Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2001:AF3277

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
20-12-2001
Datum publicatie
24-01-2003
Zaaknummer
01 / 209 WOB H1 A
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK ALMELO

Sector Bestuursrecht - Enkelvoudige Kamer

Registratienummer: 01 / 209 WOB H1 A

UITSPRAAK

in het geschil tussen:

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

gemachtigde: [gemachtigde], te [woonplaats],

en

De Minister van Justitie, verweerder.

Derde belanghebbenden: [belanghebbende1], [belanghebbende2], [belanghebbende3], [belanghebbende4], [belanghebbende5], [belanghebbende6], [belanghebbende7], [belanghebbende8] en [belanghebbende9]

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder d.d. 14 maart 2001.

2. De feiten en het verloop van de procedure

Burgemeester en wethouders van de gemeente Weerselo hebben besloten om in juni 1997 ten aanzien van een aantal illegaal gebouwde muren op een perceel van eiser bestuursdwang toe te passen door deze muren af te laten breken. Op 10 juni 1997 is de uitvoering van de bestuursdwang, gelet op de stemming en dreigende escalatie, afgebroken. Op 12 juni 1997 is de bestuursdwang alsnog uitgevoerd met bijstand van de mobiele eenheid van de politie Twente.

Alvorens de bestuursdwang is uitgevoerd heeft de gemeente een persbericht doen uitgaan waarin is opgenomen dat “door de ondervonden tegenwerking bij de acties, de diverse bedreigingen van de heer [eiser] aan het adres van aannemers en overheidsfunctionarissen moest worden gevreesd voor een verdergaande verstoring van de openbare orde”.

Naar aanleiding van de gebeurtenissen heeft de heer [belanghebbende1], destijds burgemeester van de gemeente Weerselo, aangifte van bedreiging gedaan. Bij het daaropvolgende strafrechtelijk onderzoek is een aantal personen als getuige gehoord. Aangezien er geen verdachte naar voren is gekomen, heeft de aangifte niet tot een strafrechtelijke vervolging geleid.

Op 31 juli 1997 heeft eiser bij de politie aangifte gedaan tegen de heer [belanghebbende1], wegens overtreding van de artikelen 261 en 266 van het Wetboek van Strafrecht (smaad en belediging). Deze zaak is geseponeerd. Een hiertegen ingediende klacht heeft het Hof ongegrond verklaard.

Op 21 november 2000 heeft eiser in het kader van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) verzocht om openbaarmaking van processen-verbaal en overige stukken welke naar aanleiding van de aangifte van eiser tegen de heer [belanghebbende1] zijn opgemaakt.

Bij brief van 22 november 2000 heeft de hoofdofficier dit verzoek op grond van de Wet persoonsregistratie (Wpr) afgewezen.

Op 24 november 2000 heeft eiser tegen deze beslissing bezwaar gemaakt. Een tegelijkertijd ingediend verzoek om een voorlopige voorziening is door de president van de rechtbank op

19 december 2000 afgewezen. Op 22 januari 2001 heeft eiser zijn bezwaar van 24 november 2000 nader aangevuld.

Op 24 januari 2001 heeft eiser beroep ingesteld bij de rechtbank wegens het niet tijdig nemen van een beslissing op bezwaar. De rechtbank heeft op 22 februari 2001 verweerder gelast binnen

3 weken na verzending van de uitspraak (23 februari 2001) een beslissing op bezwaar te nemen.

Op 14 maart 2001 heeft verweerder een beslissing op het bezwaar genomen, inhoudende niet-ontvankelijkverklaring voor zover de beslissing waarvan bezwaar, gelet op artikel 11, eerste lid, Wpr, is gebaseerd op de Wob. Voor zover het bezwaar zich richtte tegen het feit dat de Wob ten onrechte niet als wettelijk voorschrift bedoeld in artikel 11, tweede lid, Wpr bij de beslissing was betrokken, achtte verweerder het bezwaar gegrond. Voor het overige heeft verweerder de bezwaren ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen deze beslissing op 19 maart 2001 beroep bij deze rechtbank ingesteld. Het beroep is nader aangevuld op 24 april 2001 en 17 mei 2001.

Verweerder heeft op 17 april 2001 een verweerschrift ingediend. Op 20 september en

5 oktober 2001 heeft verweerder het verweer nader aangevuld.

De rechtbank heeft onder toepassing van artikel 8:29, derde lid van de Awb op 25 april 2001 bepaald dat kennisneming van de gedingstukken 6a tot en met 6h niet wordt toegestaan. Naar aanleiding van het daartoe strekkende verzoek heeft eiser op 1 mei 2001 toestemming gegeven om de uitspraak in dit geding mede te doen op grondslag van die stukken.

Het beroep is behandeld ter openbare zitting van de rechtbank van donderdag 15 november 2001, waar eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde, terwijl verweerder zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. J.B.A. Hustinx. De derde-belanghebbenden [belanghebbende4], [belanghebbende6], en [belanghebbende7] zijn verschenen bij gemachtigde [belanghebbende3] die tevens belanghebbende is. Voorts is de derde belanghebbende [belanghebbende5] verschenen.

3. Overwegingen

In geschil is de vraag of het besluit van 14 maart 2001 in rechte in stand kan blijven.

3.1. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wob kan een ieder een verzoek om informatie neergelegd in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid richten tot een bestuursorgaan of een onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan werkzame instelling, dienst of bedrijf.

Ingevolge het derde lid wordt een verzoek om informatie ingewilligd met inachtneming van het bepaalde in de artikelen 10 en 11.

Op grond van artikel 10, tweede lid van de Wob blijft het verstrekken van informatie ingevolge deze wet blijft achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen onder meer de volgende belangen:

e. de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer;

g. het voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van bij de aangelegenheid betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen dan wel van derden.

3.2. Persoonlijk belang eiser

Eiser streeft met openbaarmaking onder meer eerherstel voor hem en zijn familie na. De rechtbank wijst er op dat dit geen belang is dat door de Wob wordt beschermd. Dat belang is gelegen in het goede functioneren van de democratie waarbij de openbaarheid een inzichtelijke en goede bestuurlijke besluitvorming bevordert.

3.3. Eiser heeft er op gewezen dat openbaarheid, in dit geval de democratische controle, aan de orde is, aangezien hij betrokken is bij een lokale politieke partij en kandidaat stond voor de gemeenteraadsverkiezingen. De rechtbank volgt eiser daarin echter niet. In casu is immers niet een bestuurlijk optreden aan de orde, maar een aangifte in verband met smaad en belediging. De rechtbank wijst er overigens op dat in de gemeenteraad van de voormalige gemeente Weerselo uitvoerig is gedebatteerd over de gebeurtenissen rond de bestuursdwanguitoefening in juni 1997

3.4 Bescherming van de persoonlijke levenssfeer en de onevenredige benadeling

Wanneer ambtenaren en andere overheidsdienaren uit hoofde van hun functie verklaringen afleggen, welke verklaringen betrekking hebben op het functioneren van de overheid als zodanig, zal niet te snel kunnen worden aangenomen dat er sprake is van een onevenredige schending van de persoonlijke levenssfeer van de betrokkenen. In casu is die situatie echter niet aan de orde. De gevraagde stukken hebben betrekking op een aangifte in het kader van smaad of belediging. Dat de meeste van de gehoorde partijen in dat verband ambtenaren of overheidsdienaren waren brengt niet met zich dat zij uit hoofde van hun (overheids)functie de betreffende verklaringen hebben afgelegd. Naar het oordeel van de rechtbank kunnen zij zich dan ook terecht beroepen op de bescherming van hun persoonlijke levenssfeer. Mede afgezet tegen het belang van de openbaarheid heeft verweerder dan ook een juiste keuze gemaakt door die levenssfeer te respecteren.

3.5. Eisers gemachtigde heeft gesteld dat [belanghebbende3] ([belanghebbende3]) niet gemachtigd was om de heer [belanghebbende1] en de gemeente Denekamp te vertegenwoordigen, terwijl hij ook belanghebbende in deze zaak was. Volgens eiser is er aldus sprake van belangenverstrengeling en rolvertroebeling. Nog daargelaten dat de gemeente Denekamp geen partij in dit geding is, ziet de rechtbank niet in welk beginsel van behoorlijk bestuur door het aldus optreden van [belanghebbende3] is geschonden. Het is de rechtbank voorts gebleken dat [belanghebbende3] in dit verband over alle vereiste machtigingen beschikte.

3.6. De rechtbank stelt vast dat eiser in het kader van de Wob gevraagd heeft om openbaarmaking van bepaalde stukken. Verweerder heeft dat verzoek in het primair besluit getoetst aan de bepalingen uit de Wpr. In het bezwaarschrift heeft eiser zijn stellingen nader uitgewerkt en onderbouwd aan de hand van de bepalingen uit de Wob. Tenslotte heeft gemachtige in het beroep andermaal benadrukt dat het verzoek en de bezwaren uitsluitend betrekking hadden op de Wob. In dat opzicht heeft verweerder een onjuiste beslissing genomen door in de heroverweging naar aanleiding van het bezwaar eiser niet-ontvankelijk in diens Wpr-verzoek te verklaren. Eiser heeft immers nimmer een Wpr-verzoek gedaan. De bezwaren hadden derhalve gegrond verklaard moeten worden nu verweerder op een onjuiste grondslag had beslist. Voorts had verweerder het primair besluit in dat opzicht moeten herzien. Nu eiser in beroep zich ook uitdrukkelijk op dat standpunt heeft gesteld, dient het beroep in zoverre gegrond te worden verklaard.

De rechtbank ziet aanleiding verweerder te veroordelen in de proceskosten, welke worden bepaald op ƒ 1.420,-- voor het indienen van het beroep en het verschijnen ter zitting en ƒ 8,50 reiskosten voor een retour Saasveld-Almelo, totaal derhalve ƒ 1.428,50.

Beslist wordt derhalve als volgt:

4. Beslissing

De Arrondissementsrechtbank Almelo,

Recht doende:

- verklaart het beroep gegrond voorzover het zich richt tegen de niet-ontvankelijkverklaring in het Wpr-verzoek en vernietigt het bestreden besluit in zoverre;

- verstaat dat verweerder met inachtneming van het voorgaande een nieuw besluit neemt;

- verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten ad ƒ 1.428,50 te betalen aan de eiser ;

- verstaat dat verweerder eiser het griffierecht ad ƒ 225,-- vergoedt.

Tegen deze uitspraak staat binnen zes weken na verzending hoger beroep open bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State te Den Haag.

Gewezen door mr.H.G. Rottier in tegenwoordigheid van mr. G.J.M. Annink als griffier, en in het openbaar uitgesproken op

door mr. H.G. Rottier, in tegenwoordigheid van mr. W.M.B. Elferink als griffier.