de zaak van de officier van justitie in het arrondissement Almelo, tegen:

I. I.,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum 1980],

wonende te [Den Haag] [adres]

terechtstaande terzake dat:

1.

hij op of omstreeks 10 januari 2001 te Enschede

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een gebouw

(collegezaal BB-1)aan de Drienerlolaan heeft weggenomen een beamer (type:

XG-NV6XE), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan de

Universiteit Twente, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte

en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de

toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te

nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van

braak, verbreking en/of inklimming;

ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 1 geen veroordeling mocht of zou kunnen volgen, SUBSIDIAIR, terzake dat

hij in of omstreeks de periode van 10 januari 2001 tot en met 26 januari 2001

te Enschede en/of 's-Gravenhage, in elk geval in Nederland,

een beamer (type: XG-NV6XE) heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of

heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden

krijgen van die beamer wist dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren)

betrof;

ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 1 SUBSIDIAIR geen veroordeling mocht of zou kunnen volgen, MEER SUBSIDIAIR, terzake dat

hij in of omstreeks de periode van 10 januari 2001 tot en met 26 januari 2001

te Enschede en/of 's-Gravenhage, in elk geval in Nederland,

een beamer (type: XG-NV6XE) heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of

heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden

krijgen van die beamer redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het (een) door

misdrijf verkregen goed(eren) betrof;

2.

hij op of omstreeks 18 januari 2001 te Enschede

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een gebouw

(collegezaal BB-2)aan de Drienerlolaan heeft weggenomen een beamer (type:

XGP10XE), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan de

Universiteit Twente, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte

en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de

toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te

nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van

braak, verbreking en/of inklimming;

ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 2 geen veroordeling mocht of zou kunnen volgen, SUBSIDIAIR, terzake dat

hij in of omstreeks de periode van 18 januari 2001 tot en met 26 januari 2001

te Enschede en/of 's-Gravenhage, in elk geval in Nederland,

een beamer (type: XGP10XE) heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft

overgedragen, terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden

krijgen van die beamer wist dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren)

betrof;

ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 2 SUBSIDIAIR geen veroordeling mocht of zou kunnen volgen, MEER SUBSIDIAIR, terzake dat

hij in of omstreeks de periode van 18 januari 2001 tot en met 26 januari 2001

te Enschede en/of 's-Gravenhage, in elk geval in Nederland,

een beamer (type: XGP10XE) heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft

overgedragen, terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden

krijgen van die beamer redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het (een) door

misdrijf verkregen goed(eren) betrof;

Gezien de stukken;

Gelet op het onderzoek ter terechtzitting;

Gehoord de vordering van de officier van justitie, die heeft gerekwireerd tot vrijspraak van de in beide feiten primair tenlastegelegde diefstal en tot bewezenverklaring van de in beide feiten subsidiair tenlastegelegde opzetheling en die als straf heeft geëist dat aan de verdachte een boete wordt opgelegd van e 1000, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 20 dagen hechtenis, geheel voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. De officier van justitie heeft daarbij overwogen dat het tijdsverloop in de vervolging onwenselijk lang is geweest en dat verdachte geen strafblad heeft terwijl hij in de afgelopen twee jaren ook niet opnieuw negatief bij justitie in beeld is gekomen. Integendeel, verdachte heeft zijn studie afgerond en lijkt begonnen te zijn aan een carrière in het bedrijfsleven die ver staat van het plegen van soortgelijke feiten. Een andere straf dan een voorwaardelijke boete zou hem in de toekomst last kunnen geven bij het aanvragen van een Verklaring van goed gedrag, en aldus zijn loopbaan in de weg staan.

Gelet op de verdediging door en namens verdachte in het midden gebracht;

(bij appel bewijsmiddelen opnemen)

De politierechter is door de inhoud van vorenstaande bewijsmiddelen, waarop na te melden beslissing steunt, tot de overtuiging gekomen en acht wettig bewezen dat verdachte het sub 1 primair en sub 2 primair tenlastegelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij op 10 januari 2001 te Enschede met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening uit een gebouw (collegezaal BB-1) aan de Drienerlolaan heeft weggenomen een beamer (type: XG-NV6XE) toebehorende aan de Universiteit Twente, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak;

2.

hij op 18 januari 2001 te Enschede, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening uit een gebouw (collegezaal BB-2) aan de Drienerlolaan heeft weggenomen een beamer (type: XGP10XE) toebehorende aan de Universiteit Twente, waarbij verdachte het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak;

Tot deze beslissing geven reden de in de bewijsmiddelen voorkomende feiten en omstandigheden, waarbij de inhoud van die bewijsmiddelen telkens alleen is gebezigd tot bewijs van het tenlastegelegde feit, waarop die inhoud bijzonderlijk betrekking heeft.

De politierechter overweegt ten aanzien van de bewezenverklaring in het bijzonder het volgende. De twee beamers waar het in de onderhavige strafzaak om gaat zijn acht dagen na elkaar weggenomen uit respectievelijk collegezalen BB1 en BB2 van de Universiteit Twente. Die collegezalen moeten, als zij al niet naast elkaar zijn gelegen, blijkens de aangiftes in elk geval zeer dichtbij elkaar zijn gelegen, namelijk in hetzelfde gebouw aan het adres Drienerlolaan 5 te Enschede. Verdachte, omtrent wie (afgezien van de tenlastegelegde feiten) geen enkele relatie met Twente in het algemeen en die collegezalen in het bijzonder is gesteld of gebleken, beschikte niettemin al kort na de verdwijning van de beamers uit de collegezalen feitelijk over deze beamers.

Vaststaat immers dat hij de eerste, op 10 januari 2001 verdwenen beamer al op 18 januari 2001 toonde aan de getuige [getuige]. Voor de tweede, op 18 januari 2001 verdwenen beamer geldt dat hij deze al op 18 januari ('s avonds, volgens getuige [aangever] op blz 172 van het dossier) danwel 19 januari 2001 (volgens getuige [getuige]) te koop aanbood aan dezelfde getuige. Op de 19e januari biedt hij deze tweede beamer aan op de veilingsite.

Verdachte woonde en studeerde in Den Haag, derhalve aan de andere kant van het land gezien vanuit Enschede. Dat hijzelf niettemin in beide gevallen al zo kort na de verdwijning feitelijk over de beamers beschikt geeft aanleiding tot het vermoeden dat hij die zelf moet hebben gestolen.

Dat vermoeden zou weerlegd kunnen worden door verdachte zelf, indien hij een aannemelijke verklaring voor het voorhanden hebben van de beamers zou geven. Verdachte heeft echter inconsistente en feitelijk onjuist gebleken verklaringen gegeven, terwijl andere omstandigheden een verkrijging van derden, als heler of verkrijger te goeder trouw, onaannemelijk maken.

Verdachte zelf heeft immers in zijn eerste verklaring bij de politie aangegeven dat hij op 18 januari 2001 op een aanbod van ene [derde] op een veilingsite was ingegaan met betrekking tot een beamer en dat hij op vrijdag 19 januari ook, in een telefoongesprek met die [derde], een tweede beamer aangeboden kreeg. Volgens verdachte zou hij beide beamers op 19 januari 2001 tegelijk van die [derde] hebben gekocht op de afgesproken ontmoetingsplaats, het station in Den Haag, tegen contante betaling van f 16.000. Dat geld zou hij hebben verkregen uit een opname van zijn kredietrekening bij de Rabobank en uit zijn thuis met modellenwerk ten behoeve van een wereldreis opgebouwde spaarpot. Naar verdachtes zeggen bood hij de tweede beamer zelf op 19 januari 2001 aan op internet en kwam daarop pas op 26 januari de eerste reactie.

Deze verklaringen moeten onjuist zijn. Onjuist is ten eerste de verklaring dat verdachte beide beamers tegelijk heeft gekocht en ten tweede dat de eerste reactie pas een week na de 19e januari kwam. Wel juist is dat hij de tweede beamer zelf tenminste al op de 19e januari 2001 aanbood op internet.

Verdachte is op 31 januari 2001 teruggekomen op zijn allereerste verklaring en gaf aan ook met ene [voornaam getuige], kennelijk de getuige [voornaam getuige] [getuige], op 19 januari 2001 contact gehad te hebben met betrekking tot de eerste beamer. In die verklaring geeft verdachte aan dat de tweede beamer toen al bij hem thuis lag.

Uit het dossier blijkt onomstotelijk dat de getuige [getuige] reeds op 17 januari 2001 de eerst verdwenen beamer op internet door verdachte aangeboden ziet, op de 18e 's morgens een afspraak maakt met verdachte voor een demonstratie, die dezelfde dag 'savonds na 22.00 uur plaatsvindt. Ten tijde van de aanbieding op 17 januari en het telefonisch contact 's morgens op de 18e, moest de tweede beamer nog weggenomen worden. De verklaring van verdachte bij de politie en ter zitting dat hij de beide beamers tegelijk heeft gekocht en dat hij de tweede beamer in elk geval al in de week voor de 19e januari op het internet aangeboden heeft gezien is evident niet consistent met de eerste bij de politie afgelegde verklaring. Feitelijk onmogelijk is voorts dat de beide beamers al voor de 18e in verdachtes bezit waren zodat hij ze ook niet tegelijk kan hebben gekocht voor hij de eerste al aan getuige [getuige] aanbood.

Dat hij de tweede beamer al in huis had nog voor hij een koper ervoor had gevonden is in strijd met de door hem zelf uiteengezette werkwijze die er op neerkomt dat hij eerst een koper zoekt op het internet voor een beamer die daar al door een ander wordt aangeboden en dat hij die beamer pas koopt als hij er een koper voor heeft gevonden die er meer voor biedt dan hij zelf behoeft te betalen.

Verdachte heeft niet aannemelijk gemaakt via welke veilingsite hij aan zijn beamers is gekomen. Dit terwijl hij, blijkens de in het dossier opgenomen in beslag genomen documenten, van zijn eigen aanbiedingen prints heeft gemaakt en aantekeningen bijhield van reacties op zijn eigen aanbiedingen (in de maand december 2000 m.b.t. andere projectoren).

Het is bovendien onwaarschijnlijk dat verdachte de beamers van anderen heeft verkregen, niet alleen vanwege het korte tijdsverloop sinds de diefstal van met name de tweede beamer en het ontbreken van elke aanwijzing dat deze beamers eerder via het internet aan eenieder te koop zijn aangeboden, zoals verdachte beweert, maar ook omdat verdachte zelf geen middelen lijkt te hebben om beamers te kopen. Zijn betaalrekening vertoonde blijkens de afschriften in het dossier rond medio januari 2001 een debetstand van bijna f 2000, terwijl afschriften van zijn kredietrekening bij de Rabobank al sedert tenminste december 2000 aangeven dat hij meer dan f 9.500 in het rood stond. Hij zou kennelijk tegelijk aanzienlijke contante bedragen thuis hebben liggen ten behoeve van een in de toekomst verlangde wereldreis, terwijl anderszins is gebleken dat verdachte al geruime tijd een aanzienlijk bedrag in het rood stond bij de girodienst en de Rabobank en daarvoor een aanzienlijke rente betaalde, terwijl hij overigens moest rondkomen van een vrij schamele studiebeurs. In één verklaring geeft hij aan dat hij nog f 2.500 opnam van zijn kredietrekening ten behoeve van de koop van de beamers van [derde]. In een andere verklaring, bij de politie afgelegd, verklaart verdachte dat de in de loop van de tijd geleidelijk opgenomen "ongeveer f 10.000" van de Rabobank, thuis opgespaard klaarlagen. Een en ander is onbegrijpelijk gedrag voor een student die naar eigen zeggen buitengewoon commercieel is. Common sense dicteert bovendien dat iemand met een studiebeurs van f 453 per maand en beweerdelijke andere legale neveninkomsten van f 1000 per maand, geen f 16.000 of enig andere bedrag van betekenis investeert in beamers (volgens de deskundige ter zitting relatief bijzondere en prijzige apparaten waarvoor de markt erg klein is) die nog verkocht moeten worden. Daar komt bij dat verdachte van zijn leverancier [derde] of wie dan ook geen NAW-gegevens, zelfs geen emailadres heeft verlangd, terwijl dat toch wenselijk zou zijn in het geval de beweerdelijk gekochte waar niet naar wens zou functioneren. Verder heeft verdachte kennelijk geen enkele garantie dat ze functioneren en geen mogelijkheid tot verhaal. Dat hij geen risico liep omdat hij pas "afnam" wanneer hij een meer biedende koper had gevonden, zoals verdachte ook tegenover de politierechter heeft beweerd, is evident onjuist. Immers als de door verdachte via het internet gevonden koper bij nader inzien niet zou komen opdagen op de afgesproken openbare plaats voor de transactie (de hal van een station), vals geld bij zich zou blijken te hebben (dat werd immers bij het postkantoor in het station geverifieerd) danwel om hem moverende redenen zou afzien van de koop, dan zou verdachte met zijn beamers blijven zitten. Dat deze mogelijk niet louter academisch is, blijkt reeds daaruit doordat de getuige [getuige] "afhaakte" na verkrijging van argwaan toen het logo van de Universiteit Twente in beeld kwam bij de demonstratie van de werking van het apparaat in een hotellobby.

De politierechter heeft vervolgens nog overwogen of verdachte misschien toch slechts een stroman met de rol van verkoper en afleveraar zou zijn voor een ander, bijvoorbeeld de werkelijke dief. Die mogelijkheid heeft de politierechter verworpen. Niet alleen de zeer korte tijd tussen verdwijning uit Enschede van de tweede beamer en het opduiken ervan bij verdachte leidt tot die conclusie. Verdachte heeft immers zelf getoond niet alleen van de verkoop op internet veel te weten maar ook van het product "beamer" zelf van de bijzondere lenzen en van de prijzen van beamers. Hij heeft om kennis te vergaren onder valse naam ook de leverancier en derden benaderd. Hij bepaalde zelf de verkoopprijzen. Niet blijkt van enig contact tussen hem en derden rond de diefstal of de verkoop. Het is weinig voor de hand liggend dat iemand die reeds verstand heeft van een bijzonder product in de dagen rond de diefstal, de stroman is van iemand anders die zelf ook in staat is, zoals is gebleken, bijzondere producten weg te nemen inclusief, zoals uit de aangifte van 22 januari 2001 blijkt, de juiste (van drie) afstandsbediening. Juist de combinatie van het kennelijk tevoren en kort nadien vergaren van expertise omtrent het bijzondere product, het herhaald en anoniem aanbieden ervan op het internet, het voeren van de onderhandelingen alsook het zelf afleveren van de beamers aan potentiële kopers, een en ander in anonimiteit van schuilnamen en valse namen op internet en in stationshallen en hotellobby's, maken het onwaarschijnlijk dat een ander dan verdachte in het geheel nog een rol van betekenis, die van de feitelijke dief, vervult.

Tenslotte doet afbreuk aan de geloofwaardigheid van verdachte dat hij, ondanks zijn expertise m.b.t. beamers, stelt dat de getuige [getuige] een bepaalde bijzondere "technische handeling" moet hebben verricht voordat het logo van de UT in beeld kwam bij de evenbedoelde demonstratie. De getuige verklaart daar anders over, evenals de aangever [aangever] in de aangifte en in de "goederenbijlage bij de aangifte", terwijl het bij aanzetten van het apparaat onvermijdelijk en dus zonder nadere "technische handelingen" verschijnen van het logo nu juist een effectief middel kan zijn tegen de heling van dergelijke kostbare apparaten en aldus, indirect, tegen de diefstal ervan.

De kennelijk leugenachtige verklaringen van verdachte strekken mede tot het bewijs van het bewezenverklaarde. Het gebruik maken van valse namen en bijnamen en het kort opeenvolgend veranderen van schuilnaam (waardoor anonimiteit gegarandeerd wordt), het verkoopmedium (internet), de gekozen locaties voor ontmoeting met potentiële kopers en de afhandeling van de transactie (een grote stationshal) en de demonstratie van de koopwaar (een hotellobby), in het licht van de verkoopprijs en de werkelijke waarde van de beamers, draagt verder bij aan bewijs van het feit dat verdachte zich welbewust was van het feit dat hij zich bezig hield met serieuze misdaad met betrekking waartoe zijn ontmaskering voorkomen moest worden.

De politierechter acht niet bewezen hetgeen verdachte sub 1 primair en sub 2 primair meer of anders is tenlastegelegd, zodat hij daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Het bewezene levert op:

voor wat betreft sub 1 primair het misdrijf:

"Diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak",

strafbaar gesteld bij art. 311 jo. art. 310 Wetboek van Strafrecht,

en voor wat betreft sub 2 primair het misdrijf:

"Diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak",

strafbaar gesteld bij art. 311 jo. artikel 310Wetboek van Strafrecht;

De verdachte is deswege strafbaar aangezien van geen zijn strafbaarheid uitsluitende omstandigheid is gebleken.

De politierechter overweegt voor wat de straf betreft, dat op grond van de aard van de feiten, de omstandigheden waaronder dit is deze zijn gepleegd en de persoon van verdachte, zoals één en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, aan verdachte de straf behoort te worden opgelegd, zoals hierna zal worden bepaald, waarbij nog het volgende is overwogen:

Het dient verdachte ernstig te worden aangerekend dat hij zich binnen een periode van ruim een week heeft schuldig gemaakt aan de diefstal van een tweetal apparaten die een aanzienlijke waarde (in de orde van grootte van e 20.000 vertegenwoordigen. Hij is daarbij telkens geheel voorbij gegaan aan de financiële schade die hij door zijn toedoen bij de gedupeerde teweeg heeft gebracht en de schade die hij heeft toegebracht aan de beeldvorming rond (veilingsites op) het internet, waarvan hij de mogelijkheden heeft misbruikt. Verdachte heeft getracht zich met zijn tenminste ten dele kennelijk leugenachtige verklaringen aan de gevolgen van de ontdekking van zijn strafbare gedragingen te onttrekken. De feiten zijn niettemin toch opgehelderd en aan het handelen van verdachte is een einde gekomen, hetgeen in belangrijke mate is te danken aan een alerte getuige die niet alleen inzag dat het logo op de hem gedemonstreerde beamer "te denken gaf", maar daarop ook actie ondernam richting de gedupeerde en zelfs bereid was mee te helpen aan verdere oplossing van het misdrijf. Niettemin was nog een succesvolle actie van een pseudokoper, de bijzondere inzet van politiemensen, noodzakelijk om de aanhouding van verdachte te realiseren.

Op inbreuken van de rechtsorde zoals die van verdachte dient naar het oordeel van de politierechter in principe gereageerd te worden met een geheel onvoorwaardelijke vrijheidsstraf of taakstraf. Gelet op de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals gebleken uit het dossier en ter zitting en zoals ook uiteengezet door de officier van justitie, zou in casu een taakstraf in de zin van een werkstraf van 100 uur passend zijn geweest. De zaak is niet alleen voortvarend opgespoord maar ook voortvarend ter zitting aangebracht. Na de eerste zitting is echter onwenselijk veel tijd verstreken, meer dan een jaar, terwijl de reden van de aanhouding van het onderzoek ter zitting slechts was gelegen in de wens van de politierechter om een getuige/deskundige te horen. Nadat de tweede zitting plaatsvond, waar de getuige niet verscheen, is de zaak opnieuw aangehouden. De derde zitting kort erop, kon wegens afwezigheid van de getuige/deskundige niet werkelijk plaatsvinden. De politierechter heeft aangegeven aan de officier van justitie dat de zaak bij voorkeur nog in november 2002 weer geappointeerd zou moeten worden (er was voor deze zaak geen enkele beperking in het zittingsrooster, wat de politierechter betrof) en de politierechter heeft nadien per email de officier van justitie hieraan ook (naar bleek ten overvloede) herinnerd. Niettemin heeft het sinds de voorlaatste zitting weer ongeveer een half jaar geduurd voor de zaak ter zitting geappointeerd werd. Hoe begrijpelijk en te respecteren soms de prioriteitsstellingen en personeelsbezetting bij het parket ook zijn, voor deze zaak en het recht op een afhandeling ervan binnen een redelijke termijn moet de vertraging tot gevolg hebben dat de verdachte een korting op de straf toekomt van - naar het oordeel van de politierechter - 60%.

Dat de op te leggen straf daardoor nog steeds hoger is dan door de officier van justitie is gevorderd is gelegen in het feit dat de politierechter tot de bewezenverklaring van een zwaarder delict komt dan die waartoe de officier van justitie heeft geconcludeerd en doordat de politierechter van oordeel is dat een voorwaardelijke boete danwel een onvoorwaardelijke boete volstrekt geen recht doet aan het bewezenverklaarde feit, gelet op de ernst ervan, de waarde van de gestolen goederen en het raffinement waarmee het feit is gepleegd. Dat verdachte voor Verklaringen omtrent het gedrag relevante strafrechtelijke documentatie overhoudt aan de twee bewezen verklaarde delicten acht de politierechter niet anders dan passend.

De na te noemen straf is gegrond, behalve op voormelde artikelen, op de artikelen 22c, 22d, 27 en 57 Wetboek van Strafrecht.

R E C H T D O E N D E:

Verklaart bewezen, dat het sub 1 primair en sub 2 primair tenlastegelegde in voege als boven omschreven door verdachte is begaan;

Verstaat, dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals hierboven vermeld;

Verklaart verdachte deswege strafbaar;

Veroordeelt verdachte ter zake daarvan tot een taakstraf, te weten een werkstraf, zijnde het verrichten van onbetaalde arbeid voor de duur van 40 uren,

met bevel, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 20 dagen.

Bepaalt, dat bij de uitvoering van de werkstraf, voor de tijd door veroordeelde in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebracht (te weten 5 dagen), 10 uren in mindering worden gebracht, zodat 30 uren resteren, subsidiair 15 dagen vervangende hechtenis.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte sub 1 primair en sub 2 primair meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij;

Aldus gewezen door mr. Berg, politierechter, in tegenwoordigheid van Klaassen, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de politierechter in de rechtbank voornoemd, op 29 april 2003.