Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2001:AD8585

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
20-11-2001
Datum publicatie
29-01-2002
Zaaknummer
01/383 (A 1046)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering 226b
Wetboek van Strafvordering 226
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK ALMELO

Parketnummer: 3/01

Sas-nummer: 01/383 (A 1046)

Beschikking (in hoger beroep) ex art. 226b, lid 3 Sv.

Beschikking van de arrondissementsrechtbank te Almelo, meervoudige raadkamer van strafzaken, op het hoger beroep ex artikel 226, lid 2 van het Wetboek van Strafvordering van de verdachte:

[verdachte]

geboren [geboortegegevens]

wonende te Enschede[adres]

thans verblijvende in het huis van bewaring te Arnhem,

(verder ook te noemen: appellant),

blijkens een daarvan opgemaakte akte op 1 november 2001 ter griffie van deze rechtbank ingediend door mr. A. N. Slijters, advocaat te Amsterdam, houdende hoger beroep tegen de beschikking d.d. 23 oktober 2001 in de onderhavige zaak gegeven door de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in het Arrondissement Almelo (hierna te noemen: de rechter-commissaris) in welke beschikking aan een getuige, nader omschreven in de beschikking, kort gezegd de verbalisant met het codenummer A 1046, de status van "bedreigde getuige" is verleend voor het verhoor dat door de rechter-commissaris zal plaatsvinden ingevolge de door de 'zittingsrechter' in het kader van een terugverwijzing naar de rechter-commissaris gegeven opdracht.

De rechtbank heeft kennis genomen van de overgelegde stukken met betrekking tot het strafdossier met bovengenoemd parketnummer en Sas-nummer.

De rechtbank heeft het hoger beroep in raadkamer behandeld op 16 november 2001. Appellant, bijgestaan door zijn raadsvrouw mr. Slijters, voornoemd, is toen gehoord. De raadsvrouw heeft bij het verhoor pleitnotities gebezigd en heeft deze aan de rechtbank overgelegd. Appellant heeft medegedeeld dat hij met het tenlastegelegde niets van doen heeft gehad.

De officier van justitie heeft in raadkamer het woord gevoerd en heeft de bij de rechter-commissaris ingekomen reactie van de zijde van de verdediging d.d. 15 oktober 2001 besproken, alsook de pleitnotities van de raadsvrouw en hij heeft tenslotte geconcludeerd dat het hoger beroep tegen voornoemde beschikking van de rechter-commissaris ongegrond dient te worden verklaard.

De getuige, de verbalisant met het codenummer A 1046, is door de griffier dezer rechtbank opgeroepen, via de politie IJsselland, om in raadkamer te worden gehoord. De getuige is echter niet verschenen, overeenkomstig de mededeling in het op 13 november 2001 ingekomen proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt door

[naam] werkzaam bij het Politieel Infiltratieteam Noord en Oost Nederland.

De beoordeling van het hoger beroep

Appellant is tijdig en bij de juiste instantie in hoger beroep gekomen tegen vorenvermelde beschikking zodat hij in zijn hoger beroep kan worden ontvangen.

Namens appellant is door de raadsvrouw aan de hand van haar pleitnotities betoogd dat de bestreden beschikking niet in stand dient te blijven en dat voormelde status aan de getuige A 1046 niet dient te worden verleend.

De raadsvrouw heeft daartoe als eerste punt aangevoerd dat de rechter-commissaris in zijn beschikking van 23 oktober 2001 heeft verzuimd in te gaan op de door de verdediging aangevoerde formele bezwaren en dat de beschikking lijdt aan een motiveringsgebrek en dat reeds om die reden de statusverlening niet in stand kan blijven.

De rechtbank overweegt dienaangaande dat zij van oordeel is dat de rechter-commissaris vóór het geven van zijn beschikking de bij de wet voorgeschreven procedure heeft gevolgd, ook bij het verhoor, en dat hij voldoende is ingegaan op hetgeen van de zijde van de verdediging is aangevoerd, temeer omdat hij een uitvoerige motivering heeft gegeven voor zijn conclusie dat aan de vereisten van artikel 226a, eerste lid van het Wetboek van Strafvordering is voldaan. De rechtbank verwerpt dan ook dit gedeelte van het verweer.

De raadsvrouw heeft verder betoogd dat de getuige zelf weinig of niets heeft aangevoerd omtrent concrete bedreigingen van de zijde van appellant of andere personen en dat dit in feite is gedaan door de rechter-commissaris op basis van algemene uitlatingen van appellant of anderen, genoemd in het dossier of in de overwegingen.

Voorts heeft de raadsvrouw aangevoerd dat appellant de getuige al wel 'van gezicht kent' doch dat bij een 'statusverlening' een objectieve (waarheids)toetsing van de verklaring van de getuige ernstig bemoeilijkt wordt omdat bij een verhoor zoals de rechter-commissaris dat heeft aangeven door de vermomming van de getuige geen mimiek of andere 'lichaamstaal' kan worden waargenomen.

Zij heeft gesteld dat bij een mindere status van de getuige ook voldoende waarborgen omtrent geheimhouding van zijn identiteit/personalia tegenover appellant en eventuele derden/gedetineerden kunnen worden bereikt op de voet van het bepaalde in artikel 190 (en artikel 187d) van het Wetboek van Strafvordering, en dat er van de zijde van appellant geen bezwaar tegen bestaat dat de getuige wordt gehoord door de rechter-commissaris, slechts onder vermelding van zijn codenummer.

De raadsvrouw heeft tenslotte gepersisteerd bij hetgeen zij heeft aangevoerd in haar voormelde pleitnotitie, deels onder verwijzing naar de schriftelijke reactie van de verdediging van 15 oktober 2001. De inhoud van die stukken wordt als hier ingelast beschouwd.

De rechtbank overweegt omtrent het een en ander:

Op zich moet de opvatting van de rechter-commissaris, dat een hoedanigheid van politie-informant niet uitsluit dat ook aan deze de status van bedreigde getuige kan worden verleend, juist worden geacht.

Het gaat immers om het voldoen aan de eisen die zijn gesteld bij artikel 226a, lid 1 onder a van het Wetboek van Strafvordering.

De wettelijke regeling betreffende 'bedreigde getuigen' voorziet voorts niet uitsluitend in de bescherming van getuigen die in het geheel nog niet aan een verdachte bekend zijn. De verdere anonimiteit van een getuige, die aan de verdachte slechts van 'gezicht' bekend is, kan ook worden beschermd door deze regeling, gelet op de strekking van genoemd artikel 226a.

Op basis van de inhoud van het dossier, met daarin onder meer de mondelinge toelichting en aanvulling van de getuige op zijn verzoek, blijkens het door de rechter-commissaris opgemaakte proces-verbaal d.d. 22 oktober 2001, en het onderzoek in raadkamer acht de rechtbank zich voldoende voorgelicht in deze zaak voor een onderzoek ten gronde van het verzoek van de getuige.

Op grond van het onderzoek is de rechtbank tot het oordeel gekomen -anders dan de rechter-commissaris- dat er onvoldoende redenen zijn voor de getuige A 1046 om zich zodanig bedreigd te achten dat, naar redelijkerwijs moet worden aangenomen, gevreesd moet worden voor het leven of de gezondheid van hem of de gezondheid of veiligheid danwel de ontwrichting van het gezinsleven of het sociaal-economisch bestaan van hem, indien hij als getuige zou moeten verklaren en zijn identiteit daarbij niet verborgen zou blijven.

Daarbij heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen:

A 1046 is een politieel informant die zich jegens appellant in het kader van het opsporingsonderzoek heeft voorgedaan als medegedetineerde. Appellant kent A 1046 dus reeds van gezicht, voor welke situatie kennelijk ook bewust is gekozen.

Daarmee onderscheidt A 1046 zich van een getuige die min of meer toevallig op de hoogte is geraakt van strafbare feiten of uitlatingen daarover en die voor de verdachte als getuige nog volledig onbekend is.

Zo heeft A 1046 van tevoren maatregelen kunnen nemen -en naar de rechtbank aanneemt: ook daadwerkelijk genomen- om te voorkomen dat zijn volledige identiteit kan worden achterhaald. A 1046 heeft zich immers bewust in een positie gebracht waarin hij zich bloot stelde aan de mogelijke gevoelens van rancune bij appellant en medegedetineerden.

Het aan een getuige verlenen van de status "bedreigde getuige" als bedoeld in artikel 226a van het Wetboek van Strafvordering, vormt naar het oordeel van de rechtbank een zodanige inbreuk op de rechten van de verdachte, dat daartoe alleen mag worden besloten bij gebleken uiterste noodzaak.

Dit betekent dat onderzocht moet worden of met een minder vergaande inbreuk kan worden volstaan. Gelet op het voorgaande, en met name het feit dat A 1046 reeds bij appellant van gezicht bekend is, is de rechtbank van oordeel dat van de noodzaak om artikel 226a van het Wetboek van Strafvordering toe te passen hier niet is gebleken, waarbij van belang is dat niets eraan in de weg lijkt te staan de getuige onder een minder vergaande bescherming te horen met toepassing van artikel 190 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering

Op grond van het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat het hoger beroep gegrond is en dat de bestreden beslissing van de rechter-commissaris moet worden vernietigd.

De beslissing in hoger beroep:

De rechtbank oordeelt dat het hoger beroep tegen voornoemde beschikking van

23 oktober 2001 gegrond is.

De rechtbank vernietigt die beschikking en wijst het oorspronkelijke verzoek van de getuige met het codenummer A 1046 alsnog af.

Aldus beslist op 20 november 2001 door mr. Derks, voorzitter, mr. Vogel en mr. Rademaker, rechters, in tegenwoordigheid van Evers, griffier.