Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2001:AD8348

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
21-12-2001
Datum publicatie
29-01-2002
Zaaknummer
01/555 GEMWT H1 A
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verhouding APV en Woningwet.

Afwijzing bestuursdwangverzoek tegen lichtbakreclamezuil op de grond dat het gaat om een bouwvergunningplichtig bouwwerk, waarvoor niet aanvullend een reclamevergunning op grond van de APV benodigd is.

Art. 4.7.2.3 APV bepaalt dat het in het eerste lid van dat artikel gestelde reclameverbod niet geldt voor zover de Woningwet van toepassing is. Deze bepaling houdt evenwel niet in dat naast het regime van de Woningwet geen plaats meer is voor verlening van een APV-reclamevergunning.

Het derde lid van art. 4.7.2 geeft slechts een afbakening ten opzichte van hogere regelingen. Indien één van deze hogere regelingen van toepassing is, zoals in casu de Woningwet, is in zoverre het in art. 4.7.2.1 gestelde verbod niet van toepassing. De door die hogere regeling beschermde belangen mogen dan niet worden meegewogen bij de beslissing inzake het al dan niet verlenen van een vergunning als bedoeld in art. 4.7.2.1 APV.

Dit brengt met zich dat reclameconstructies die in het kader van de bouwvergunning zijn getoetst aan welstandseisen niet aan een welstandstoets in het kader van de vergunningverlening op basis van de APV kunnen worden onderworpen. Dit geldt echter niet voor hinder- en (verkeers)- veiligheidsaspecten die niet kunnen worden getoetst bij de verlening van een bouwvergunning.

Vernietigt het bestreden besluit.

College van burgemeester en wethouders van de gemeente Enschede, verweerder.

mr. H.G. Rottier

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 5:21
Gemeentewet 125
Woningwet 40
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK ALMELO

Sector Bestuursrecht -Enkelvoudige Kamer

Registratienummer: 01/555 GEMWT H1 A

UITSPRAAK

in het geschil tussen:

A en B, beiden wonende te C, eisers,

gemachtigde: mw. mr. Y.P. van Amelsvoort, advocaat te Breda,

en

het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Enschede, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder d.d. 5 juni 2001.

2. De feiten en het verloop van de procedure

Verweerder heeft op 25 maart 1998 aan D een reclamevergunning als bedoeld in artikel 4.7.2 van de Algemene Plaatselijke Vergunning (APV) verleend voor een dubbelzijdige lichtreclamezuil op het perceel […] […] te C.

Tegen deze reclamevergunning hebben eisers op 4 mei 1998 bezwaar gemaakt.

De Commissie voor bezwaar en beroep heeft op 29 december 1998 aan verweerder geadviseerd het bezwaarschrift van eisers gegrond te verklaren en ter zake van de reclamezuil alsnog een bouwvergunningsprocedure te volgen.

Naar aanleiding van dit advies heeft verweerder het bezwaarschrift van eisers van 4 mei 1998 gegrond verklaard en de reclamevergunning van 25 maart 1998 op 25 januari 1999 ingetrokken. D heeft vervolgens op 19 februari 1999 een bouwvergunning aangevraagd voor genoemde reclamezuil, welke op 20 april 1999 door verweerder is verleend.

Tegen deze bouwvergunning hebben eisers op 24 juni 1999 een bezwaarschrift ingediend. De Commissie voor bezwaar en beroep heeft op 28 december 1999 aan verweerder geadviseerd het bezwaarschrift van eisers van 24 juni 1999 gegrond te verklaren voor wat betreft de totstandkoming van het besluit maar het besluit gelet op artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in stand te laten en de bezwaren voor het overige ongegrond te verklaren.

Verweerder heeft tot op heden niet beslist op het bezwaarschrift van eisers van 24 juni 1999.

Op 25 augustus 1999 hebben eisers aan verweerder verzocht middels bestuursdwang op te treden tegen de door het bedrijf D op het perceel […] […] opgerichte dubbelzijdige lichtbakreclamezuil.

Bij besluit van 25 november 1999 heeft verweerder het verzoek van eisers om toepassing van bestuursdwang afgewezen.Tegen dit besluit is op 23 december 1999 namens eisers een bezwaarschrift ingediend.

Eisers zijn op 11 april 2000 omtrent hun bezwaren gehoord door de Commissie voor bezwaar en beroep. Deze commissie heeft op 28 april 2000 advies uitgebracht aan verweerder en heeft daarbij geadviseerd het bezwaarschrift van eisers ongegrond te verklaren en het besluit om niet op te treden tegen de reclamezuil op het perceel […] […] te handhaven.

Bij het bestreden besluit van 5 juni 2001 heeft verweerder overeenkomstig het advies van de Commissie voor bezwaar en beroep besloten het bezwaarschrift van eisers van 23 december 1999 ongegrond te verklaren en de afwijzing van het verzoek om toepassing van bestuursdwang te handhaven.

Tegen dit besluit heeft mw. mr. Y.J. van Amelsvoort op 9 juli 2001 namens eisers beroep ingesteld bij de rechtbank. Zij heeft de gronden van het beroep ingediend op 8 augustus 2001.

Verweerder heeft op 27 september 2001 een verweerschrift ingediend.

Het beroep is behandeld ter openbare zitting van de rechtbank van 29 november 2001, waar eiseres B in persoon zijn verschenen, bijgestaan door mw. mr. Y.P. van Amelsvoort, voornoemd, terwijl verweerder zich heeft doen vertegenwoordigen door mw. mr. MdC.A.J. Westerterp, ambtenaar van de gemeente Enschede.

3. Overwegingen

In de eerste plaats merkt de rechtbank naar aanleiding van hetgeen ter zitting door de gemachtigde van eisers is gesteld op, dat op grond van het door verweerder overgelegde collegebesluit dat aan het bestreden besluit ten grondslag ligt, bezien in samenhang met het delegatie- en mandaatbesluit van de gemeente Enschede, de sectormanager VROM krachtens (sub)mandaat bevoegd was het besluit namens verweerder te ondertekenen.

In geschil is vervolgens de vraag of het besluit van verweerder van 5 juni 2001, waarbij de bezwaren van eisers tegen de afwijzing van hun verzoek om toepassing van bestuursdwang ongegrond zijn verklaard, in rechte in stand kan blijven.

Dienaangaande overweegt de rechtbank het volgende.

In artikel 40, eerste lid, van de Woningwet wordt bepaald dat het verboden is te bouwen zonder of in afwijking van een door burgemeester en wethouders te verlenen bouwvergunning.

Ingevolge artikel 125, eerste lid, van de Gemeentewet is het gemeentebestuur bevoegd tot toepassing van bestuursdwang.

In artikel 5:21 van de Awb wordt onder bestuursdwang verstaan: het door feitelijk handelen door of vanwege een bestuursorgaan optreden tegen hetgeen in strijd met bij of krachtens enig wettelijk voorschrift gestelde verplichtingen is of wordt gedaan, gehouden of nagelaten.

Eisers hebben aan verweerder verzocht om handhavend op te treden tegen de door D geplaatste lichtreclamezuil omdat deze is geplaatst zonder een APV-vergunning, waardoor geen toetsing heeft plaatsgevonden aan de weigeringsgronden van artikel 4.7.2, vierde lid, van de APV.

Blijkens de stukken is voor de onderhavige lichtreclamezuil een bouwvergunning verleend op 25 april 1999. Weliswaar is tegen die bouwvergunning door eisers een bezwaarschrift ingediend, doch op dat bezwaar is nog niet beslist.

De vraag of de betreffende bouwvergunning al dan niet op goede gronden is verleend kan in het kader van het onderhavige geding niet aan de orde komen.

Rest de vraag of er naast genoemde bouwvergunning voor de reclamezuil tevens een reclamevergunning als bedoeld in artikel 4.7.2 van de APV vereist. Zoals eerder in deze uitspraak is aangegeven was op 25 maart 1998 een reclamevergunning verleend voor de reclamezuil doch is deze op 25 januari 1999 naar aanleiding van een daartegen door eisers ingediend bezwaarschrift ingetrokken.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat het bij de onderhavige reclamezuil gaat om een bouwvergunningplichtig bouwwerk, waarvoor niet aanvullend een reclamevergunning op grond van de APV benodigd is, zodat toetsing aan de weigeringsgronden van artikel 4.7.2, vierde lid, van de APV volgens verweerder niet aan de orde is.

Ingevolge in artikel 4.7.2, eerste lid, van de APV is het de rechthebbende op een onroerende zaak alsmede de hoofdgebruiker van die zaak verboden zonder vergunning van burgemeester en wethouders deze zaak of een daarop aanwezige zaak te gebruiken of het gebruik daarvan toe te laten voor het maken van handelsreclame met behulp van een opschrift, aankondiging of afbeelding in welke vorm dan ook, die vanaf de weg of vanaf een andere voor het publiek toegankelijke plaats zichtbaar is.

Artikel 4.7.2, derde lid, van de APV -voor zover hier van belang- bepaalt dat het in het eerste lid van dat artikel gestelde reclameverbod niet geldt voor zover de Woningwet van toepassing is. Deze bepaling houdt evenwel niet in dat naast het regime van de Woningwet geen plaats meer is voor verlening van een reclamevergunning ingevolge de APV, zoals verweerder kennelijk beoogt te stellen. Het derde lid van artikel 4.7.2 geeft slechts een afbakening ten opzichte van hogere regelingen. Indien één van deze hogere regelingen van toepassing is, zoals in casu de Woningwet, is in zoverre het in artikel 4.7.2, eerste lid, gestelde verbod niet van toepassing. De door die hogere regeling beschermde belangen mogen dan niet worden meegewogen bij de beslissing inzake het al dan niet verlenen van een vergunning als bedoeld in artikel 4.7.2, eerste lid, van de APV. Dit brengt met zich dat reclameconstructies die in het kader van de bouwvergunning zijn getoetst aan welstandseisen niet aan een welstandstoets in het kader van de vergunningverlening op basis van de APV kunnen worden onderworpen. Dit geldt echter niet voor hinder- en (verkeers)- veiligheidsaspecten die -gelet op de limitatieve opsomming van toetsingsgronden in artikel 44 van de Woningwet- niet kunnen worden getoetst bij de verlening van een bouwvergunning. Voorts is in casu geen sprake van een reclame-uiting op of aan een inrichting waarvoor een milieuvergunning ingevolge de Wet milieubeheer vereist is, zodat toetsing van hinderaspecten ook in dat verband niet kan plaatsvinden.

Gelet op het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat vanwege de voor de reclamezuil op het perceel […] […] verleende bouwvergunning geen reclamevergunning op grond van artikel 4.7.2. van de APV vereist is. De weigering om bestuursdwang toe te passen kan mitsdien niet worden gedragen door de motivering die verweerder daaraan ten grondslag heeft gelegd. Het bestreden besluit komt om die reden voor vernietiging in aanmerking.

Op grond van het vorenoverwogene acht de rechtbank het, gelet op het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht, billijk verweerder te veroordelen in de kosten die eisers redelijkerwijs hebben moeten maken in verband met de behandeling van dit beroep, zijnde de kosten van rechtsbijstand, alsmede de reiskosten van eiseres B in verband met het verschijnen ter zitting van de rechtbank.

Beslist wordt derhalve als volgt.

4. Beslissing

De Arrondissementsrechtbank Almelo,

Recht doende:

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

- verstaat dat verweerder een nieuw besluit op het bezwaar van eisers zal nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

- veroordeelt verweerder in de door eisers gemaakte proceskosten, welke kosten worden bepaald op ƒ 1.433,25 , door de gemeente Enschede te betalen aan eisers;

- verstaat dat de gemeente Enschede aan eisers het griffierecht ad ƒ 225,-- vergoedt.

Tegen deze uitspraak staat binnen zes weken na verzending hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State te Den Haag.

Gewezen en in het openbaar uitgesproken op 21 december 2001

door mr. H.G. Rottier, in tegenwoordigheid van G. Kootstra, griffier.

In afschrift verzonden op

AH