Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2003:AF4240

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
07-02-2003
Datum publicatie
01-05-2003
Zaaknummer
02/679 GEMWT AG1 A
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Ruimtelijke ordening 2003/3169

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Sector Bestuursrecht - Enkelvoudige Kamer

Registratienummer: 02/679 GEMWT AG1 A

UITSPRAAK

in het geschil tussen:

[eiser] e.a., wonende te [woonplaats], eisers,

gemachtigde: mr. J.C. van Nie, advocaat en procureur te Almelo,

en

het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Hof van Twente, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder d.d. 2 juli 2002 (verzonden 4 juli 2002).

2. De feiten en het verloop van de procedure

Op 28 november 2001 hebben eisers aan verweerder verzocht om binnen een periode van vier weken, doch in ieder geval vóór 1 januari 2002, handhavend op te treden tegen de Stichting Paardensportcentrum De Hoffmeijer te Ambt Delden (hierna te noemen: De Hoffmeijer). Het handhavingverzoek houdt in een verzoek aan verweerder om erop toe te zien dat een door De Hoffmeijer zonder vergunning(en) aangelegde buitenbak voor paarden weer wordt teruggeplaatst naar de oorspronkelijke locatie. Daarnaast wijzen eisers erop dat er voor de bij de buitenbak geplaatste lichtmasten geen bouwvergunning is aangevraagd. Eisers stellen hinder van de betreffende buitenbak te ondervinden, welke samenhangt met het gebruik ervan. Deze hinder bestaat uit geluids- en lichtoverlast, met name in de avonduren en in de weekends.

Eisers hebben op 12 februari 2002 een bezwaarschrift ingediend tegen het uitblijven van een beslissing op hun handhavingsverzoek van 28 november 2001.

Bij verzoekschrift van diezelfde datum is namens eisers aan de voorzieningenrechter van de rechtbank verzocht om verweerder bij wijze van voorlopige voorziening te gelaten binnen een in goede justitie te bepalen termijn handhavingsmaatregelen jegens De Hoffmeijer te nemen.

De voorzieningenrechter heeft op 28 februari 2002 mondeling uitspraak gedaan en heeft daarbij bepaald dat verweerder alsnog binnen twee weken na dagtekening van de uitspraak een beslissing dient te nemen en bekend te maken op het handhavingsverzoek van eisers van 28 november 2001

Bij besluit van 28 februari 2002, verzonden 7 maart 2002, heeft verweerder aan eisers laten weten niet handhavend tegen De Hoffmeijer te kunnen en zullen optreden, wat betreft de buitenbak omdat daar volgens verweerder geen bouwvergunning voor nodig is en voor zover het om de lichtmasten gaat omdat de plaatsing ervan alsnog kan worden gelegaliseerd door het verlenen van een bouwvergunning.

Verweerder heeft het bezwaarschrift van eisers van 12 februari 2002 met toepassing van artikel 6:20, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) aangemerkt als mede te zijn gericht tegen het besluit van 28 februari 2002.

Op 5 april 2002 heeft verweerder aan De Hoffmeijer een bouwvergunning verleend voor het plaatsen van lichtmasten op het perceel De Hoffmeijerweg 10 te Ambt Delden.

Het namens eisers tegen deze bouwvergunning ingediende bezwaarschrift is door verweerder bij besluit van 2 juli 2002 ongegrond verklaard. Tegen dit besluit is geen beroep ingesteld, zodat de daarbij gehandhaafde bouwvergunning voor het plaatsen van lichtmasten rechtens onaantastbaar is geworden.

Eisers zijn op 22 april 2002 omtrent hun bezwaren gehoord door de Commissie voor bezwaar- en beroepschriften van de gemeente Hof van Twente (hierna: de bezwarencommissie). De bezwarencommissie heeft op 22 april 2002 aan verweerder geadviseerd het bezwaarschrift van eisers ongegrond te verklaren.

Bij het bestreden besluit van 2 juli 2002 heeft verweerder overeenkomstig het advies van de bezwarencommissie besloten de bezwaren van eisers ongegrond te verklaren.

Blijkens het namens hen ingediende beroepschrift kunnen eisers zich niet met het besluit van verweerder verenigen.

Verweerder heeft op 24 oktober 2002 een verweerschrift ingediend.

Het beroep is behandeld ter openbare zitting van de rechtbank gehouden op 3 februari 2003, alwaar eisers [5 eisers]in persoon zijn verschenen, bijgestaan door mr. J.C. van Nie, voornoemd, terwijl verweerder zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. S. Boonstra, ambtenaar van de gemeente Hof van Twente. Bij gelegenheid van die zitting zijn tevens twee bestuursleden van De Hoffmeijer verschenen. Hoewel De Hoffmeijer niet als partij deelneemt aan deze procedure zijn de verschenen bestuursleden in gelegenheid gesteld opmerkingen te maken.

3. Overwegingen

In geschil is de vraag of het besluit van verweerder van 2 juli 2002, waarbij de bezwaren van eisers tegen de weigering van verweerder om handhavend op te treden tegen De Hoffmeijer ongegrond zijn verklaard, in rechte in stand kan blijven.

Dienaangaande overweegt de rechtbank het volgende.

In artikel 40, eerste lid, van de Woningwet wordt bepaald dat het verboden is te bouwen zonder of in afwijking van een door burgemeester en wethouders te verlenen bouwvergunning.

Ingevolge artikel 125, eerste lid, van de Gemeentewet is het gemeentebestuur bevoegd tot toepassing van bestuursdwang.

In artikel 5:21 van de Awb wordt onder bestuursdwang verstaan: het door feitelijk handelen door of vanwege een bestuursorgaan optreden tegen hetgeen in strijd met bij of krachtens enig wettelijk voorschrift gestelde verplichtingen is of wordt gedaan, gehouden of nagelaten.

Volledigheidshalve merkt de rechtbank op dat, nu op 5 april 2002 alsnog een bouwvergunning voor het plaatsen van lichtmasten is verleend, welke inmiddels rechtens onaantastbaar is geworden, het bestreden besluit alleen nog ziet op de weigering verweerder om handhavend op te treden tegen de door De Hoffmeijer gerealiseerde buitenbak.

Daarbij spitst het geding zich met name toe op de vraag of de betreffende buitenbak moet worden aangemerkt als een bouwwerk waarvoor een bouwvergunning als bedoeld in artikel 40, eerste lid, van de Woningwet vereist is.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat de betreffende buitenbak niet kan worden aangemerkt als een bouwwerk. Daartoe heeft verweerder overwogen dat, om te kunnen spreken van een bouwwerk, volgens vaste jurisprudentie moet zijn voldaan aan vier criteria, te weten:

a. het dient van enige omvang te zijn; en

b. het moet bestaan uit een technische- en bouwkundige constructie; en

c. het moet driedimensionaal zijn (hoogte, lengte en breedte); en

d. het moet een plaatsgebonden karakter hebben.

Volgens verweerder voldoet de buitenbak niet aan het gestelde onder b. zolang de palen waarmee de buitenbak is afgezet niet zijn verbonden met planken, doch met een (rubberen) lint. Overigens is het betreffende lint op dit moment nog niet aangebracht. Verweerder heeft De Hoffmeijer er in het bestreden besluit ook op gewezen dat alsnog een bouwvergunning dient te worden aangevraagd indien de palen met planken zouden worden verbonden. De Hoffmeijer heeft bij brief van 10 september 2002 aan verweerder meegedeeld dat de half in de grond geplaatste planken die zich thans rond de buitenbak bevinden, niet constructie met de palen verbonden zijn en dat alleen een rubberen lint om de palen zal worden aangebracht.

Eisers kunnen zich niet met deze zienswijze van verweerder verenigen. Naar hun mening dient de buitenbak wel degelijk te worden aangemerkt als een vergunningplichtig bouwwerk, ook indien sprake zou zijn van een verbinding tussen de verticale palen met rubberen banden. Eisers stellen dat sprake is van een zeer volumineus bouwwerk, te weten een buitenbak met een oppervlakte van 2.250 m2. Zij wijzen erop dat de buitenbak bestaat uit een bepaald soort ondergrond, waarvoor de grond tot een diepte van meer dan een halve meter is afgegraven en later met deze bodembedekking is opgevuld. Tevens is een beregeningsinstallatie aangelegd, waarvoor enig leidingwerk aanwezig is. Voorts is volgens eisers op bodemhoogte wel degelijk sprake van een horizontaal aantal planken dat dient ter afscheiding van de grond van de buitenbak met die van de omgeving en dat er vermoedelijk ook toe dient te voorkomen dat de paarden per ongeluk met hun hoeven tegen de verticale planken slaan. De betreffende horizontale planken zijn zeer deugdelijk aan de palen bevestigd, aldus eisers.

Voor zover eisers in beroep hebben doen stellen dat de onderhavige buitenbak moet worden aangemerkt als een bouwwerk overweegt de rechtbank het volgende. De Woningwet bevat geen definitie van het begrip bouwwerk. Uit de geschiedenis van haar totstandkoming blijkt dat de wetgever er van is uitgegaan dat het spraakgebruik richtinggevend zou moeten zijn. In dit verband kan als richtsnoer dienen de in de bouwverordening gegeven definitie van het begrip bouwwerk, te weten elke constructie van enige omvang van hout, steen of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond. In de begripsbepalingen van artikel 1 van het vigerende bestemmingsplan Buitengebied van de voormalige gemeente Ambt Delden is een overeenkomstige definitie van het begrip bouwwerk opgenomen.

Gezien deze omschrijving dient naar het oordeel van de rechtbank de onderhavige buitenbak tezamen met de afrastering, het beregeningssysteem en de lichtmasten (waarvoor reeds een afzonderlijke bouwvergunning is verleend) te worden aangemerkt als een bouwwerk.

Anders dan verweerder is de rechtbank van oordeel dat het feit dat de palen van de afrastering niet zijn of zullen worden verbonden middels houten planken, doch door (rubberen) linten, niet afdoet aan het feit dat sprake is van een constructieve eenheid. Overigens blijkt uit de door eisers overgelegde foto’s dat de palen op bodemhoogte wel degelijk zijn verbonden door gedeeltelijk ingegraven houten planken die, althans op dat moment (medio 2002), met metalen bouten aan de palen waren bevestigd. Weliswaar is door verweerders gemachtigde verklaard dat de betreffende metalen bouten inmiddels -al dan niet tijdelijk- zijn verwijderd, doch de rechtbank acht aannemelijk dat het constructietechnisch gezien wenselijk is dat de betreffende planken verankerd zijn aan de palen en gaat ervan uit dat de bouten op eenvoudige wijze weer aan te brengen zijn.

Nu niet is gesteld of gebleken dat de buitenbak in combinatie met de afrastering, de beregeningsinstallatie en de lichtmasten moet worden aangemerkt als een meldingplichtig bouwwerk als bedoeld in artikel 42 van de Woningwet, dan wel als een vergunningvrij bouwwerk in de zin van artikel 43 van de Woningwet, is daarvoor een bouwvergunning nodig.

Vast staat dat voor de buitenbak, in combinatie met het beregeningssysteem en de afrastering, geen bouwvergunning is verleend. Verweerder heeft zich daarom ten onrechte primair op het standpunt gesteld dat hij niet bevoegd was tot het toepassen van bestuursdwang omdat voor de buitenbak geen bouwvergunning vereist is.

Met betrekking tot de stelling van verweerder dat, ook indien de afrastering wèl als een bouwwerk zou moeten worden aangemerkt, daartegen niet handhavend kan worden opgetreden omdat het bouwwerk past binnen het bestemmingsplan Buitengebied en daarom alsnog kan worden gelegaliseerd indien De Hoffmeijer een bouwvergunning zou aanvragen, overweegt de rechtbank het volgende.

Vooropgesteld moet worden dat in het algemeen niet van burgemeester en wethouders kan worden gevergd dat zij met toepassing van bestuursdwang een eind maken aan met een bestemmingsplan strijdige activiteiten indien het in de bedoeling van het gemeentebestuur ligt deze te legaliseren, dat streven niet bij voorbaat kansloos is te achten en daaraan naar redelijke verwachting binnen afzienbare tijd ook gestalte kan worden gegeven.

Ingevolge de voorschriften behorende bij het bestemmingsplan “Buitengebied Ambt Delden” geldt voor de grond waarop de buitenbak is gerealiseerd de bestemming “actieve recreatie paardensport (P2)”.

In artikel 8, eerste lid, sub a, van de planvoorschriften is –voor zover hier van belang - bepaald dat de gronden in de bestemmingscategorie “actieve recreatie” bestemd voor de actieve binnen en/of buitensportbeoefening in de subcategorieën (…..) P1 en P2 (paardensport) (…….) een en ander met bijbehorende verhardingen, parkeerterreinen, buitenaccommodaties en groenvoorzieningen ten behoeve van de landschappelijke inpassing.

Gelet op deze bepaling is de rechtbank met verweerder van oordeel dat het gebruik van de buitenbak niet in strijd is met deze bestemming.

Voorts is in artikel 8, tweede lid, sub a, onder c, van de planvoorschriften is met betrekking tot de bouwmogelijkheden bepaald dat voor wat betreft de bestemmingscategorie “actieve recreatie”, subcategorie P2 (paardensport) is toegestaan:

- manegegebouwen, kantine, stallen, bergingen en juryruimten, uitsluitend binnen het bebouwingsvlak, met een totale maximale bebouwde oppervlakte van 6000 m2, een maximale hoogte van 8 m en een maximale goothoogte van 5 m; en

- bouwwerken, geen gebouw zijnde, zoals terreinomheiningen, met een maximale hoogte van 2 m, met dien verstande dat lichtmasten zijn toegestaan tot een hoogte van 15 m.

Gelet op het vorenstaande behoeft de buitenbak, een bouwwerk geen gebouw zijnde, niet binnen het bouwblok te worden aangelegd. De buitenbak blijft voorts, gelet op de hoogte van de afrastering, binnen de maximaal toegestane hoogte van 2 m voor terreinomheiningen. Ook de reeds vergunde lichtmasten blijven wat betreft de hoogte (ca. 9 m) binnen de maximaal toegestane hoogte van 15 m die op grond van de planvoorschriften is toegestaan voor lichtmasten. Met betrekking tot de oppervlakte van bouwwerken, geen gebouw zijnde, kent het bestemmingsplan geen voorschriften. Derhalve is de buitenbak niet in strijd met het bestemmingsplan. Nu niet is gesteld of gebleken dat de buitenbak overigens niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 44 van de Woningwet, zal een bouwvergunning door verweerder niet kunnen worden geweigerd. Legalisatie van de buitenbak middels het alsnog verlenen van een bouwvergunning is dan ook in beginsel mogelijk en kan binnen afzienbare tijd worden gerealiseerd. Verweerder heeft daarom op goede gronden kunnen besluiten af te zien van handhaving.

Op grond van het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit in rechte in stand kan worden gelaten. Voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb bestaat geen aanleiding.

Beslist wordt derhalve als volgt:

4. Beslissing

De Rechtbank Almelo,

Recht doende:

verklaart het beroep ongegrond.

Tegen deze uitspraak staat binnen zes weken na verzending hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State te Den Haag.

Gewezen en in het openbaar uitgesproken op 7 februari 2003 door mr. M.L.J. Koopmans, in tegenwoordigheid van G. Kootstra, griffier.

Afschrift verzonden op

AW