Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2001:AD9815

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
28-12-2001
Datum publicatie
11-03-2002
Zaaknummer
01/915 BSTPL Q1 V, 01/916 BSTPL Q1 A
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2005:AT3736
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht door beroep in te stellen tegen fictieve weigering te beslissen op bezwaar terwijl bezwaarschrift was doorgezonden naar de rechtbank c.q. de Raad van State en verzoeker daarvan op de hoogte was.

Beroep tegen fictieve weigering van verweerder te beslissen op verzoekers bezwaarschriften van 19 april 2001 en 9 augustus 2001.

Het bezwaarschrift van verzoeker van 19 april 2001 is door verweerder aan de rechtbank gezonden ter behandeling als bezwaarschrift (redactie: lees beroepschrift). Dit stuk is dan ook door de president in aanmerking genomen bij de beoordeling van het geschil. Ten aanzien van dit bezwaarschrift kon en kan verweerder geen beslissing meer nemen, omdat het terecht op grond van het bepaalde in art. 6:15 Awb was doorgezonden en onderdeel was geworden van de beroepsprocedure.

Beroep tegen de (fictieve) weigering van verweerder om te beslissen op dit bezwaarschrift is niet-ontvankelijk.

Het bezwaarschrift van 9 augustus 2001 maakte deel uit van de procedures met registratienummers 01/649 en 01/604, waarvan verzoeker ook in kennis is gesteld, die ter behandeling doorgezonden zijn aan de Raad van State. Ook ten aanzien van dit bezwaarschrift kon verweerder ten tijde van het indienen van het beroep- en verzoekschrift geen beslissing meer nemen. Ook het beroep tegen de (fictieve) weigering om te beslissen op dit bezwaarschrift en het daarmee samenhangende verzoek zijn niet-ontvankelijk.

De president ziet aanleiding om verzoeker te veroordelen in de kosten die verweerder in verband met de behandeling van het verzoek redelijkerwijs heeft moeten maken, nu er naar zijn oordeel sprake is van kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht door verzoeker als bedoeld in art. 8:75 Awb. Verzoeker wist dat verweerder ten aanzien van voornoemde bezwaarschriften niet meer bevoegd was te beslissen. Tevens heeft verweerder bij brief van 23 november 2000, respectievelijk bij besluit, gedateerd 18 juli 2001, al beslist op het verzoek van 14 november 2000, respectievelijk het bezwaarschrift van 3 januari 2001.

Naar het oordeel van de president dienden het onderhavige verzoek en beroep dan ook geen enkel redelijk doel.

Uitspraak in hoger beroep bevestigd; LJN AT3736.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK ALMELO

President

Registratienummers: 01/915 BSTPL Q1 V

01/916 BSTPL Q1 A

UITSPRAAK EX ARTIKEL 8:86 AWB

in het geschil tussen:

A, wonende te B, verzoeker,

en

het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Enschede, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

De (fictieve) weigering van verweerder te beslissen op de bezwaarschriften van verzoeker van 19 april 2001 en 9 augustus 2001.

2. De feiten en het verloop van de procedure

Bij brief van 14 november 2000 heeft verzoeker verweerder verzocht een voor bezwaar en beroep vatbaar besluit te nemen over de uitleg van de volgende woorden en bepalingen van de Bebouwingsvoorschriften behorende bij het plan van uitbreiding, aanwijzende de bestemming in onder-delen van de in dat plan begrepen gronden gemerkt Rutbeek, Rutbeek (De Vijfsprong), Usselo (Helmerhoek) en Boekelo (Bad):

a. het woord “eventueel” in artikel 1, lid 1, als zodanig en in relatie tot de zinssnede “eventueel andere bebouwing”;

b. het woord “andere” in artikel 1, lid 1, als zodanig en in relatie tot de zinssnede “eventueel andere bebouwing”;

c. het woord “bebouwing” in artikel 1, lid 1, als zodanig en in relatie tot de zinssnede “eventueel andere bebouwing”;

d. de zinssnede “eventueel andere bebouwing”.

Tevens is verzocht om de uitleg hiervan afzonderlijk met inachtneming van en in relatie tot de Bebouwingsvoorschriften en de Verordening op de Zomerhuizen als geheel, het voorstel van de gemeenteraad van 28 april 1960, de totstandkoming van dat voorstel en de ruimtelijke en plano-logische feiten en omstandigheden ten tijde van het raadsbesluit van 9 mei 1960.

Bij brief van 23 november 2000 heeft verweerder aan verzoeker medegedeeld dat het verzoek niet als een verzoek om informatie ingevolge de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) kan worden beschouwd en dat de brief niet als besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuurs-recht (Awb) kan worden aangemerkt, zodat daartegen geen bezwaar en beroep open staat.

Verzoeker heeft op 3 januari 2001 op nader aan te voeren gronden bezwaar gemaakt tegen het besluit van verweerder van 23 november 2000.

Bij besluit van 9 maart 2001 heeft verweerder verzoekers bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. Verzoeker heeft zich niet kunnen verenigen met dit besluit en heeft op 19 april 2001 beroep ingesteld en een bezwaarschrift ingediend. Het beroep en bezwaar richtte zich tegen de fictieve weigering van verweerder een Awb-beslissing te nemen op het verzoek van 14 november 2000, tegen de weigering dat verzoek als een Wob-verzoek aan te merken en tegen de weigering de in dat verzoek gevraagde Wob-informatie te verstrekken in een beschikking als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb. Op 9 mei 2001 heeft verweerder het bezwaarschrift van verzoeker aan de rechtbank toegezonden met het verzoek dit te betrekken in de beroepszaak. Verzoeker heeft zich bij faxbericht van 14 mei 2001 tot de president van deze rechtbank gewend met het verzoek een voorlopige voorziening te treffen.

Bij uitspraak van de president van deze rechtbank van 7 juni 2001 is het beroep van verzoeker gegrond verklaard, omdat de beslissing dat een verzoek om informatie geen verzoek is ingevolge de Wob naar het oordeel van de president een beslissing inzake de Wob is waartegen bezwaar en beroep openstaat, en is aan verweerder opgedragen binnen één week een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen. Het verzoek om voorlopige voorzieningen is afgewezen.

Tegen deze uitspraak hebben verzoeker en verweerder hoger beroep ingesteld. Verzoeker heeft de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State tevens verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Bij besluit, gedateerd 18 juli 2001, heeft verweerder verzoekers bezwaar van 3 januari 2001 ongegrond verklaard. Daartoe is overwogen dat verzoeker alle beschikbare documenten al in zijn bezit heeft, dat de vraag naar de uitleg van enkele begrippen in de planvoorschriften door verweerder al is beantwoord in de motivering van de weigering van bouwvergunning(en) en dat de uitleg die verweerder aan de betreffende voorschriften heeft gegeven door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State als redelijk is beoordeeld.

Bij schriftuur van 9 augustus 2001 heeft verzoeker bezwaar gemaakt tegen de fictieve weigering van verweerder om een Awb-besluit te nemen met daarin vervat het enig juiste definitieve rechts-oordeel omtrent begrippen en bepalingen in een planvoorschrift in samenhang met een verorde-ning, een en ander als omschreven in zijn verzoek van 14 november 2000. Verweerder heeft het bezwaarschrift als aanvullend beroepschrift aangemerkt in de procedures met registratienummers 01/599 en 01/604 en aan de rechtbank toegezonden. Aan verzoeker is een kopie van de brief van verweerder aan de rechtbank gezonden. Het dossier met registratienummer is vervolgens door de rechtbank ter behandeling overgedragen aan de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Bij uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 12 oktober 2001 is het verzoek om voorlopige voorzieningen afgewezen. Daarbij is overwogen dat het verzoek van 14 november 2000 niet als een Wob-verzoek aangemerkt kan worden, dat de reactie daarop van verweerder geen besluit is en dat verweerder het bezwaar van verzoeker terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.

Bij beroepschrift en verzoekschrift van 17 november 2001 heeft verzoeker beroep ingesteld en een verzoek om voorlopige voorziening gedaan met betrekking tot de (fictieve) weigering van verweerder om te beslissen op de bezwaarschriften van 19 april 2001 en 9 augustus 2001. Het beroepschrift en het verzoekschrift hebben elk tien bijlagen. Bij brief van 23 november 2001 heeft verweerder de op het geding betrekking hebbende stukken en een verweerschrift overgelegd. Bij brief van 26 november 2001 heeft verzoeker verzocht om opgave van de personen die zijn zaak behandelen. Dit verzoek is bij brief van de volgende dag beantwoord. Op 3 december 2001 en op 8 december 2001 heeft verzoeker aanvullende stukken in het geding gebracht.

Naar aanleiding van een daartoe strekkend verzoek heeft de rechtbank verzoeker bij brief van 10 december 2001 bericht dat hij de dossiers van de zaken met bovengenoemde registratienummers op 13 december 2001 kan inzien. Ten slotte heeft verzoeker bij brief van 17 december 2001 zijn beroep en verzoek nader aangevuld.

Het verzoek is in het openbaar behandeld ter zitting van 19 december 2001, waar verzoeker in persoon is verschenen en verweerder zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. W.D. Piek, ambtenaar in dienst van de gemeente Enschede.

3. Overwegingen

Ingevolge artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld, door een partij in de hoofdzaak aan de president van de rechtbank een voorlopige voorzie-ning worden gevraagd. Bij de beoordeling van een zodanig verzoek dient te worden nagegaan of onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, het treffen van een voorlopige voorziening vereist.

Ingevolge het bepaalde in artikel 8:86 van de Awb kan, indien het verzoek wordt gedaan indien beroep bij de rechtbank is ingesteld en de president van oordeel is dat na de zitting nader onder-zoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, de president onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak. In het onderhavige geval doet zich die situatie voor.

De president is van oordeel dat het beroep en het verzoek niet-ontvankelijk verklaard moeten worden. Daartoe wordt als volgt overwogen.

Uit de uitspraak van de president van 7 juni 2001 blijkt dat het bezwaarschrift van verzoeker van 19 april 2001 door verweerder aan de rechtbank is gezonden ter behandeling als bezwaarschrift. Dit stuk is dan ook door de president in aanmerking genomen bij de beoordeling van het geschil. Ten aanzien van dit bezwaarschrift kon en kan verweerder geen beslissing meer nemen, omdat het terecht op grond van het bepaalde in artikel 6:15 van de Awb was doorgezonden aan de rechtbank en onderdeel was geworden van de beroepsprocedure, zodat de rechtbank ter zake bevoegd was. Verzoekers beroep tegen de (fictieve) weigering van verweerder om te beslissen op dit bezwaar-schrift en het daarmee samenhangende verzoek dienen derhalve niet-ontvankelijk verklaard te worden.

Nog afgezien van de implicaties van de uitspraak van 12 oktober 2001 van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State moet ten aanzien van het bezwaarschrift van verzoeker van 9 augustus 2001 worden opgemerkt dat dit bezwaarschrift deel uitmaakte van de procedures met registratienummers 01/649 en 01/604, waarvan verzoeker ook in kennis is gesteld, die ter behandeling doorgezonden zijn aan de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Ook ten aanzien van dit bezwaarschrift kon verweerder ten tijde van het indienen van het beroep- en verzoekschrift geen beslissing meer nemen. Ook verzoekers beroep tegen de (fictieve) weigering van verweerder om te beslissen op dit bezwaarschrift en het daarmee samenhangende verzoek dienen derhalve niet-ontvankelijk verklaard te worden.

De president ziet aanleiding om verzoeker te veroordelen in de kosten die verweerder in verband met de behandeling van het verzoek redelijkerwijs heeft moeten maken, nu er naar zijn oordeel sprake is van kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht door verzoeker als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

Op grond van de inhoud van de brieven van verweerder met betrekking tot de doorzending van de bezwaarschriften van 19 april 2001 en 9 augustus 2001, de uitspraak van de president van deze rechtbank van 7 juni 2001 en de inhoud van de brief van verzoeker aan de rechtbank van 8 december 2001 (waarin ondermeer staat: “In het kort geding 01/649 staat voornoemde fictieve weigering om op de aanvraag van 14 november 2000 als verzocht te beslissen centraal en wordt – mede uit overwegingen van proceseconomie en om de voortgang van zowel eisers als verweerders werkzaamheden niet te frustreren – tevens een gespecificeerde voorziening verlangd hangende het bezwaarschrift van 9 augustus 2001”) wist verzoeker dat verweerder ten aanzien van voornoemde bezwaarschriften niet meer bevoegd was te beslissen. Tevens heeft verweerder bij brief van 23 november 2000, respectievelijk bij besluit, gedateerd 18 juli 2001, al beslist op het verzoek van 14 november 2000, respectievelijk het bezwaarschrift van 3 januari 2001. Naar het oordeel van de president dienden het onderhavige verzoek en beroep dan ook geen enkel redelijk doel.

Bij de vaststelling van de omvang van de proceskostenveroordeling zal de president rekening hou-den met het feit dat het verzoek en beroep tegelijk met drie andere zaken behandeld zijn. Hij zal daarom uitgaan van een tijdsbestek van een half uur (is ƒ 58,50) en voor wat betreft de reiskosten uitgaan van een vergoeding van tweevijfde daarvan (is ƒ 5,30).

Beslist wordt aldus als volgt.

4. Beslissing

De president van de Arrondissementsrechtbank Almelo,

Recht doende:

op het beroep in de hoofdzaak:

- verklaart het beroep niet-ontvankelijk;

Tegen deze uitspraak staat binnen zes weken na verzending hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State te ’s Gravenhage.

op het verzoek om voorlopige voorzieningen:

- verklaart het verzoek niet-ontvankelijk;

- veroordeelt verzoeker in de kosten die verweerder in verband met de behandeling van het verzoek redelijkerwijs heeft moeten maken, zijnde ƒ 63,80, door verzoeker te betalen aan de gemeente Enschede.

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.

Gewezen door mr. K.J. Haarhuis in tegenwoordigheid van J.G.M. Wolbers, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 28 december 2001 door mr. K.J. Haarhuis in tegenwoordigheid van W.G.M. Nobbenhuis, griffier.

Afschrift verzonden op

Mtl