Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2001:AE1215

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
09-11-2001
Datum publicatie
09-04-2002
Zaaknummer
01/396 WOB H1 A
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

WOB Eiser heeft op 19 februari 2001 verweerder verzocht om toezending van de twee meest recente jaarrekeningen en jaarverslagen van de Stichting Gereformeerde Landelijke Instelling voor Ambulante Geestelijke Gezondheidszorg, thans de Stichting Gereformeerde Geestelijke Gezond-heidszorg X te Nieuwegein

Hoger beroep: AE5052

Wetsverwijzingen
Wet openbaarheid van bestuur
Wet openbaarheid van bestuur 1
Burgerlijk Wetboek Boek 2
Burgerlijk Wetboek Boek 2 394
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2001/330
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK ALMELO

Sector Bestuursrecht - Meervoudige Kamer

Registratienummer: 01/396 WOB H1 A

UITSPRAAK

in het geschil tussen:

A, wonende te B, eiser,

gemachtigde: mr. H. van Drunen, te Utrecht,

en

Het College tarieven gezondheidszorg, verweerder,

Derde belanghebbende: Stichting Gereformeerde Geestelijke Gezondheidszorg Eleos te Nieuwegein.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder d.d. 7 mei 2001.

2. De feiten en het verloop van de procedure

Eiser heeft op 19 februari 2001 verweerder verzocht om toezending van de twee meest recente jaarrekeningen en jaarverslagen van de Stichting Gereformeerde Landelijke Instelling voor Ambulante Geestelijke Gezondheidszorg, thans de Stichting Gereformeerde Geestelijke Gezond-heidszorg Eleos te Nieuwegein, hierna te noemen de stichting. Eiser heeft daarbij een beroep gedaan op artikel 3 van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob). Verweerder heeft op 6 maart 2001 geweigerd de gevraagde informatie te verstrekken. Tegen dit besluit heeft eiser op 8 maart 2001 bezwaar gemaakt. Verweerder heeft het bezwaarschrift op 7 mei 2001 ongegrond verklaard en het primaire besluit gehandhaafd. Vervolgens heeft eiser op 14 mei 2001 tegen dit besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft op 15 juni 2001 een verweerschrift ingediend.

Het beroep is behandeld ter openbare zitting van de rechtbank van 4 oktober 2001, waar eiser in persoon is verschenen, alsmede diens gemachtigde voornoemd, terwijl verweerder zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. J.G.F.M. Hoffmans. De stichting heeft te kennen gegeven geen gebruik te maken van de uitnodiging ter zitting te verschijnen.

3. Overwegingen

In geschil is de vraag of het besluit van 7 mei 2001 in rechte in stand kan blijven. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

Artikel 2 van de Wob bepaalt dat een bestuursorgaan bij de uitvoering van zijn taak, onver-minderd het elders bij de wet bepaalde, informatie verstrekt overeenkomstig de Wob.

Ingevolge artikel 3, eerste lid Wob kan een ieder een verzoek om informatie neergelegd in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid richten tot een bestuursorgaan of een onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan werkzame instelling, dienst of bedrijf.

Onder een document verstaat artikel 1 Wob een bij een bestuursorgaan berustend schriftelijk stuk of ander materiaal dat gegevens bevat. Een bestuurlijke aangelegenheid is volgens dit artikel een aangelegenheid die betrekking heeft op beleid van een bestuursorgaan, daaronder begrepen de voorbereiding en de uitvoering ervan. Ingevolge artikel 3, derde lid, Wob wordt een verzoek om informatie ingewilligd met inachtneming van het bepaalde in de artikelen 10 en 11 van de Wob. In deze artikelen heeft de wetgever vastgelegd in welke gevallen en onder welke omstandigheden het verstrekken van informatie achterwege blijft.

Verweerder is van mening, dat de informatie niet behoeft te worden verstrekt omdat voor de stichting geen verplichting op grond van titel 9 van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW) bestaat om de jaarrekening openbaar te maken. Verweerder merkt de betreffende bepaling aan als lex specialis ten opzichte van artikel 2 van de Wob. Nu geen verplichting bestaat tot openbaarmaking van de jaarrekening op grond van het BW zou het, aldus verweerder, in strijd zijn met het bijzondere karakter van de regeling in het BW als via de Wob openbaarmaking van de stukken via verweerder mogelijk zou zijn.

Eiser is van mening, dat titel 9 boek 2 BW geen uitputtende openbaarmakingsregeling bevat en derhalve niet kan worden aangemerkt als een lex specialis ten opzichte de Wob. In het geding is derhalve de vraag of verweerder onder verwijzing naar titel 9 boek 2 BW het verzoek om informatie terecht heeft afgewezen.

De rechtbank stelt vast dat de gevraagde documenten zijn aan te merken als documenten in de zin van artikel 1 Wob.

De algemene openbaarmakingsregeling uit de Wob kan wijken voor bijzondere openbaar-makingsregelingen met een uitputtend karakter, neergelegd in wetten in formele zin. Een regeling is uitputtend als zij ertoe strekt te voorkomen dat door toepassing van de Wob afbreuk zou kunnen worden gedaan aan de goede werking van de materiële bepalingen in de bijzondere wet.

De rechtbank is van oordeel dat daarvan in dit geval geen sprake is.

Allereerst geldt hier dat de Wob zich richt tot bestuursorganen en hen er toe verplicht in bepaalde gevallen informatie te verstrekken, terwijl artikel 2:394 BW bepaalde rechtspersonen verplicht tot het verstrekken van informatie, te weten de jaarrekening. De rechtbank ziet niet in dat het verstrekken van informatie door bestuursorganen in het kader van de Wob, afbreuk zou kunnen doen aan een goede werking van de publicatieplicht voor bepaalde rechtspersonen.

Bovendien valt niet in te zien waarom een bestuursorgaan, op grond van artikel 3 Wob geconfronteerd met een verzoek om informatie over een rechtspersoon, die niet valt onder de werking van de publicatieplicht van titel 9 boek 2 BW, zich met een beroep op het uitputtende karakter van die regeling kan onttrekken aan de werking van de Wob. De openbaarmakingsregeling van titel 9 boek 2 BW verplicht bepaalde rechtspersonen tot openbaarmaking van de jaarrekening. De openbaarmaking heeft met name ten doel aan bij de onderneming betrokkenen inzicht te verschaffen in de vermogensrechtelijke positie van de betreffende rechtspersoon. Het bestuur van de rechtspersoon legt via de jaarrekening verantwoording af over het gevoerde bewind. Dat andere rechtspersonen deze verplichting tot openbaarmaking niet hebben is niet gelegen in de wens van de wetgever deze gegevens te beschermen tegen openbaarmaking. Oorzaken van het niet bestaan van een verplichting tot publicatie zijn veeleer gelegen in de omvang of het karakter van dergelijke rechtspersonen.

Gelet hierop is de rechtbank van oordeel, dat de openbaarmakingsregeling van titel 9 boek 2 BW niet kan worden aangemerkt als een lex specialis ten opzichte van de Wob. Het betreft hier een specifieke openbaarmakingsverplichting voor bepaalde rechtspersonen, die bestaat naast de voor bestuursorganen geldende openbaarmakingsregeling uit de Wob.

Het feit, dat stichtingen, voor zover zij geen ondernemingen drijven, niet verplicht zijn op grond van het BW jaarverslag en jaarrekening openbaar te maken, houdt niet in dat documenten van die stichtingen, die onder het bestuursorgaan berusten, zouden zijn uitgesloten van openbaarmaking op grond van de Wob. Door de gevraagde informatie op die grond te weigeren heeft verweerder in strijd gehandeld met de Wob.

Op grond van het vorenoverwogene acht de rechtbank het, gelet op het bepaalde in artikel 8:75 Awb, billijk verweerder te veroordelen in de kosten die eiser redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van dit beroep, zijnde ƒ 1.420,--, alsmede van de reiskosten zijnde ƒ 9,25.

Beslist wordt derhalve als volgt.

4. Beslissing

De Arrondissementsrechtbank Almelo,

Recht doende:

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

- veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten, welke kosten worden bepaald op ƒ 1.429,25 door verweerder te betalen aan eiser;

- verstaat dat verweerder aan eiser het griffierecht ad ƒ 225,-- vergoedt.

Tegen deze uitspraak staat binnen zes weken na verzending hoger beroep open bij de

Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State te Den Haag

Gewezen en in het openbaar uitgesproken op 9 november 2001

door mrs. H.G. Rottier, A.A.J. Lemain en M.E. van Wees, in tegenwoordigheid van

mr. W.M.B. Elferink, griffier.

Afschrift verzonden op

Mtl