Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2003:AF2719

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
07-01-2003
Datum publicatie
08-01-2003
Zaaknummer
08/010725-02, 08/010684-02, 08/010656-02, 08/015860-02, 08/004684-02
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

STRAFVONNIS

(schriftelijk, verkort vonnis)

Parketnummers: 08/010725-02, 08/010684-02, 08/010656-02, 08/015860-02, 08/004684-02.

Uitspraak 7 januari 2003.

De politierechter in de Rechtbank te Almelo, rechtdoende in de zaak van de officier van justitie in het arrondissement Almelo tegen:

[Verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

wonende te [Woonplaats], aan de [Adres]

voorheen zonder vaste woon- of verblijfplaats althans

wonende te [vorige verblijfplaats]

thans verblijvende in het Huis van Bewaring De Blokhuispoort

te Leeuwarden

terechtstaande terzake dat:

onder parketnummer 08/010725-02:

hij op of omstreeks 6 december 2002, in de gemeente Enschede,

met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in of uit een winkel heeft weggenomen een blikje bier, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan de Aldi, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

onder parketnummer 08/010684-02

hij op 25 mei 2002, in de gemeente Enschede, opzettelijk niet heeft voldaan aan een krachtens artikel 2.5.25 van de APV Enschede, artikel 10.1 van de Algemene Wet Bestuursrecht en de artikelen 2 juncto 12 van de Politiewet 1993 gegeven bevel, in elk geval een krachtens een wettelijk voorschrift gegeven bevel, inhoudende - zakelijk weergegeven -: zich te verwijderen uit het door de Burgemeester van Enschede aangewezen gebied, dat bestaat uit alle openbare wegen en plaatsen, in het gebied dat wordt omsloten door: het Stationsplein (inclusief het stationsgebouw en de perrons), de Parallelweg, de Oldenzaalsestraat, de Boulevard 1945, de Beltstraat, de Nijverheidstraat, de M.H. Tromplaan, en de De Ruyterlaan, de betreffende

straten en pleinen van gevel tot gevel daarbij inbegrepen, uitgezonderd de

Oldenzaalsestraat en de Nijverheidstraat (alleen inbegrepen het trottoir aan de centrumzijde), alsmede het gebied bestaand uit De Klomp, de Lipperkerkstraat tot aan de C.J. Snuifstraat en het op de Lipperkerkstraat aansluitende gedeelte van het Gronausevoetpad tot aan de Pelmolenstraat, van gevel tot gevel en inclusief het pleintje op de hoek Lipperkerkstraat/Gronausevoetpad, en zich gedurende veertien dagen, met ingang van 22 mei 2002 te 9.00 uur niet in dit gebied op te houden, welk bevel op 22 mei 2002 was gegeven door de burgemeester van Enschede, zijnde een ambtenaar met de uitoefening van het toezicht op de handhaving van de openbare orde, in elk geval met enig toezicht belast immers bevond hij, verdachte, zich op 25 mei 2002 te Enschede, te omstreeks 19.30 uur, op de openbare weg, de Noorderhagen, in elk geval op een openbare weg, welke deel uitmaakt van bovenomschreven gebied, zulks terwijl bovenvermeld bevel aan hem, verdachte, was gegeven;

onder parketnummer 08/010656-02

hij op 24 augustus 2002 in de gemeente Enschede, opzettelijk niet heeft voldaan aan een krachtens artikel 2.5.25 van de APV Enschede, artikel 10.1 van de Algemene Wet Bestuursrecht en de artikelen 2 juncto 12 van de Politiewet 1993 gegeven bevel, in elk geval een krachtens een wettelijk voorschrift gegeven bevel, inhoudende - zakelijk weergegeven -: zich te verwijderen uit het door de Burgemeester van Enschede aangewezen gebied, dat bestaat uit alle openbare wegen en plaatsen, in het gebied dat wordt omsloten door: het Stationsplein (inclusief het stationsgebouw en de perrons), de Parallelweg, de Oldenzaalsestraat, de Boulevard 1945, de Beltstraat, de Nijverheidstraat, de M.H. Tromplaan, en de De Ruyterlaan, de betreffende

straten en pleinen van gevel tot gevel daarbij inbegrepen, uitgezonderd de

Oldenzaalsestraat en de Nijverheidstraat (alleen inbegrepen het trottoir aan de centrumzijde), alsmede het gebied bestaand uit De Klomp, de Lipperkerkstraat tot aan de C.J. Snuifstraat en het op de Lipperkerkstraat aansluitende gedeelte van het Gronausevoetpad tot aan de Pelmolenstraat, van gevel tot gevel en inclusief het pleintje op de hoek Lipperkerkstraat/Gronausevoetpad, en zich gedurende veertien dagen, met ingang van 23 augustus 2002 te 11.00 uur niet in dit gebied op te houden, welk bevel op 23 augustus 2002 was gegeven door de burgemeester van Enschede, zijnde een ambtenaar met de uitoefening van het toezicht op de handhaving van de openbare orde, in elk geval met enig toezicht belast immers bevond hij, verdachte, zich op 24 augustus 2002, te Enschede, te omstreeks 00.50 uur op de openbare weg, de Oude Markt, in elk geval op een openbare weg, welke deel uitmaakt van bovenomschreven gebied, zulks terwijl bovenvermeld bevel aan hem, verdachte, was gegeven;

onder parketnummer 08/015860-02

hij op 24 oktober 2002, in de gemeente Enschede, opzettelijk niet heeft voldaan aan een krachtens artikel 2.5.25 van de APV Enschede, artikel 10.1 van de Algemene Wet Bestuursrecht en de artikelen 2 juncto 12 van de Politiewet 1993 gegeven bevel, in elk geval een krachtens een wettelijk voorschrift gegeven bevel, inhoudende - zakelijk weergegeven -: zich te verwijderen uit het door de Burgemeester van Enschede aangewezen gebied, dat bestaat uit alle openbare wegen en plaatsen, in het gebied dat wordt omsloten door: het Stationsplein (inclusief het stationsgebouw en de perrons), de Parallelweg, de Oldenzaalsestraat, de Boulevard 1945, de Beltstraat, de Nijverheidstraat, de M.H. Tromplaan, en de De Ruyterlaan, de betreffende

straten en pleinen van gevel tot gevel daarbij inbegrepen, uitgezonderd de

Oldenzaalsestraat en de Nijverheidstraat (alleen inbegrepen het trottoir aan e centrumzijde), alsmede het gebied bestaand uit De Klomp, de Lipperkerkstraat tot aan de C.J. Snuifstraat en het op de Lipperkerkstraat aansluitende gedeelte van het Gronausevoetpad tot aan de Pelmolenstraat, van gevel tot gevel en inclusief het pleintje op de hoek Lipperkerkstraat/Gronausevoetpad, en zich gedurende veertien dagen, met ingang van 11 oktober 2002 niet in dit gebied op te houden, welk bevel op 11 oktober 2002 was gegeven door de burgemeester van Enschede, zijnde een ambtenaar met de uitoefening van het toezicht op de handhaving van de openbare orde, in elk geval met enig toezicht belast, en welk bevel door I.J.A. Derksen, brigadier bij het Regionale politiekorps Twente, op 15 oktober 2002 te Enschede, (omstreeks) 13:00 uur, aan hem, verdachte, was uitgereikt, immers bevond hij, verdachte, zich op 24 oktober 2002 te Enschede, omstreeks) 14:35 uur, op de openbare weg, het Stationsplein, in elk geval op een openbare weg, welke deel uitmaakt van bovenomschreven gebied, zulks terwijl bovenvermeld bevel aan hem, verdachte, was gegeven;

Onder parketnummer 08/004684-02

hij op 17 november 2002, in de gemeente Enschede, opzettelijk niet heeft voldaan aan een krachtens artikel 2.5.25 van de APV Enschede, artikel 10.1 van de Algemene Wet Bestuursrecht en de artikelen 2 juncto 12 van de Politiewet 1993 gegeven bevel, in elk geval een krachtens een wettelijk voorschrift gegeven bevel, inhoudende - zakelijk weergegeven -: zich te verwijderen uit het door de Burgemeester van Enschede aangewezen gebied, dat bestaat uit alle openbare wegen en plaatsen, in het gebied dat wordt omsloten door: het Stationsplein (inclusief het stationsgebouw en de perrons), de Parallelweg, de Oldenzaalsestraat, de Boulevard 1945, de Beltstraat, de Nijverheidstraat, de M.H. Tromplaan, en de De Ruyterlaan, de betreffende

straten en pleinen van gevel tot gevel daarbij inbegrepen, uitgezonderd de

Oldenzaalsestraat en de Nijverheidstraat (alleen inbegrepen het trottoir aan

de centrumzijde), alsmede het gebied bestaand uit De Klomp, de Lipperkerkstraat tot aan de C.J. Snuifstraat en het op de Lipperkerkstraat aansluitende gedeelte van het Gronausevoetpad tot aan de Pelmolenstraat, van gevel tot gevel en inclusief het pleintje op de hoek Lipperkerkstraat/Gronausevoetpad, en zich gedurende veertien dagen, met ingang van 14 november 2002 niet in dit gebied op te houden, welk bevel op 13 november 2002 was gegeven door de burgemeester van Enschede, zijnde een ambtenaar met de uitoefening van het toezicht op de handhaving van de openbare orde, in elk geval met enig toezicht belast, en welk bevel door M. Nijboer, brigadier bij het Regionale politiekorps Twente, op 15 november 2002 te Enschede, aan hem, verdachte, was uitgereikt, immers bevond hij, verdachte, zich op 17 november 2002 te Enschede, omstreeks 19.30 uur, op de openbare weg, het Stationsplein, in elk geval op een openbare weg, welke deel uitmaakt van bovenomschreven gebied, zulks terwijl bovenvermeld bevel aan hem, verdachte, was gegeven;

Gezien de stukken;

Gelet op het onderzoek ter terechtzitting;

Gehoord de vordering van de officier van justitie;

Gehoord de verdachte en zijn raadsvrouw;

Gelet op de volgende bewijsmiddelen

(uitwerken bij appel)

De politierechter acht op grond van de vorenstaande bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

onder parketnummer 08/010725-02:

op 6 december 2002, in de gemeente Enschede, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in een winkel heeft weggenomen een blikje bier, toebehorende aan de Aldi;

onder parketnummer 08/010684-02

op 25 mei 2002, in de gemeente Enschede, opzettelijk niet heeft voldaan aan een krachtens artikel 2.5.25 van de APV Enschede gegeven bevel, inhoudende - zakelijk weergegeven -: zich te verwijderen uit het door de Burgemeester van Enschede aangewezen gebied, dat bestaat uit alle openbare wegen en plaatsen, in het gebied dat wordt omsloten door: het Stationsplein (inclusief het stationsgebouw en de perrons), de Parallelweg, de Oldenzaalsestraat, de Boulevard 1945, de Beltstraat, de Nijverheidstraat, de M.H. Tromplaan, en de De Ruyterlaan, de betreffende

straten en pleinen van gevel tot gevel daarbij inbegrepen, uitgezonderd de

Oldenzaalsestraat en de Nijverheidstraat (alleen inbegrepen het trottoir aan de centrumzijde), alsmede het gebied bestaand uit De Klomp, de Lipperkerkstraat tot aan de C.J. Snuifstraat en het op de Lipperkerkstraat aansluitende gedeelte van het Gronausevoetpad tot aan de Pelmolenstraat, van gevel tot gevel en inclusief het pleintje op de hoek Lipperkerkstraat/Gronausevoetpad, en zich gedurende veertien dagen, met ingang van 22 mei 2002 te 9.00 uur niet in dit gebied op te houden, welk bevel op 22 mei 2002 was gegeven door de burgemeester van Enschede, zijnde een ambtenaar met enig toezicht belast immers bevond hij, verdachte, zich op 25 mei 2002 te Enschede, te omstreeks 19.30 uur, op een openbare weg welke deel uitmaakt van bovenomschreven gebied, zulks terwijl bovenvermeld bevel aan hem, verdachte, was gegeven;

onder parketnummer 08/010656-02

op 24 augustus 2002 in de gemeente Enschede, opzettelijk niet heeft voldaan aan een krachtens artikel 2.5.25 van de APV Enschede gegeven bevel, inhoudende - zakelijk weergegeven -: zich te verwijderen uit het door de Burgemeester van Enschede aangewezen gebied, dat bestaat uit alle openbare wegen en plaatsen, in het gebied dat wordt omsloten door: het Stationsplein (inclusief het stationsgebouw en de perrons), de Parallelweg, de Oldenzaalsestraat, de Boulevard 1945, de Beltstraat, de Nijverheidstraat, de M.H. Tromplaan, en de De Ruyterlaan, de betreffende

straten en pleinen van gevel tot gevel daarbij inbegrepen, uitgezonderd de

Oldenzaalsestraat en de Nijverheidstraat (alleen inbegrepen het trottoir aan de centrumzijde), alsmede het gebied bestaand uit De Klomp, de Lipperkerkstraat tot aan de C.J. Snuifstraat en het op de Lipperkerkstraat aansluitende gedeelte van het Gronausevoetpad tot aan de Pelmolenstraat, van gevel tot gevel en inclusief het pleintje op de hoek Lipperkerkstraat/Gronausevoetpad, en zich gedurende veertien dagen, met ingang van 23 augustus 2002 te 11.00 uur niet in dit gebied op te houden, welk bevel op 23 augustus 2002 was gegeven door de burgemeester van Enschede, zijnde een ambtenaar met enig toezicht belast immers bevond hij, verdachte, zich op 24 augustus 2002, te Enschede, te omstreeks 00.50 uur op de openbare weg, de Oude Markt, welke deel uitmaakt van bovenomschreven gebied, zulks terwijl bovenvermeld bevel aan hem, verdachte, was gegeven;

onder parketnummer 08/015860-02

op 24 oktober 2002, in de gemeente Enschede, opzettelijk niet heeft voldaan aan een krachtens artikel 2.5.25 van de APV Enschede gegeven bevel, inhoudende - zakelijk weergegeven -: zich te verwijderen uit het door de Burgemeester van Enschede aangewezen gebied, dat bestaat uit alle openbare wegen en plaatsen, in het gebied dat wordt omsloten door: het Stationsplein (inclusief het stationsgebouw en de perrons), de Parallelweg, de Oldenzaalsestraat, de Boulevard 1945, de Beltstraat, de Nijverheidstraat, de M.H. Tromplaan, en de De Ruyterlaan, de betreffende

straten en pleinen van gevel tot gevel daarbij inbegrepen, uitgezonderd de

Oldenzaalsestraat en de Nijverheidstraat (alleen inbegrepen het trottoir aan e centrumzijde), alsmede het gebied bestaand uit De Klomp, de Lipperkerkstraat tot aan de C.J. Snuifstraat en het op de Lipperkerkstraat aansluitende gedeelte van het Gronausevoetpad tot aan de Pelmolenstraat, van gevel tot gevel en inclusief het pleintje op de hoek Lipperkerkstraat/Gronausevoetpad, en zich gedurende veertien dagen, met ingang van 11 oktober 2002 niet in dit gebied op te houden, welk bevel op 11 oktober 2002 was gegeven door de burgemeester van Enschede, zijnde een ambtenaar met enig toezicht belast, en welk bevel door I.J.A. Derksen, brigadier bij het Regionale politiekorps Twente, op 15 oktober 2002 te Enschede, (omstreeks) 13:00 uur, aan hem, verdachte, was uitgereikt, immers bevond hij, verdachte, zich op 24 oktober 2002 te Enschede, omstreeks) 14:35 uur, op de openbare weg, het Stationsplein, in elk geval op een openbare weg, welke deel uitmaakt van bovenomschreven gebied, zulks terwijl bovenvermeld bevel aan hem, verdachte, was gegeven;

Onder parketnummer 08/004684-02

op 17 november 2002, in de gemeente Enschede, opzettelijk niet heeft voldaan aan een krachtens artikel 2.5.25 van de APV Enschede gegeven bevel, inhoudende - zakelijk weergegeven -: zich te verwijderen uit het door de Burgemeester van Enschede aangewezen gebied, dat bestaat uit alle openbare wegen en plaatsen, in het gebied dat wordt omsloten door: het Stationsplein (inclusief het stationsgebouw en de perrons), de Parallelweg, de Oldenzaalsestraat, de Boulevard 1945, de Beltstraat, de Nijverheidstraat, de M.H. Tromplaan, en de De Ruyterlaan, de betreffende

straten en pleinen van gevel tot gevel daarbij inbegrepen, uitgezonderd de

Oldenzaalsestraat en de Nijverheidstraat (alleen inbegrepen het trottoir aan

de centrumzijde), alsmede het gebied bestaand uit De Klomp, de Lipperkerkstraat tot aan de C.J. Snuifstraat en het op de Lipperkerkstraat aansluitende gedeelte van het Gronausevoetpad tot aan de Pelmolenstraat, van gevel tot gevel en inclusief het pleintje op de hoek Lipperkerkstraat/Gronausevoetpad, en zich gedurende veertien dagen, met ingang van 14 november 2002 niet in dit gebied op te houden, welk bevel op 13 november 2002 was gegeven door de burgemeester van Enschede, zijnde een ambtenaar met enig toezicht belast, en welk bevel door M. Nijboer, brigadier bij het Regionale politiekorps Twente, op 15 november 2002 te Enschede, aan hem, verdachte, was uitgereikt, immers bevond hij, verdachte, zich op 17 november 2002 te Enschede, omstreeks 19.30 uur, op de openbare weg, het Stationsplein, in elk geval op een openbare weg, welke deel uitmaakt van bovenomschreven gebied, zulks terwijl bovenvermeld bevel aan hem, verdachte, was gegeven;

Hetgeen meer of anders is telastegelegd acht de politierechter niet bewezen. De verdachte behoort daarvan te worden vrijgesproken.

Kennelijk ten aanzien van het telastegelegde "opzet" is het bewijsverweer gevoerd dat de verdachte enige blikjes tegelijk wenste te kopen en wel één meer dan hij met zijn handen kon vasthouden. Eén blikje stak hij daarom in zijn zak. Dit blikje bier heeft hij vervolgens vergeten af te rekenen. Voor zover geloof zou moeten worden gehecht aan deze visie op verdachtes handelen en intenties, dan nog leidt dit verweer niet tot vrijspraak. Weliswaar blijkt uit het dossier dat hij inderdaad enige andere blikjes wel heeft afgerekend, maar zoals de verdachte zelf ter zitting al heeft aangegeven, waren in de winkel ook winkelwagentjes aanwezig waarin hij alle blikjes voor hemzelf en de kassiere gemakkelijk door de winkel kon meevoeren naar de kassa. De door hemzelf gekozen andere vervoerswijze is bepaald niet door de winkel geindiceerd en ongebruikelijk. Daaraan doet niet af dat verdachte zijn geld niet aan een winkelwagen maar aan bier wilde uitgeven, zoals hij ter zitting heeft verklaard. Met zijn keuze een blikje in zijn jaszak te stoppen nam hij de aanmerkelijke kans dat hij eenmaal bij de kassa aangekomen zou vergeten het blikje ter betaling aan te bieden, op de koop toe. Voor zover van onvoorwaardelijk opzet geen sprake is, was derhalve wel sprake van voorwaardelijk opzet op het wederrechtelijk wegnemen van het betreffende blikje bier.

Ten aanzien van de andere telastegelegde feiten wordt nog als volgt overwogen.

Vastgesteld wordt dat zich in het dossier een viertal zogenaamde verblijfs-ontzeggingen bevinden. Deze zijn gedateerd 22 mei 2002, 23 augustus 2002, 11 oktober 2002 en 13 november. De eerste twee zijn ondertekend door J.Goudt, loco, voor de burgemeester van Enschede, de derde door de burgemeester zelf, de vierde door E. Helder, loco, voor de burgemeester. De tweede, derde en vierde zijn medeondertekend door de verdachte voor ontvangst c.q. kennisname.

De verblijfsontzeggingen betreffen in alle vier gevallen een gedateerd document, met de kop "Verblijfsontzegging voor 14 dagen". Na aanduiding van de personalia van verdachte volgt telkens een vijftal alinea's. De eerste alinea luidt in het eerste geval als volgt:

Naar aanleiding van de door u, bovengenoemde, op respectievelijk 8 en 10 mei 2002, 14 augustus 2002, 3 oktober 2002, en 13 november gepleegde overtredingen van artikel 2.5.4. respectievelijk artikel 2.5.5. van de Algemene Plaatselijke Verordening (A.P.V.), in relatie met de eerder door u gepleegde soortgelijke feiten, leg ik u, op grond van het bepaalde in artikel 2.5.25 van eerdergenoemde A.P.V., met inachtneming van het bepaalde in de Algemene wet bestuursrecht, een verblijfsontzegging op voor een periode van 14 dagen.

De eerste alinea van de tweede, derde en vierde verblijfsontzegging verschillen alleen in zoverre dat daarin op de plaats van 8 en 10 mei staat vermeld: 14 augustus respectievelijk 3 oktober respectievelijk 13 november.

De tweede alinea relateert telkens dat verdachte de mogelijkheid is gegeven om zijn zienswijze kenbaar te maken ten aanzien van het voornemen een verblijfsontzegging op te leggen en de vaststelling dat hiervan geen gebruik is gemaakt casu quo dat daarvan wel gebruik is gemaakt maar dat in die zienswijze geen aanleiding is gezien om de verblijfsontzegging niet op te leggen.

De derde alinea definieert het gebied waarvoor de ontzegging geldt als het op een plattegrond die als bijlage wordt verstrekt aangegeven gebied. Kort gezegd wordt hiermee het gehele centrum van Enschede bedoeld, inclusief enkele daaraan grenzende straten waar, naar algemeen bekend is, veel overlast van drugshandel is.

De vierde alinea definieert de duur van de verblijfsontzegging, te weten telkens nader gespecificeerde periodes van veertien dagen waarin de telastegelegde data vallen.

In de vijfde alinea wordt aangegeven dat een kopie van de verblijfsontzegging zal worden gezonden aan het Vangnet Zorg te Enschede.

De laatste verblijfsontzegging bevat daarenboven in de tweede alinea nog de opmerking: "Wel is naar aanleiding van het gesprek contact opgenomen met politie, justitie en het Vangnet Zorg om op uw verzoek een meer structurele oplossing voor uw problemen in gang te zetten. Hiervan hoort u zijner tijd meer."

Op de (door de burgemeester "ondertekende") gedrukte bijlage die kennelijk wordt geacht deel uit te maken van de ontzegging wordt overigens onder meer nog vermeld wanneer men een ontzegging krijgt (na herhaald overlast veroorzaken in het aangeduide gebied). De bijlage vermeldt voorts de kennelijk door de burgemeester gegeven waarschuwing: "Als u in die tijd toch in dat gebied komt, dan pleegt u een misdrijf. U kunt dan worden veroordeeld tot drie maanden gevangenisstraf."

Verdachte is na zijn aanhouding voor het laatste telastegelegde feit op 18 november 2002 in verzekering gesteld en na afwijzing van de inbewaringstelling door de rechter-commissaris, na beroep van de officier van justitie op last van het gerechtshof alsnog inbewaringgesteld op 18 december 2002, waarna op 24 december 2002 de gevangenhouding is bevolen.

De politierechter stelt vast dat de term verblijfsontzegging kennelijk zowel wordt gebruikt om een bepaald verbod aan te duiden als om het document te benoemen waarin dit verbod vervat is.

Artikel 2.5.4 van de Algemene Plaatselijke Verordening van de gemeente Enschede (hierna de APV) bepaalt kort gezegd dat het verboden is op of aan de weg te klimmen of zich te bevinden op een beeld, monument, overkapping, constructie, openbare toiletgelegenheid, voertuig, hek, omheining of andere afsluiting, verkeersmeubilair en daarvoor niet bestemd straatmeubilair, en zich op of aan de weg zodanig op te houden dat aan weggebruikers of aan bewoners van nabij de weg gelegen woningen onnodig overlast of hinder wordt veroorzaakt, behoudens wanneer artikelen 424, 426bis, of 431 van het Wetboek van Strafrecht of artikel 5 van de Wegenverkeerswet van toepassing zijn.

Artikel 2.5.5. APV bepaalt dat het verboden is om op de weg alcoholhoudende drank te nuttigen of aangebroken flessen, blikjes en dergelijke met alcoholhoudende drank bij zich te hebben, behoudens in enige in dat artikel genoemde uitgezonderde gevallen.

Artikel 2.5.25 APV luidt:

1. De burgemeester kan in het belang van de openbare orde aan degene die zich gedraagt in strijd met de artikelen 2.5.4, 2.5.5, 2.5.6 en 2.5.7 een verbod opleggen om zich gedurende een in dat verbod genoemd tijdvak van 24 uur te bevinden op het in dat verbod aangewezen gebied, waar of in de nabijheid waarvan de genoemde gedragingen hebben plaatsgehad (verblijfsontzegging).

2. De burgemeester kan in het belang van de openbare orde aan degene aan wie eerder een verbod als bedoeld in het eerste lid is opgelegd en ten aanzien van wie binnen zes maanden na het opleggen van dit verbod wordt geconstateerd dat hij zich opnieuw gedraagt in strijd met het in het eerste lid genoemde artikelen, een verbod opleggen om zich gedurende een in dat verbod genoemd tijdvak van ten hoogste veertien dagen te bevinden op in dat verbod aangewezen gebieden, waar of in de nabijheid waarvan de genoemde gedragingen hebben plaatsgehad.

3. De burgemeester wijst de gebieden aan waarvoor de verblijfsontzegging kan worden opgelegd.

4. De burgemeester beperkt het in het eerste en tweede lid genoemde verbod, indien dat in het verband (sic) met de persoonlijke omstandigheden van betrokkene noodzakelijk is.

5. Het is verboden zich gedragen in strijd met een door de burgemeester opgelegd verbod als bedoeld in het eerste en tweede lid.

Artikel 6.1 APV bepaalt dat overtreding van bij of krachtens een aantal artikelen, waaronder artikel 2.5.25, gegeven voorschriften of beperkingen wordt gestraft met een hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie en kan bovendien worden gestraft met openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak.

Voorts blijkt dat verdachte op 25 mei 2002 heeft verklaard: "Ik weet dat ik een gebiedsontzegging heb voor de binnenstad van Enschede. […] Vandaag, zaterdag 25 mei 2002 omstreeks 19.30 uur ben ik ondanks mijn gebiedsontzegging naar de Minkgaarde gelopen. Aldaar zit de ingang van de Wonne. Aldaar verstrekt men dagelijks brood aan mensen die geen adres en geen eten hebben. Ik stond nog voor de Wonne te wachten toen de politie er aan kwam. Zij hebben mij aangehouden."

De verbalisant die verdachte heeft aangehouden rept in zijn p-v inderdaad van het op de door verdachte genoemde plaats aantreffen van verdachte. Verbalisant had wetenschap van een verblijfsontzegging m.b.t. verdachte en heeft hem daarom aangehouden.

Op 24 augustus 2002 heeft verdachte onder meer verklaard dat hem de dag ervoor de inhoud van een verblijfsontzegging van 23 augustus 2002 door de politie is medegedeeld, dat hij die wel heeft ondertekend maar niet heeft willen meenemen en dat hij weet dat hij niet op de Oude Markt mocht komen. En voorts heeft hij toen verklaard "Ik ben de afgelopen nacht […] wederom in verband met openbare dronkenschap en daarbij gepaard gaand vervelend gedrag ten opzichte van het uitgaanspubliek door de politie aangehouden. Ik kan aan mijn alcoholprobleem niets doen want ik ben met de fles opgegroeid. Omdat het vannacht gezellig was in de binnenstad van Enschede wilde ik daar samen met de introductie van studenten met hen feestvieren, dansen en gek doen. Ik had op dat moment schijt aan die verblijfsontzegging en ging toch naar de Oude Markt, waarvan ik dus wist dat ik daar niet mocht komen. [...] Ook nu ga ik straks zo weer de binnenstad in!"

Op 24 oktober 2002 verklaart verdachte: "Ik kwam vanaf de Hengelosestraat waar ik een kameraad tegenkwam. Ik had hem mijn koptelefoon uitgeleend en die wou hij aan mij teruggeven. Hij stond aan de andere kant van het spoor, dus aan de kant van het centrum. Ik stond net met die kameraad te praten toen er politie aankwam. Ik wist dat ik mij bevond in het gebied bevond waar ik een verbod voor heb. Dit verbod loopt op 25 oktober af om 11.00 uur. Ik bevond mij slechts 1 meter in het gebied waar ik niet mocht komen."

De verbalisanten verklaren over dat feit: "Op donderdag 24 oktober 2002 omstreeks 14.30 uur reden wij verbalisanten op onze dienstfiets over het Stationsplein te Enschede. […] Ter hoogte van het electriciteitshuisje, nabij de spoorbomen, zagen wij de ons ambtshalve bekende [verdachte] staan. Het was ons bekend dat [verdachte] een verblijfsontzegging van 11 oktober 11.00 uur tot 25 oktober 11.00 uur heeft voor een groot deel van de binnenstad van Enschede. Het deel van het Stationsplein waar de verdachte zich ophield valt ook onder dit gebied. Wij zijn naar B gelopen en hebben hem gevorderd het gebied te verlaten, waaraan hij niet voldeed. Hierop hebben wij de verdachte aangehouden."

Op 18 november 2002 verklaart verdachte: "Ik weet dat ik een ontzegging heb. […] Gisteren, zondag 17 november 2002 omstreeks 19.30 uur, was ik op het N.S. station. Ik moest naar het toilet en ben daar geweest. Ik weet dat ook het N.S. Station onder de ontzegging valt, maar ik moest naar de w.c. Ik wilde gewoon netjes naar de w.c. en het niet op straat doen."

Verbalisanten verklaren dat er op 17 november 19.30 uur een melding kwam dat een zwerver op het station zou lopen. De zwerver zou naar de aldaar aanwezige mensen spugen en aan de haren trekken. "Collega's [..] zijn ter plaatse gegaan en troffen daar de hun ambtshalve bekende [verdachte] aan. Collega's constateerden dat de [verdachte] kennelijk onder invloed verkeerde van alcoholhoudende drank. Hierop is [verdachte] aangehouden terzake openbare dronkenschap en ter ontnuchtering ingesloten. Op het politiebureau aangekomen bleek […] dat de [verdachte] een verblijfsontzegging heeft."

De politierechter overweegt dat de zogenoemde verblijfsontzegging een verbod inhoudt, en als zodanig naar zijn oordeel een bevel is in de zin van artikel 184 Sr.

De officier van justitie heeft ter zitting desgevraagd door de politierechter aangegeven dat de telastelegging nadrukkelijk ziet op de door de door de burgemeester gegeven verblijfsontzeggingen, en op niets anders, zoals bijvoorbeeld de op 24 oktober 2002 door de verbalisanten gedane vordering aan verdachte om zich te verwijderen uit het in de verblijfsontzegging bedoelde gebied.

De politierechter stelt, mede gelet op de overige in het dossier voorkomende wettige bewijsmiddelen, vast dat verdachte zich inderdaad op de telastegelegde plaatsen, dagen en tijden bevond in het gebied waar hij toen, zoals hij wist, volgens de verblijfsontzeggingen niet mocht zijn en dat hij derhalve telkens opzettelijk handelde in strijd met een hem gegeven bevel. Dat hij één van de ontzeggingen niet voor ontvangst of kennisneming heeft ondertekend doet hieraan niets af.

Nu de verblijfsontzeggingen louter berusten op artikel 2.5.25 APV is van een krachtens artikel 10.1 van de Wet algemeen bestuursrecht en de artikelen 2 juncto 12 van de Politiewet gegeven bevel, zoals mede is telastegelegd, in elk geval geen sprake. Van dit deel van de telastelegging moet verdachte derhalve worden vrijgesproken.

De vraag of bewezen is of het bevel is gegeven door een ambtenaar belast met de uitoefening van enig toezicht, moet positief worden beantwoord. De burgemeester is, zoals artikel 172, eerste lid, Gemeentewet bepaalt, belast met handhaving van de openbare orde. Dat hij belast is met toezicht op die openbare orde is derhalve een gegeven.

Het telastegelegde dient derhalve bewezen te worden verklaard zoals hierboven is geschied.

Voor wat betreft de kwalificatie overweegt de politierechter als volgt.

Om het bewezenverklaarde te kunnen kwalificeren als het strafbare feit bedoeld in artikel 184 Sr, dient het betrokken bevel een bevel te zijn dat gegeven is krachtens wettelijk voorschrift.

De politierechter overweegt dienaangaande dat het bevel is vervat in een besluit in de zin van artikel 1:3 Awb. De politierechter stelt vast dat de burgemeester als het bestuursorgaan dat het besluit heeft genomen, had behoren te voldoen aan een aantal artikelen genoemd in de Awb waarvan het sterk betwijfeld moet worden of daaraan in casu voldoende is voldaan. Te noemen valt artikel 3:4 Awb, dat een belangenafweging voorschrijft en dat verder voorschrijft dat de nadelige gevolgen voor een belanghebbende niet onevenredig groot mogen zijn. Een vraag is of die belangenafweging wel voldoende is gemaakt, in het bijzonder waar het opleggen van de verblijfsontzeggingen aan verdachte gelet op de korte tijd die tussen met name de laatste drie verblijfsontzeggingen is gelegen, een seriematig karakter lijkt te hebben gekregen, terwijl het belang van verdachte om zich op te houden in het betrokken gebied aanmerkelijk is. Voorts is het de vraag of de burgemeester voldoende uitvoering heeft gegeven aan het voorschrift van artikel 3:46, dat het besluit deugdelijk is gemotiveerd en het voorschrift van artikel 3:47 Awb dat die motivering in het besluit wordt vermeld. In dit kader merkt de politierechter op dat in het besluit niet is vermeld wat de aard en ernst was van de gedraging die de concrete aanleiding was voor het geven van de verblijfsontzegging, op grond waarvan van verdachte voor de toekomst een bedreiging van de openbare orde moet worden gevreesd. De aangehaalde artikelen bevatten een veelheid van soorten gedragingen. De officier van justitie gaf ter zitting aan dat inderdaad sprake is van een "standaardtekst", derhalve niet een concreet op verdachtes gedragingen toegespitste tekst. Bovendien wordt door de telkens opgenomen verwijzing naar het verleden van verdachte, in datzelfde verleden telkens opnieuw aanleiding gevonden voor nieuwe ontzeggingen. Een vraag is of dat wel kan. Ook ontbreekt in het besluit een weergave van de zienswijze van verdachte en een motivering voor de verwerping van zijn zienswijze. Tenslotte heeft de burgemeester geen uitvoering gegeven aan de plicht die de wetgever aan hem heeft opgelegd in artikel 3:45 Awb, om de verdachte te wijzen op de mogelijkheid bezwaar te maken tegen het besluit en de termijn waarbinnen dit dient te geschieden.

De politierechter is van oordeel dat het feit dat wellicht sprake is van mogelijke bestuursrechtelijke gebreken niet zonder meer met zich meebrengt dat één of meer van de betrokken bevelen niet meer zijn te kwalificeren als "krachtens wettelijk voorschrift gedaan". Voor wat betreft het niet vermelden van de rechtsmiddelen merkt de politierechter op dat daarin een grond zouden kunnen zijn gelegen voor de verschoonbaarheid van een termijnoverschrijding indien thans nog bezwaar zou worden gemaakt.

Met betrekking tot de kwalificatie van het bewezenverklaarde overweegt de politierechter verder nog het volgende.

De politierechter stelt vast dat uit de ontstaansgeschiedenis van artikel 2.5.25 APV blijkt dat de creatie van de verblijfsontzegging van belang is geacht "om de overlast en baldadigheid effectief terug te dringen" en "als bijdrage aan het gezag van de handhavers van de openbare orde (de agenten op straat)". Het werd als een gebrek gezien dat de constatering van overtredingen van de APV tot dat moment geen misdrijf waren, doorgaans niet tot een onmiddellijke beëindiging van overlast leidde en dat aanhouding buiten heterdaad niet mogelijk was. De duur van de verblijfs-ontzeggingen is blijkens het voorstel tot opname van artikel 2.5.25 in de APV aan de gemeenteraad zodanig gekozen "dat overlast onmiddellijk kan worden beëindigd", en "tevens om de betreffende persoon te bestraffen (en wel met een ontzegging tot het betreffende gebied)". Essentieel geacht werd dat bij overtreding van de verblijfsontzegging direct vervolgd wordt. Dit zou zijn afgesproken met de Hoofdoffcier van Justitie. Uit een Memo d.d. 5-2-02 dat zich in het dossier bevindt, blijkt dat het Openbaar Ministerie zich voorneemt om bij het negeren van verblijfsontzeggingen te verbaliseren ter zake van overtreding van artikel 184 Sr en bij personen zonder vaste woon-of verblijfplaats de voorlopige hechtenis te vorderen.

Wat ook zij van de wens van de gemeenteraad van Enschede om bij te dragen aan het gezag van de handhavers van de openbare orde, de uitvoering die daaraan met onderhavige regeling in de APV wordt gegeven om overtreding van de artikelen 2.5.4. en 2.5.5 te bedreigen met de straf van een verblijfsontzegging is regelrecht in strijd met artikel 154 Gemeentewet, die een dergelijke straf niet toestaat.

De politierechter stelt vast dat de gemeenteraad van de gemeente Enschede niet de bevoegdheid toekomt tot het geven van enige bevoegdheid aan de burgemeester tot het geven van een bevel als de verblijfsontzegging, met als doel de handhaving van de openbare orde. De wetgever van (in het bijzonder) artikelen 172 en 174 Gemeentewet heeft de bevoegdheid om op te treden in het belang van de openbare ordehandhaving exclusief bij de burgemeester gelegd. Niet voor niets wordt in de genoemde artikelen door de formele wetgever aan de burgemeester een bevoegdheid gegeven tot het doen van de nodige bevelen. Volgens de verslaglegging van de parlementaire behandeling (19 403, nr 10, p 89) van de Gemeentewet heeft de regering als standpunt ingenomen: "De burgemeester is, met uitsluiting van andere organen, door de wet aangewezen als het gemeentelijk orgaan dat toeziet op de handhaving van het niveau van orde en rust in het openbare leven, zoals dit door de formele wetgever en gemeenteraad in normencomplexen tot uitdrukking is gebracht." […] "De taak van handhaving van de openbare orde impliceert dat de burgemeester terzake beleid voert, waarbij hij bepaalt op welke wijze hij de handhaving gestalte wil geven. Het betreft dan zowel algemeen beleid terzake de naleving van algemene orderegels, waarbij gedacht wordt aan bijvoorbeeld surveillance door de politie of een gericht preventiebeleid, als ook het daadwerkelijk optreden om overtreding van openbare orde regels te voorkomen of te beëindigen."

De gemeenteraad had derhalve niet de bevoegdheid om de burgemeester de bevoegdheid te geven tot het opleggen van een verblijfsontzegging. De conclusie is dat artikel 2.5.25 APV onverbindend is. Nu de burgemeester zich bij het opleggen van de verblijfsontzegging heeft gebaseerd op een bevoegdheid die de gemeenteraad hem niet mocht geven in dit zoals gezegd onverbindende artikel 2.5.25 APV, is het bevel niet krachtens wettelijk voorschrift gedaan.

Het met betrekking tot de verblijfsontzeggingen bewezenverklaarde kan derhalve niet gekwalificeerd worden.

Ten overvloede merkt de politierechter nog het volgende op.

Vanwege de onverbindendheid van artikel 2.5.25 APV is er geen aanleiding om te overwegen in hoeverre het (binnen korte tijd herhaald) geven van relatief langdurige verblijfsontzeggingen aan verdachte om zich in het centrum van zijn woonplaats op te houden zich verhoudt tot artikel 2 van het vierde Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de Mens en artikel 12 van het Verdrag van New York inzake de Burgerrechten. Immers, zoals van algemene bekendheid is: juist daar speelt zich het openbare leven af en in het door de verblijfsontzegging bedoelde gebied danwel direct daaraan grenzend bevinden zich de voorzieningen die zich in het bijzonder richten op personen als verdachte. De politierechter denkt hierbij aan de in het gebied gelegen "Wonne" en de door de gemeente geplaatste containers die bij wijze van hangplek voor zwervenden aan de rand van (maar binnen) het gebied zijn geplaatst, alsook aan (nacht)opvanggelegenheden als die van het Leger des Heils en Humanitas die direct langs grensstraten van het gebied zijn gelegen. De vraag naar de verhouding tussen doel en middel is ook daarom zo opportuun, nu uit de strafrechtelijke documentatie van verdachte over de laatste tien jaar niet blijkt van enige veroordeling voor belediging, bedreiging, mishandeling of vernieling edoch dat, afgezien van enkele kleinere diefstallen, verdachte vooral is opgevallen vanwege zijn alcoholprobleem waarvan hij in het openbaar de mensonterende gevolgen hinderlijk zichtbaar maakt. Voor die ordeverstoringen is hij veelvuldig tot straf veroordeeld zonder dat daar enige preventieve werking van lijkt uit te gaan.

Evident is dat ook buiten bespreking kan blijven de vraag of de officier van justitie, gelet op het "specialis"-karakter van artikel 2.5.25 APV, niet had behoren te vervolgen wegens de overtreding van dat artikel (bij de kantonrechter) in plaats van wegens overtreding van artikel 184 Sr, danwel of het bewezenverklaarde om die reden wellicht gekwalificeerd zou moeten worden als overtreding van genoemd artikel uit de APV.

Nu het bewezenverklaarde met betrekking tot de verblijfsontzeggingen niet gekwalificeerd kan worden, dient verdachte met betrekking tot die feiten ontslagen te worden van alle rechtsvervolging.

Het met betrekking tot het blikje bier bewezenverklaarde dient te worden gekwalificeerd als diefstal, strafbaar gesteld in artikel 310 Sr.

Verdachte is voor dit laatste feit strafbaar, nu van strafuitsluitende omstandigheden niet is gebleken.

De politierechter is van oordeel dat de hierna op te leggen straf passend is, in het bijzonder gelet op de recidive van verdachte ten aanzien van soortgelijke feiten.

Omdat de voorlopige hechtenis is gelast voor een feit waarvoor verdachte van rechtsvervolging wordt ontslagen, zal de politierechter de onmiddellijke invrijheidstelling van verdachte bevelen, welke is geminuteerd bij afzonderlijke beschikking.

De politierechter heeft gelet op artikel 10 en 310 Sr.

R E C H T D O E N D E:

Acht alle vijf telastegelegde feiten bewezen zoals hierboven uiteengezet;

Acht niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is telastegelegd en spreekt hem daarvan vrij;

Acht niet strafbaar hetgeen terzake van de feiten met parketnummers 08/010684-02, 08/010656-02, 08/015860-02 en 08/004684-02 bewezen is verklaard en ontslaat verdachte te dier zake van alle rechtsvervolging;

Verstaat dat het onder parketnummer 08/010725-02 telastegelegde feit oplevert het misdrijf van diefstal, strafbaar gesteld in artikel 310 Sr;

Verdachte is daarvoor strafbaar;

Veroordeelt verdachte terzake diefstal tot een gevangenisstraf van twee weken.

Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft verkeerd, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde straf geheel in mindering zal worden gebracht.

Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden.

Aldus gewezen door mr. Berg, politierechter, in tegenwoordigheid van Endlich, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de politierechter in de Rechtbank voornoemd, op 7 januari 2003;