Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2001:AD4881

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
07-06-2001
Datum publicatie
29-10-2001
Zaaknummer
00/869 WW44 W1 A
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Woningwet 44c
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK ALMELO

Sector Bestuursrecht - Enkelvoudige Kamer

Registratienummer: 00 / 869 WW44 W1 A

UITSPRAAK

in het geschil tussen:

A, wonende te B, eiser,

gemachtigde: mevrouw mr. M.H. Blokvoort, advocaat te Enschede,

en

het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Borne, verweerder.

Derde-partij: C te D.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder d.d. 3 oktober 2000, kenmerk 6267.

2. De feiten en het verloop van de procedure

Eiser heeft verweerder verzocht hem een vergunning als bedoeld in artikel 40 van de Woningwet te verlenen voor het bouwen van een opslagruimte voor stro en/of de opvang van zoogkoeien op het perceel […]weg 1 te D, kadastraal bekend gemeente D, sectie […], nr. […].

Bij besluit van 24 augustus 1999 heeft verweerder de gevraagde bouwvergunning geweigerd. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de stro-opslag buiten het agrarisch bouwblok wordt gebouwd en dat daarom geen bouwvergunning kan worden verleend. Het is volgens verweerder in dit geval niet mogelijk om vrijstelling van de voorschriften van het bestemmingsplan "Rijksweg 1" te verlenen.

Tegen het besluit van 24 augustus 1999 heeft eiser bezwaar gemaakt bij verweerder. Hij wijst er- op dat het bouwwerk in kwestie niet buiten het agrarisch bouwblok wordt gebouwd en dat het ten dienste staat van zijn agrarisch bedrijf.

Naar aanleiding van de bezwaren van eiser heeft verweerder zich aanvankelijk op het standpunt gesteld dat er geen gronden waren om de gevraagde bouwvergunning te weigeren wegens strijd met het bestemmingsplan. Tegen dit voornemen zijn bedenkingen ingediend door C (hierna te noemen: C), de eigenaar en bewoner van het pand […]weg 1. C is van mening, dat de bouwvergunning niet kan worden verleend, omdat ook binnen het agrarisch bouw- blok de eis zou gelden dat ter plaatse daadwerkelijk van agrarische activiteiten sprake moet zijn.

Eiser en C zijn op 15 september 2000 in de gelegenheid gesteld hun standpunten nader tegenover verweerder toe te lichten, van welke gelegenheid zij gebruik hebben gemaakt.

Bij besluit van 3 oktober 2000 heeft verweerder de bezwaren van eiser tegen het besluit van 24 augustus 1999 ongegrond verklaard en de weigering om eiser een bouwvergunning voor een stro-opslag te verlenen, gehandhaafd. Verweerder heeft daarbij weliswaar erkend dat het bouwwerk in kwestie binnen het agrarisch bouwblok is geprojecteerd, doch meent dat ook in dat geval het bouwwerk ten dienste van een aldaar gevestigd agrarisch bedrijf moet staan.

Tegen dit besluit heeft eiser op 9 november 2000 beroep ingesteld bij de rechtbank. Hij is, anders dan verweerder, van mening dat het bouwplan niet in strijd is met het geldende bestemmingsplan en dat de bouwvergunning niet om die reden geweigerd had mogen worden.

Verweerder heeft op 23 november 2000 een verweerschrift ingediend.

Op 23 maart 2001 heeft C de rechtbank laten weten als derde-partij, als bedoeld in artikel 8:26, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) aan het geding te willen deelnemen.

Het beroep is behandeld ter openbare zitting van de rechtbank van 11 mei 2001, waar eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde mevrouw mr. M.H. Blokvoort, voornoemd. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door D. Pool, ambtenaar van de gemeente Borne.

Vervolgens heeft de rechtbank het onderzoek heropend als bedoeld in artikel 8:68, eerste lid, van de Awb, omdat gebleken is dat het onderzoek in deze procedure niet volledig is geweest. Verzuimd was aan C, dan wel zijn gemachtigde, een uitnodiging van de zitting van 11 mei 2001 te sturen.

Daarom heeft een tweede openbare behandeling plaatsgevonden ter zitting van de rechtbank van 28 mei 2001, waar dezelfde personen zijn verschenen die ter zitting van 11 mei 2001 aanwezig waren en waar bovendien het woord is gevoerd door C en zijn gemachtigde mr. H.J.P. Robers, advocaat te Hengelo (O).

3. Overwegingen

In geschil is de vraag of het besluit van 3 oktober 2000, waarbij verweerder de bezwaren van eiser tegen het besluit van 24 augustus 1999 ongegrond heeft verklaard en zijn weigering om eiser een bouwvergunning te verlenen voor een stro-opslag heeft gehandhaafd, in rechte in stand kan blij- ven. De rechtbank overweegt hieromtrent het volgende.

Het perceel in kwestie is gelegen in het gebied waarop het bestemmingsplan "Rijksweg 1" van de gemeente Borne betrekking heeft en is in dat plan bestemd tot "Agrarisch gebied". Een groot ge- deelte van het perceel is bovendien voorzien van de aanduiding "agrarisch bouwblok".

Blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting was ter plaatse vroeger een agrarisch bedrijf gevestigd, bestaande uit een boerderij met andere opstallen en agrarische gronden. Dat bedrijf is evenwel beëindigd en de boerderij wordt thans door C gebruikt voor woondoeleinden. De overige gronden zijn eigendom van eiser, die op korte afstand een agrarisch bedrijf uitoefent. Het agrarisch bouwblok ligt voor een groot gedeelte op de gronden van eiser. De gewijzigde feitelijke toestand heeft nog niet geleid tot een herziening van het bestemmingsplan.

Ingevolge artikel 5 van de planvoorschriften zijn de gronden met de bestemming "Agrarisch gebied" primair bestemd voor de uitoefening van het agrarisch bedrijf en voor zover de uitoefening van het agrarisch bedrijf zich daartegen niet verzet voor de instandhouding van aanwezige waardevolle landschapselementen, waaronder te verstaan zijn kampjes, houtwallen, boomgroepen, fraaie alleenstaande bomen, beekdalen en wegen.

Artikel 5, lid A, onder I.l, van de voorschriften luidt als volgt: met uitzondering van het bepaalde onder 2 mogen op de als zodanig bestemde gronden uitsluitend agrarische bedrijfsgebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd binnen de grenzen van een als zodanig op de plankaart aangeduid "agrarisch bouwblok", een en ander met inachtneming van hetgeen voorts in dat artikellid onder a tot en met g wordt bepaald.

Artikel 5, lid A, onder I.2, luidt als volgt: op de als zodanig bestemde gronden mogen buiten het op de plankaart als zodanig aangeduide "agrarisch bouwblok" uitsluitend bouwwerken ten dienste van een agrarisch bedrijf gebouwd worden, welke bouwwerken ter plaatse nodig zijn uit een oog- punt van doelmatig agrarisch grondgebruik, zoals veldschuren, melkstallen en schuilgelegenheden, een en ander met inachtneming van hetgeen voorts in dat artikellid onder a tot en met c wordt bepaald.

Verweerder wijst erop, dat uit de planvoorschriften blijkt dat buiten het agrarisch bouwblok alleen gebouwd mag worden ten dienste van een agrarisch bedrijf en als dat ter plaatse nodig is uit een oogpunt van doelmatig agrarisch grondgebruik. Volgens verweerder gelden deze eisen ook voor het bouwen binnen het agrarisch bouwblok. Verweerder volgt hiertoe een a-contrario redenering en gaat daarbij uit van artikel 5, lid A, onder I.2 van de voorschriften. Ter zitting is van de kant van verweerder benadrukt, dat in dit geval niet naar de letter, maar naar de geest van de planvoor- schriften gehandeld moet worden. Nu de ter plaatse aanwezige boerderij niet meer als zodanig wordt gebruikt, dienen de bouwmogelijkheden op het agrarisch bouwblok te vervallen, aldus verweerder.

De rechtbank kan dit standpunt van verweerder niet onderschrijven en overweegt daartoe het volgende.

Blijkens de bewoordingen van artikel 5, lid A, onder I.1, van de voorschriften wordt aan het oprichten van bebouwing binnen het agrarisch bouwblok alleen de eis gesteld, dat voldaan moet worden aan het bepaalde in dat artikellid onder a tot en met g.

Uit artikel 5, lid A, onder I.2, blijkt dat het oprichten van bebouwing buiten het agrarisch bouw- blok aan strengere eisen gebonden is. Zo dient gebouwd te worden ten dienste van een agrarisch bedrijf en moet de bebouwing nodig zijn uit een oogpunt van doelmatig agrarisch grondgebruik.

Dit onderscheid komt de rechtbank niet onjuist of onredelijk voor. Immers, het agrarisch bouw- blok is primair bedoeld voor het oprichten van bouwwerken. Op deze wijze wordt beoogd een te grote versnippering van bouwwerken over het agrarisch gebied tegen te gaan. Om die reden is het oprichten van bebouwing binnen het agrarisch bouwblok niet aan nadere beperkingen onderhevig. Buiten het agrarisch bouwblok dient het oprichten van bebouwing, om planologische redenen als hierboven vermeld, echter zoveel mogelijk te worden beperkt.

In het onderhavige geval is verzocht om binnen het agrarisch bouwblok een stro-opslag te mogen bouwen. Het komt de rechtbank uit een oogpunt van goede ruimtelijke ordening niet aanvaardbaar voor, dat aan het bouwen binnen het agrarisch bouwblok dezelfde eisen worden gesteld die gelden voor het bouwen buiten het bouwblok. De door verweerder voorgestane interpretatie van de plan- voorschriften moet dan ook in strijd met de rechtszekerheid worden geacht. Indien verweerder wil bereiken dat op het perceel […]weg 1 geen agrarische bouwwerken meer worden opgericht, omdat aldaar geen agrarisch bedrijf meer wordt uitgeoefend, zal hij de raad van zijn gemeente moeten voorstellen het bestemmingsplan in dier voege te wijzigen, dat het agrarisch bouwblok komt te vervallen. Zolang dat niet is gebeurd kan een aanvraag om een bouwvergunning als waarvan hier sprake is, niet worden geweigerd op de door verweerder gehanteerde grond. Van strijd met het bestemmingsplan als bedoeld in artikel 44, onder c, van de Woningwet is derhalve geen sprake.

Uit het voorgaande volgt, dat het beroep gegrond is en dat het bestreden besluit niet in rechte in stand kan worden gelaten. Dit besluit komt derhalve voor vernietiging in aanmerking.

Op grond van het vorenoverwogene acht de rechtbank het, gelet op het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb, billijk verweerder te veroordelen in de kosten die eiser redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van zijn beroep. Het betreft hier kosten van rechtsbijstand ten aanzien van het indienen van een beroepschrift en het tweemaal verschijnen ter zitting. Mede gelet op de Bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht onder C l ziet de rechtbank in dit geval aanleiding om voor het verschijnen op de tweede zitting de wegingsfactor 0,5 toe te passen. Dit betekent, dat de kosten van rechtsbijstand 2,5 x ƒ 710,-- bedragen, zijnde ƒ 1.775,--. Bovendien is sprake van reiskosten, zijnde tweemaal een retour Z-Almelo, ten bedrage van ƒ 18,50 in totaal.

Beslist wordt derhalve als volgt:

4. Beslissing

De Arrondissementsrechtbank Almelo,

Recht doende:

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van verweerder van 3 oktober 2000, kenmerk 6267;

- bepaalt dat verweerder met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen opnieuw een beslissing neemt op het bezwaarschrift van eiser tegen het besluit van 24 augustus 1999;

- veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten ten bedrage van ƒ 1.793,50, door de gemeente Borne te betalen aan eiser;

- verstaat dat de gemeente Borne aan eiser het door hem gestorte griffierecht, ad ƒ 225,--, vergoedt.

Tegen deze uitspraak staat binnen zes weken na verzending hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State te 's-Gravenhage.

Gewezen en in het openbaar uitgesproken op 7 juni 2001 door mr. J.H. Keuzenkamp, in tegenwoordigheid van mr. G.F.S. van der Kolk, griffier.

Afschrift verzonden op

av