Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2001:AD6845

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
14-11-2001
Datum publicatie
18-12-2001
Zaaknummer
01/35 WAO N1 A
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Het niet overleggen van het bestreden besluit vormt geen grote belemmering voor het goede verloop van de procedure en goede beoordeling van het beroep; derhalve in beroep ontvangen.

Uitkering op grond van de ZW beëindigd, omdat eiseres niet meer ongeschikt was voor haar werk. Verzet tegen het niet-ontvankelijk verklaren van het beroep, omdat het bestreden besluit niet is overgelegd, is gegrond verklaard. Het staat vast dat eiseres bij haar beroepschrift niet het bestreden besluit heeft gevoegd. De rechtbank heeft haar op dit verzuim gewezen. Echter ook binnen de daarbij gestelde termijn heeft zij geen besluit, althans niet het juiste besluit, overgelegd. Verder heeft eiseres erkend dat zij bij het instellen van het beroep wel over dit besluit beschikte. Daaruit volgt dat de rechtbank bevoegd is eiseres niet-ontvankelijk te verklaren. Bij de beoordeling of de rechtbank van deze bevoegdheid gebruik maakt, acht de rechtbank onder andere van belang in hoeverre het verzuim een goed verloop van de procedure en een goede beoordeling van het beroep in de weg staat.

Naar het oordeel van de rechtbank is hier in dat opzicht geen sprake van een grote belemmering. In het beroepschrift was immers duidelijk omschreven tegen welk besluit beroep werd ingesteld door het noemen van een datum, een kenmerk en, via een verwijzing, de inhoud van het besluit. Voor de rechtbank was daarom voorshands duidelijk wat de aard van het bestreden besluit was, terwijl ook verweerder kon identificeren welk besluit precies in geding was. Tegenover het belang van eiseres bij behandeling van het beroep staan geen zwaarwegende belangen van derden of algemene (rechts)belangen.

Aangezien ook anderszins geen gronden bestaan om eiseres niet-ontvankelijk te verklaren, zal de rechtbank het beroep ten gronde behandelen.

Het Landelijk instituut sociale verzekeringen, verweerder.

mr. M.E. van Wees

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 6:5
Algemene wet bestuursrecht 6:6
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2002/14
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK ALMELO

Sector Bestuursrecht - Enkelvoudige Kamer

Registratienummer: 01/35 WAO N1 A

UITSPRAAK

in het geschil tussen:

A, wonende te B, eiseres,

gemachtigde: mr. A. Taner te Enschede,

en

het Landelijk instituut sociale verzekeringen, gevestigd te Amsterdam, verweerder, in dezen vertegenwoordigd door de uitvoeringsinstelling Gak Nederland B.V., vestiging Enschede.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 4 december 2000.

2. De feiten en het verloop van de procedure

Nadat verweerder op een eerder tijdstip had beslist eiseres geen uitkering toe te kennen op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), ontving eiseres een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW). Op 31 januari 2000 heeft eiseres zich wederom ziek gemeld met rug- en nekklachten. Zij ontving vervolgens een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW). Bij besluit van 17 juli 2000 heeft verweerder geoordeeld dat eiseres met onmiddellijke ingang niet meer ongeschikt was voor haar werk en geen recht meer had op een uitkering ingevolge de ZW.

Tegen dit besluit heeft eiseres op 25 juli 2000 bezwaar gemaakt. Op 14 september 2000 is eiseres gehoord. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaarschrift van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres kan zich blijkens het beroepschrift van 8 januari 2001 niet met dit besluit verenigen.

Bij uitspraak van 20 februari 2001 heeft de rechtbank dit beroep niet-ontvankelijk verklaard omdat eiseres geen kopie van het bestreden besluit in het geding had gebracht. Eiseres heeft hiertegen verzet aangetekend. Op 13 juni 2001 heeft de rechtbank dit verzet gegrond geacht en is het vooronderzoek voortgezet in de stand waarin het zich bevond.

Verweerder heeft op 1 augustus 2001 een verweerschrift ingediend.

Het beroep is behandeld ter openbare zitting van de rechtbank van 18 oktober 2001, waar eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde, terwijl verweerder zoals aangekondigd niet is verschenen.

3. Overwegingen

In geschil is de vraag of het besluit van 4 december 2000 in rechte in stand kan blijven. Dit is het besluit van verweerder om het bezwaar ongegrond te verklaren tegen de weigering eiseres per 17 juli 2000 nog langer een ZW-uitkering te verstrekken.

Artikel 6:5, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) formuleert een van de eisen waaraan het indienen van een beroepschrift moet voldoen. Volgens dit voorschrift wordt bij een beroepschrift zo mogelijk een afschrift van het besluit overgelegd waarop het geschil betrekking heeft.

Voor zover relevant bepaalt vervolgens artikel 6:6 van de Awb dat als niet is voldaan aan artikel 6:5 een beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard. Voorwaarde daarvoor is evenwel dat de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.

Op grond van artikel 19, eerste en derde lid, van de ZW heeft een verzekerde recht op ziekengeld als hij ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid. Daarbij geldt dat deze ongeschiktheid het rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg moet zijn van ziekte of gebreken. Volgens vaste rechtspraak moet onder omstandigheden onder "zijn arbeid" worden verstaan passende, in billijkheid op te dragen arbeid. Dat is het geval als vaststaat dat de betrokkene blijvend ongeschikt is voor zijn oude werk en niet in enig werk heeft hervat. In een geval als dat van eiseres betekent dit concreet dat verweerder moet beoordelen of eiseres ongeschikt is voor de functies die bij de laatste WAO-beoordeling zijn geduid.

Voor de beoordeling van deze vraag hebben verschillende verzekeringsartsen in dienst van verweerder eiseres onderzocht. Uiteindelijk heeft verzekeringsarts T. van Wingerden op 17 juli 2001 vastgesteld dat de medische situatie van eiseres niet is gewijzigd ten opzichte van de laatste beoordeling in het kader van de WAO.

Na het bezwaarschrift heeft bezwaarverzekeringsarts H. Donker een herbeoordeling gemaakt. In zijn rapport van 9 november 2000 heeft deze, kort gezegd, het volgende geconcludeerd. Eiseres heeft een uitgebreide neurologische voorgeschiedenis en thans vooral een somatoform probleem bij psychosociale spanningen. De informatie van de huisarts en de neuroloog biedt geen aanknopingspunten voor nieuwe feiten. Weliswaar is voor het eerst sprake van langer bestaande klachten van psychische aard; er zijn echter geen aanwijzingen voor een geestesziekte, wat de huisarts bevestigt. Het zijn daarom geen klachten waardoor de eerder geduide functies niet kunnen worden uitgeoefend.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder naar aanleiding van het advies van de bezwaarverzekeringsarts besloten het bezwaarschrift van eiseres ongegrond te verklaren.

In beroep heeft eiseres aangevoerd dat zij zich vanwege haar lichamelijke en psychische beperkingen niet in staat acht de door de arbeidsdeskundige aangewezen werkzaamheden uit te voeren.

In het verweerschrift heeft verweerder medegedeeld dat het beroepschrift geen aanleiding geeft tot het formuleren van een inhoudelijke reactie.

De rechtbank overweegt hierover als volgt.

Als eerste heeft de rechtbank ambtshalve te toetsen of het beroep van eiseres ontvankelijk is. Eerder is in dit beroep na een vereenvoudigde behandeling niet-ontvankelijk verklaard omdat eiseres bij haar beroepschrift niet het bestreden besluit had gevoegd. Het verzet hiertegen heeft de rechtbank gegrond verklaard. Daarmee is echter nog geen definitieve beslissing gegeven over de ontvankelijkheid van het beroep. Het verzet heeft alleen teweeggebracht dat een uitgebreide behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden.

Het staat vast dat eiseres bij haar beroepschrift niet het bestreden besluit heeft gevoegd. De rechtbank heeft haar op dit verzuim gewezen. Echter ook binnen de daarbij gestelde termijn heeft zij geen besluit, althans niet het juiste besluit, overgelegd. Verder heeft eiseres erkend dat zij bij het instellen van het beroep wel over dit besluit beschikte. Daaruit volgt dat de rechtbank bevoegd is eiseres niet-ontvankelijk te verklaren.

Bij de beoordeling of de rechtbank van deze bevoegdheid gebruik maakt, acht de rechtbank onder andere van belang in hoeverre het verzuim een goed verloop van de procedure en een goede beoordeling van het beroep in de weg staat. Naar het oordeel van de rechtbank is hier in dat opzicht geen sprake van een grote belemmering. In het beroepschrift was immers duidelijk omschreven tegen welk besluit beroep werd ingesteld door het noemen van een datum, een kenmerk en, via een verwijzing, de inhoud van het besluit. Voor de rechtbank was daarom voorshands duidelijk wat de aard van het bestreden besluit was, terwijl ook verweerder kon identificeren welk besluit precies in geding was. Verder overweegt de rechtbank dat tegenover het belang van eiseres bij behandeling van het beroep geen zwaarwegende belangen van derden of algemene (rechts)belangen staan. Aangezien ook anderszins geen gronden bestaan om eiseres niet-ontvankelijk te verklaren, zal de rechtbank het beroep ten gronde behandelen.

De gemachtigde van eiseres heeft ter zitting te kennen gegeven dat hij veronderstelt dat met dit beroep het besluit van verweerder in het kader van de WAO in geding is. Dit is echter niet het geval. De rechtbank wijst erop dat hier slechts de uitkering aan de orde is op grond van de Ziektewet, meer precies de beslissing op bezwaar van 4 december 2000 tegen het besluit om eiseres vanaf 17 juli 2000 hersteld te verklaren in de zin van de Ziektewet. Dat dit het bestreden besluit is, blijkt uit de omschrijving in het beroepschrift en uit het uiteindelijk alsnog overgelegde afschrift van het bestreden besluit. De rechtbank leest in de stukken dat verweerder op 8 september 1999 een beslissing heeft genomen over de WAO-uitkering van eiseres en dat het bezwaar tegen dit besluit op 3 april 2000 ongegrond is verklaard. Van een beroep tegen deze laatste beslissing is in deze procedure niet gebleken.

Wat betreft de inhoud van het bestreden besluit, overweegt de rechtbank als volgt. In de voorbereiding van dit besluit heeft verweerder eiseres verschillende keren onderzocht. Verweerder had bij zijn beoordeling bovendien de beschikking over informatie van de behandelend neuroloog, neurochirurg en huisarts van eiseres. De gang van zaken zoals die uit de stukken blijkt, is zorgvuldig te noemen.

Verweerder heeft verder uitgebreid en begrijpelijk zijn standpunt onderbouwd waarom hij eiseres geschikt acht voor de door hem geselecteerde functies. Gelet daarop heeft hetgeen eiseres in de gedingstukken en ter zitting heeft aangevoerd de rechtbank niet kunnen overtuigen dat met haar beperkingen onvoldoende rekening is gehouden. Evenmin was dit aanleiding voor het instellen van een onafhankelijk medisch onderzoek.

Aan het oordeel van verweerder doet ook de overgelegde verklaring van huisarts Comsa niet af. De rechtbank stelt vast dat de overwegingen van de heer Comsa niet in grote mate verschillen van die van verweerder. De heer Comsa beschikt niet over andere informatie dan verweerder. Wel is zijn conclusie anders. Hij is van mening dat eiseres absoluut niet geschikt is om te reïntegreren in de arbeidsmarkt. De rechtbank wijst er echter op dat ook verweerder bij de beoordeling voor de WAO heeft vastgesteld dat eiseres slechts zeer beperkt belastbaar is. In deze omstandigheden moet doorslaggevende betekenis worden toegekend aan het oordeel van verweerder. Deze heeft immers een gedetailleerdere onderbouwing gegeven van zijn standpunt en beschikt bovendien op dit terrein over een specifieke deskundigheid. Dit is in mindere mate het geval bij de heer Comsa, die bovendien pas zeven maanden na de datum in geding zijn eigen onderzoek heeft uitgevoerd.

Uit het voorgaande volgt dat verweerder terecht heeft geoordeeld dat eiseres met ingang van 17 juli 2000 weer de functies kon uitoefenen die eerder geschikt voor haar waren bevonden.

De rechtbank beslist daarom als volgt.

4. Beslissing

De Arrondissementsrechtbank Almelo,

Recht doende:

verklaart het beroep ongegrond.

Tegen deze uitspraak staat binnen zes weken na verzending hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep te Utrecht.

Gewezen en in het openbaar uitgesproken op 14 november 2001

door mr. M.E. van Wees, in tegenwoordigheid van W. Nobbenhuis als griffier.

In afschrift verzonden op

AH