Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2001:AD8232

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
27-11-2001
Datum publicatie
30-01-2002
Zaaknummer
01/507 NABW Z1 A
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij toekenning bijzondere bijstand ten onrechte afgeweken van het bedrag waarvoor de kantonrechter de curator heeft gemachtigd om bij eiseres in rekening te brengen.

Op grond van art. 1:386, eerste lid BW, komt de kantonrechter de bevoegdheid toe om de beloning van de curator anders te regelen dan bij het uitspreken van de curatele of door de wet is aangegeven. Kantonrechter heeft op 23 maart 2000 curator gemachtigd om voor zijn werkzaamheden ingevolge het curatorschap t.b.v. eiseres een bedrag van f 4.942,63 bij haar in rekening te brengen. Het betreft hier een rechterlijke beschikking met formele rechtskracht. Derhalve is de rechtbank anders dan verweerder van oordeel dat verweerder ook voor wat betreft de hoogte van de hier bedoelde kosten in beginsel behoort uit te gaan van het oordeel van de kantonrechter.

Voor een nadere beoordeling is naar het oordeel van de rechtbank geen plaats.

Beroep gegrond en vernietiging besluit.

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Losser, verweerder

mr. J.G.J. Roelvink

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JABW 2002, 22
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK ALMELO

Sector Bestuursrecht - Enkelvoudige Kamer

Registratienummer: 01/507 NABW Z1 A

UITSPRAAK

in het geschil tussen:

A, wonende te B, eiseres, wettelijk vertegenwoordigd door A.G. Kieftenbeld, professioneel curator te Gouda,

gemachtigde: mr. H. Dammingh, advocaat te Utrecht,

en

Het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Losser, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder d.d. 6 maart 2001, verzonden op 15 mei 2001.

2. De feiten en het verloop van de procedure

Bij schrijven van 7 februari 2000 heeft de heer A.G. Kieftenbeld (hierna te noemen: de curator) zich, in de hoedanigheid van curator van eiseres, tot verweerder gewend met het verzoek eiseres over de periode 1 januari 1999 tot en met 31 december 1999 bijzondere bijstand toe te kennen in de kosten van curatorschap van ƒ 4.942,63.

Op 23 maart 2000 heeft de kantonrechter te Gouda de curator gemachtigd om aan eiseres voor zijn werkzaamheden in 1999 een bedrag van ƒ 4.942,63 in rekening te brengen.

Bij besluit van 18 augustus 2000 heeft verweerder besloten deze aanvraag voor bijzondere bijstand gedeeltelijk toe te kennen, namelijk voor een bedrag van ¦ 1.353,20. Bij het vaststellen van dit bedrag heeft verweerder aansluiting gezocht bij de uitspraak van rechtbank Arnhem d.d. 8 februari 2000, alsmede de aanbevelingen van de Kantonrechters van 7 juni 1999.

Bij schrijven van 12 september 2000 is namens eiseres en haar curator tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

Op 14 november 2000 heeft een hoorzitting plaatsgevonden.

Bij het bestreden besluit van 6 maart 2001 heeft verweerder op de daarin vervatte gronden de bezwaren van eiseres ongegrond verklaard.

Blijkens het namens eiseres en haar curator ingediende beroepschrift, kan zij zich niet verenigen met dit besluit.

Verweerder heeft op 25 juli 2001 de op de zaak betrekking hebbende gedingstukken overgelegd, alsmede een verweerschrift ingediend.

Het beroep is behandeld ter openbare zitting van de rechtbank van 30 oktober 2001, waar de curator in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. M.M. van Rijk, kantoorgenote van mr. H. Dammingh, voornoemd. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door G.J.M. Bolscher.

3. Overwegingen

In geschil is de vraag of het besluit van 6 maart 2001, waarbij de bezwaren van eiseres tegen het besluit van 18 augustus 2000 ongegrond zijn verklaard, in rechte in stand kan blijven.

Op grond van artikel 39, eerste lid, van de Abw heeft de alleenstaande of het gezin recht op bijzondere bijstand voor zover deze niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van burgemeester en wethouders niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm aanwezige draagkracht.

Ingevolge artikel 1:386, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) zijn - voor zover hier van belang - op het bewind van de curator de omtrent het bewind van de voogd gegeven voorschriften van overeenkomstige toepassing. Tenzij de beloning bij het uitspreken van de curatele anders is geregeld, komt de curator - de ouder daaronder begrepen - als beloning toe vijf ten honderd van de netto-opbrengst der door hem beheerde goederen. Op grond van bijzondere omstandigheden kan de kantonrechter, hetzij ambtshalve, hetzij op verzoek van de curator of van de onder curatele gestelde, voor bepaalde of onbepaalde tijd de beloning anders regelen dan bij het uitspreken van de curatele of door de wet is aangegeven.

Verweerder heeft bij het bestreden besluit overwogen dat niet in geschil is dat de kosten van curatorschap behoren tot de bijzondere noodzakelijke kosten van het bestaan als bedoeld in artikel 39 van de Abw. Het geschil spitst zich volgens verweerder toe op de vraag of hij op goede gronden de hoogte van de bijzondere bijstand over 1999 op f 1.353,20 heeft vastgesteld.

In verband hiermee heeft verweerder overwogen dat de Centrale Raad van Beroep (CRvB) op 25 april 2000 (JABW 2000/108) [url('ZB8765',http://www.rechtspraak.nl/uitspraak/show_detail.asp?ui_id=30643)] heeft geoordeeld dat kosten welke naar aard en strekking onlosmakelijk verbonden zijn aan ingesteld mentorschap in beginsel noodzakelijke kosten van het bestaan zijn die als zodanig tot het verlenen van bijzondere bijstand aanleiding kunnen geven. Daarbij heeft de CRvB volgens verweerder aangestipt dat burgemeester en wethouders een eigen verantwoordelijkheid hebben bij het beoordelen of in het betrokken geval aanspraak op bijzondere bijstand bestaat. Uit dat laatste leidt verweerder af dat hij een eigen verantwoordelijkheid heeft bij de uitvoering van de Abw en dientengevolge bevoegd is om de hoogte van de bijzondere bijstand - in afwijking van het bedrag van ƒ 4.942,63, dat eiseres naar aanleiding van de machtiging van de kantonrechter te Gouda van 23 maart 2000 verschuldigd is aan de curator - op een ander bedrag vast te stellen. Bij het vaststellen van de hoogte van dat bedrag is naar verweerders mening op goede gronden aansluiting gezocht bij de uitspraak van rechtbank Arnhem van 8 februari 2000 (JABW 2000/86) [url('AA5397',http://www.rechtspraak.nl/uitspraak/show_detail.asp?ui_id=18969)], alsmede bij de aanbevelingen van de kantonrechters van 7 juni 1999. Volgens verweerder treedt hij hiermee geenszins in de afwegingen van de kantonrechter te Gouda van 23 maart 2000.

Eiseres is, kort gezegd, van mening dat verweerder ten onrechte afwijkt van het bedrag waarvoor de kantonrechter te Gouda de curator heeft gemachtigd om bij eiseres in rekening te brengen.

Eiseres is van mening dat verweerder deze machtiging van de kantonrechter als uitgangspunt dient te nemen bij de toekenning van de bijzondere bijstand. Het staat verweerder volgens eiseres niet vrij in de afwegingen van de kantonrechter te treden. In verband hiermee verwijst eiseres naar de uitspraak van rechtbank Haarlem van 9 maart 2001, nr. NABW H V66 G14 K1.

Volgens eiseres interpreteert verweerder de hierboven vermelde uitspraak van de CRvB van 25 april 2000 voor wat betreft de eigen verantwoordelijkheid bij de uitvoering van de Abw op een onjuiste wijze. Volgens eiseres is de juiste interpretatie van deze uitspraak dat de eigen verantwoordelijkheid van verweerder ter zake ziet op de omstandigheid dat de uiteindelijke toekenning van bijzondere bijstand nog afhankelijk is van de draagkrachtberekening.

De rechtbank stelt op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting vast dat niet in geschil is dat de kosten in verband met ondercuratelestelling gerekend kunnen worden tot de noodzakelijke bestaanskosten, waarvoor in beginsel bijstand kan worden verleend.

In geschil is met name de vraag of verweerder ter uitvoering van de Abw met betrekking tot de hoogte van die kosten in beginsel behoort uit te gaan van de hierboven vermelde beschikking van de kantonrechter te Gouda van 23 maart 2000 of dat hij met betrekking tot die kosten een eigen afweging kan maken. Derhalve dient de vraag te worden beantwoord of verweerder er terecht van uitgegaan is dat de noodzakelijke kosten van curatorschap voor eiseres ƒ 1353,20 bedragen.

Op grond van het hiervoor aangehaalde artikel 1:386, eerste lid, BW komt de kantonrechter de bevoegdheid toe om de beloning van de curator anders te regelen dan bij het uitspreken van de curatele of door de wet is aangegeven. In dat kader heeft de kantonrechter op 23 maart 2000 de curator gemachtigd om voor zijn werkzaamheden ingevolge het curatorschap ten behoeve van eiseres een bedrag van ƒ 4.942,63 bij haar in rekening te brengen. Daarbij heeft de kantonrechter beoordeeld en vastgesteld dat de ingediende declaratie in een redelijke verhouding stond tot de verrichte activiteiten in verband met het uitoefenen van het curatorschap ten behoeve van eiseres. Het betreft hier een rechterlijke beschikking met formele rechtskracht. Derhalve is de rechtbank anders dan verweerder van oordeel dat verweerder ook voor wat betreft de hoogte van de hier bedoelde kosten in beginsel behoort uit te gaan van het oordeel van de kantonrechter. Voor een nadere beoordeling is naar het oordeel van de rechtbank hier geen plaats.

Daarbij heeft verweerder wel eigen verantwoordelijkheden met betrekking tot de aanspraak op bijzondere bijstand.

Gelet op het vorenstaande wijkt verweerder naar het oordeel van de rechtbank bij de toekenning van de bijzondere bijstand ten onrechte af van het bedrag waarvoor de kantonrechter te Gouda de curator heeft gemachtigd om bij eiseres in rekening te brengen. Het beroep is derhalve gegrond.

Op grond van het vorenoverwogene acht de rechtbank het, gelet op het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht, billijk verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van dit beroep, zijnde kosten van rechtsbijstand ad ƒ 1420,-- en de reiskosten voor het verschijnen ter zitting ad ƒ 63,--.

Beslist wordt derhalve als volgt.

4. Beslissing

De Arrondissementsrechtbank Almelo,

Recht doende:

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt op het bezwaarschrift van eiseres met inachtneming van het in deze uitspraak gestelde;

- veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten, welke kosten worden bepaald op ƒ 1483,--, door verweerder te betalen aan eiseres;

- verstaat dat verweerder aan eiseres het griffierecht ad ƒ 60,-- vergoedt.

Tegen deze uitspraak staat binnen zes weken na verzending hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep te Utrecht.

Gewezen en in het openbaar uitgesproken op 27 november 2001

door mr. J.G.J. Roelvink, in tegenwoordigheid van J. Wenniger, griffier.

Afschrift verzonden op

AW