Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2003:AF6519

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
24-03-2003
Datum publicatie
28-03-2003
Zaaknummer
56865 KG ZA 03-73
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Kort Geding

zaaknummer: 56865 / KG ZA 03-73

datum uitspraak vonnis: 24 maart 2003 (jm)

Vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Almelo, rechtdoende in kort geding, in de zaak van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Tuinwacht BV,

statutair gevestigd te Vriezenveen, kantoorhoudende te 7561 RP, Deurningen, Deurningerstraat 54

eiseres in conventie, gedaagde in reconventie,

verder te noemen Tuinwacht,

procureur: mr. H. Dijks,

tegen

[Gedaagde],

h.o.d.n Groenwacht,

wonende te [Woonplaats en adres]

gedaagde in conventie, eiseres in reconventie,

verder te noemen [Gedaagde],

procureur: mr. G.H. Hoekman.

Het procesverloop

Eiseres in conventie, Tuinwacht, heeft het petitum van de dagvaarding aangevuld. Tuinwacht heeft gevorderd overeenkomstig de in deze zaak uitgebrachte dagvaarding met aanvulling. Ter zitting van 17 maart 2003 is haar vordering toegelicht door mr. Dijks, haar advocaat, waarbij deze pleitnotities heeft gehanteerd. Gedaagde in conventie, [Gedaagde], heeft de vordering bestreden bij monde van mr. Hoekman, die eveneens pleitnotities heeft gehanteerd, en een vordering in reconventie heeft ingesteld. Tegen deze vordering in reconventie heeft Tuinwacht verweer gevoerd. De originele dagvaarding is overgelegd en er is vonnis gevraagd.

De beoordeling van het geschil en de motivering van de beslissing

1. In deze zaak staat het navolgende vast. Eind 1998 is de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Tuinwacht B.V. opgericht. [Gedaagde] is bij Tuinwacht in dienst getreden in de functie van administratief medewerkster. [Gedaagde] is thans niet meer werkzaam voor Tuinwacht. Op 2 december 2002 is [Gedaagde] een eenmanszaak begonnen genaamd Groenwacht. Uit het uittreksel uit de Kamer van Koophandel blijkt dat de bedrijfsomschrijving van Groenwacht is: aanleg en onderhoud van groenvoorzieningen en bosbouw, hoveniersbedrijf, cultuurtechnischewerken en detailhandel in speeltoestellen.

2. Tuinwacht stelt dat [Gedaagde] naar haar toe onrechtmatig heeft gehandeld door tijdens dan wel na haar dienstverband bij Tuinwacht concrete aanbiedingen te doen aan klanten van Tuinwacht tegen aanzienlijk betere voorwaarden dan Tuinwacht hanteerde. Tevens zou [Gedaagde] volgens Tuinwacht enkele werknemers van Tuinwacht hebben aangespoord om voor haar te gaan werken. Daarnaast stelt Tuinwacht dat de handelsnaam Groenwacht in dermate geringe mate afwijkt van de handelsnaam Tuinwacht, dat in verband met overeenstemmende bedrijfsactiviteiten van Tuinwacht en Groenwacht verwarring bij het publiek te duchten is. Tuinwacht stelt dat ook gelet op de vestigingsplaats van Tuinwacht en Groenwacht verwarring bij het publiek te duchten is.

Tuinwacht stelt dat de verwarring mede te duchten is omdat de heer [Vader van Gedaagde], vader van [Gedaagde] en voorheen statutair directeur van Tuinwacht, werkzaamheden verricht voor Groenwacht. Tuinwacht heeft [Gedaagde] gesommeerd het gebruik van de handelsnaam te staken en te stoppen met het actief benaderen van klanten van Tuinwacht. [Gedaagde] heeft aan deze sommatie geen gehoor gegeven. Tuinwacht vordert dan ook thans [Gedaagde] te veroordelen het gebruik van de handelsnaam Groenwacht te staken en de handelsnaam te wijzigen. Tevens vordert Tuinwacht om gedaagde te veroordelen te stoppen met het actief benaderen van klanten van Tuinwacht en het benaderen van personeel van Tuinwacht met het doel hen te bewegen bij [Gedaagde] in dienst te treden.

3. [Gedaagde] betwist dat er verwarring bij het publiek te duchten valt door de hantering van de handelsnaam Groenwacht. [Gedaagde] stelt dat de geografische afstand tussen Tuinwacht en [Gedaagde] volstrekt irrelevant is nu de eenmanszaak van [Gedaagde] wordt gedreven vanuit haar woning en zij niet de beschikking heeft over een bedrijfspand. Verder stelt [Gedaagde] dat de bemoeienissen van de heer [Vader van Gedaagde] zijn te verwaarlozen nu de heer [Vader van Gedaagde], voornoemd, na zijn ontslag bij Tuinwacht, enkel geprobeerd heeft haar enigszins behulpzaam te zijn bij het opzetten van haar eenmanszaak. [Gedaagde] stelt verder dat de naam Groenwacht niet gedeponeerd is of op andere wijze is beschermd. [Gedaagde] is van mening dat de naam Groenwacht zodanig afwijkt van de naam Tuinwacht dat ook op die grond geen verwarring te duchten valt bij het publiek. Ook de Kamer van Koophandel zou geen aanleiding hebben gezien om de inschrijving van de naam Groenwacht in het register te weigeren. [Gedaagde] stelt zich op een heel ander segment van de markt te richten. Wat betreft het onrechtmatig handelen van [Gedaagde] is [Gedaagde] van mening dat zij geen klanten heeft benaderd waarmee Tuinwacht een overeenkomst heeft voor onderhoud. [Gedaagde] stelt dat de vordering van Tuinwacht te vaag is nu niet voldoende is bepaald wie de klanten van Tuinwacht zijn. Wat betreft het ronselen van werknemers stelt [Gedaagde] dat de personeelsleden uit eigener beweging ontslag hebben genomen bij Tuinwacht. [Gedaagde] heeft nooit mensen bewogen bij haar in dienst te treden.

4. [Gedaagde] heeft een vordering in reconventie ingediend. [Gedaagde] stelt dat Tuinwacht schuldig is aan het doen van onrechtmatige uitlatingen jegens [Gedaagde]. [Gedaagde] vordert dan ook Tuinwacht te veroordelen zich te onthouden van onrechtmatig handelen c.q. het doen van onrechtmatige uitlatingen tegen of over [Gedaagde].

5. Ingevolge artikel 1 Handelsnaamwet (Hnw) is een handelsnaam een naam waaronder een onderneming wordt gedreven. Aanspraken op een handelsnaam ontstaan door het daadwerkelijk gebruik daarvan. Een handelsnaam is dus de naam waaronder men handelt, een naam die naar buiten toe wordt geafficheerd en in beginsel een andere naam kan zijn dan de eigennaam. Beslissend is dat de naam gebruikt is als aanduiding van de onderneming en dat kan gebeuren op briefpapier, facturen, verpakking, in reclame of als aanduiding op een gebouw. De schrijfwijze van een handelsnaam is in beginsel niet van belang, vormt geen onderdeel van de handelsnaam en is evenmin object van bescherming van de Hnw. Inschrijving in het handelsregister is voor het voeren van een handelsnaam niet essentieel en niet beslissend. Evenmin hoeft de handelsnaam te zijn gedeponeerd of op andere wijze te zijn beschermd.

6. Artikel 5 Hnw luidt: "Het is verboden een handelsnaam te voeren, die voordat de onderneming onder die naam werd gedreven reeds door een ander rechtmatig werd gevoerd, of die van diens handelsnaam slechts in geringe mate afwijkt, één en ander voor zover dientengevolge in verband met de aard der beide ondernemingen en de plaats waar zij gevestigd zijn bij het publiek verwarring tussen die ondernemingen te duchten is".

Het criterium van verwarringsgevaar bepaalt de beschermingsomvang van het recht op de handelsnaam op grond van de Hnw. De andere criteria die worden genoemd in artikel 5 Hnw (de geringe afwijking, de aard van beide ondernemingen en de vestigingsplaats) zijn niet limitatief en zijn in de praktijk niet meer dan factoren die in aanmerking moeten worden genomen bij het oordeel of al dan niet verwarring bij het publiek te duchten is; zij vormen hulpmiddelen om te beoordelen in hoeverre er sprake is van verwarringsgevaar.

Er is sprake van verwarringsgevaar als het publiek zal kunnen denken dat beide ondernemingen op enigerlei wijze met elkaar gelieerd zijn of als het publiek de beide ondernemingen met elkaar identificeert. Dit gevaar - niet nodig is dat daadwerkelijk verwarring wordt aangetoond - is essentieel voor het aannemen van onrechtmatigheid van de bestreden handelsnaam.

7. Als één der factoren die het verwarringsgevaar helpen bepalen noemt artikel 5 Hnw de aard van beide ondernemingen. Onweersproken is dat beide ondernemingen gelijke werkzaamheden verrichten voor klanten en zich hierbij richten op dezelfde doelgroep. Het enkele feit dat [Gedaagde] zich, naast de overeenstemmende werkzaamheden, ook bezig houdt met de detailhandel in speeltoestellen is niet voldoende om aan te nemen dat de aard van beide ondernemingen verschillend is.

Hiermee is echter nog niet de verwarring gegeven, immers een tweede factor is de geringe afwijking van de handelsnaam. Bij de beoordeling of de afwijking van de namen voldoende is om verwarring te voorkomen is, behalve de namen zelf, ook van belang het kenmerkende deel van beide namen, het hoofdbestanddeel, datgene wat het publiek in het geheugen blijft hangen, de naam waarmee het publiek de zaak pleegt aan te duiden.

8. Gezien de handelsnamen, de uitspraak van de handelsnamen en gelet op het in het geding gebrachte briefpapier van beide ondernemingen moet naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter "wacht" als het kenmerkende deel van beide namen worden aangemerkt. Het kenmerkende deel van de handelsnaam van beide ondernemingen is aldus identiek. Nu het kenmerkende deel van de handelsnaam van beide ondernemingen identiek is, is er naar het voorlopig oordeel van de president sprake van een geringe afwijking van de handelsnaam als bedoeld in voormeld artikel 5 Hnw. Dat de Kamer van Koophandel [Gedaagde] verzekerd zou hebben dat er geen gevaar voor verwarring te duchten is en het inschrijven van de handelsnaam om die reden niet heeft geweigerd is hierbij irrelevant. De Handelsregisterwet stelt immers totaal geen vereisten of regels voor inschrijving van een handelsnaam.

9. Bij de beoordeling van het gevaar voor verwarring moet ook rekening worden gehouden met de plaats van vestiging van beide ondernemingen en met de werkingssfeer van beide ondernemingen. [Gedaagde] is gevestigd te Vroomshoop. Uit haar briefpapier blijkt dat zij ook een filiaal heeft in Hengelo. Tuinwacht is gevestigd te Vriezenveen, doch houdt kantoor te Deurningen. Onweersproken is dat Tuinwacht en [Gedaagde] klanten werven en werkzaamheden verrichten in hetzelfde gebied. Daarnaast is de geografische afstand tussen de vestigingsplaatsen (kantoorplaats/ filiaalplaats) gering.

10. Gelet op wat hiervoor is overwogen is de voorzieningenrechter van oordeel dat de handelsnaam van [Gedaagde] dermate gering afwijkt van de handelsnaam van Tuinwacht dat mede gelet op de aard van beide ondernemingen en de plaats waar zij gevestigd zijn, bij het publiek verwarring tussen de ondernemingen te duchten is. Hierbij speelt ook een rol dat [Vader van Gedaagde], voorheen werkzaam als statutair directeur bij Tuinwacht, thans werkzaamheden verricht voor Groenwacht, wat in combinatie met het bovenstaande de verwarring tussen de ondernemingen vergroot. De vordering van Tuinwacht dient derhalve te worden toegewezen.

11. Dat de naam Groenwacht zodanig gewijzigd dient te worden dat geen sprake meer is van geringe mate van afwijking van de naam Tuinwacht is evident. Dit deel van de vordering zal dan ook worden afgewezen. Het staken en gestaakt houden van het gebruik van de handelsnaam Groenwacht houdt tevens in dat [Gedaagde] naar buiten toe geen briefpapier en promotiemateriaal waarop de handelsnaam Groenwacht voorkomt gebruikt. Vernietiging hiervan is overbodig. Het in de dagvaarding onder drie gevorderde zal dan ook worden afgewezen.

12. Wat betreft het onrechtmatig benaderen van klanten van Tuinwacht oordeelt de voorzieningenrechter als volgt. Als productie is door Tuinwacht onder andere overgelegd een brief van Groenwacht aan de heer [Partij 1], waaruit blijkt dat Groenwacht de heer [Partij 1] een aanbod doet. De brief is ondertekend door [Vader van Gedaagde], voornoemd. Ter zitting is als productie de reactie van de heer [Partij 1] op de brief van Groenwacht overgelegd. Uit deze reactie blijkt dat [Partij 1] een klant is van Tuinwacht en absoluut geen prijs stelt op de aanbieding van Groenwacht. Ter zitting heeft [Gedaagde] verklaard dat de heer [Partij 1] een oude relatie is van haar vader en dat haar vader om die reden de heer [Partij 1] heeft benaderd.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat voldoende aannemelijk is dat Groenwacht ook andere klanten van Tuinwacht heeft benaderd en hen een aanbod heeft gedaan. Dat [Gedaagde] niet weet wie de klanten van Tuinwacht zijn wordt niet aannemelijk geacht. Zowel [Gedaagde] als de thans bij haar werkzame [Vader van Gedaagde] zijn immers werkzaam geweest bij Tuinwacht en worden aldus geacht bekend te zijn met het klantenbestand van Tuinwacht. Tevens wordt aannemelijk geacht dat [Gedaagde] in de hierboven bedoelde aanbiedingen aan klanten een lager bedrag heeft aangeboden voor het verrichten van haar werkzaamheden dan de bedragen die door Tuinwacht bij klanten worden gehanteerd. [Gedaagde] kon immers handelen met specifieke kennis en wetenschap van de prijzen en werkwijze van Tuinwacht. [Gedaagde] is niet gehouden aan een concurrentie beding. Echter [Gedaagde] dient bij haar handelen wel de grenzen van het betamelijke in acht te nemen voor wat betreft het benaderen van klanten van Tuinwacht. De voorzieningenrechter is dan ook van oordeel dat de vordering van Tuinwacht dient te worden toegewezen. Het door mr. Hoekman besproken fraudeverhaal is in deze procedure niet aan de orde en wordt hierbij dan ook buiten beschouwing gelaten.

13. Uit de door Tuinwacht overgelegde producties 6, 7 en 8 blijkt dat meerdere werknemers van Tuinwacht hun dienstverband met Tuinwacht hebben beëindigd en een dienstverband met Groenwacht zijn aangegaan. Niet gebleken is dat deze werknemers hun dienstverband met Tuinwacht hebben beëindigd omdat zij door [Gedaagde] zijn benaderd. Het staat werknemers nu een keer vrij om hun dienstverband te beëindigen en elders een dienstverband aan te gaan. De voorzieningenrechter ziet dan ook geen aanleiding het in de aanvullende dagvaarding onder 5 gevorderde toe te wijzen.

14. Wat betreft de reconventionele vordering is de voorzieningenrechter van oordeel dat deze dient te worden afgewezen. In kort geding is onvoldoende aangetoond en gebleken dat Tuinwacht zodanig onrechtmatig heeft gehandeld jegens [Gedaagde] dat dit tot toewijzing van de vordering dient te leiden.

15. Als de in het ongelijk gestelde partij in conventie en reconventie zal [Gedaagde] worden veroordeeld in de kosten van deze procedure.

De beslissing in conventie

I. Veroordeelt [Gedaagde] tot onmiddellijke staking en het gestaakt houden van het gebruik van de handelsnaam Groenwacht, waaronder de verspreiding van mailings onder de naam Groenwacht, en tot onmiddellijke intrekking van alle eventueel lopende reclame- opdrachten, op straffe van een aan eisers te verbeuren dwangsom van e 2500,00 per dag voor elke dag dan wel gedeelte van een dag, dat [Gedaagde] na betekening van dit vonnis in gebreke blijft aan de veroordeling te voldoen.

II. Veroordeelt [Gedaagde] om tot onmiddellijke wijziging van de handelsnaam Groenwacht in het handelsregister van de Kamer van Koophandel over te gaan, onder gelijktijdige veroordeling aan Tuinwacht een kopie van het schriftelijk verzoek tot wijziging van de handelsnaam in het handelsregister toe te zenden, alsmede dadelijk een uittreksel uit het handelsregister waaruit de wijziging van de handelsnaam blijkt, op straffe van een aan Tuinwacht te verbeuren dwangsom van e 2500,00 voor elke dag dan wel gedeelte van een dag, dat gedaagde na betekening van dit vonnis in gebreke blijft aan de veroordeling te voldoen.

III Veroordeelt [Gedaagde] tot het onmiddellijk staken en gestaakt houden van het op enigerlei wijze direct dan wel indirect benaderen c.q. doen benaderen van klanten van Tuinwacht met het doel om van die klanten opdracht te krijgen tot het verrichten van (groot) groenonderhoud, casu quo tuinaanleg, onderhoud, sierbestrating, bosbouw dan wel cultuurtechnische werken, dan wel enige andere werkzaamheden zoals die door Tuinwacht worden verricht, op straffe van een aan Tuinwacht te verbeuren dwangsom van e 2500,00 voor elke dag, dan wel gedeelte van een dag, dat gedaagde na betekening van dit vonnis in gebreke blijft aan de veroordeling te voldoen.

IV. Veroordeelt [Gedaagde] in de kosten van dit geding, tot op deze uitspraak aan de zijde van Tuinwacht begroot op EUR 273,20 aan verschotten en EUR 703,00 aan salaris van de procureur.

V. Verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

VI. Wijst af het meer of anders gevorderde.

De beslissing in reconventie:

I. Wijst de vordering af.

II. Veroordeelt [Gedaagde] in de kosten van dit geding, tot op deze uitspraak aan de zijde van Tuinwacht begroot op EUR 227,00 aan salaris van de procureur.

Dit vonnis is gewezen te Almelo door Inden, voorzieningenrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 24 maart 2003, in tegenwoordigheid van de griffier.