Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2001:AB2694

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
13-06-2001
Datum publicatie
17-07-2001
Zaaknummer
00 / 925 REA H1 A
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Nu niet reeds eerder aan eiseres (A B.V.), maar aan voormalig werkgever X loonkostensubsidie (lks) is verstrekt, is aan eiseres ten onrechte een plaatsingsbudget a.b.i. art. 17 Wet REA geweigerd.

Werknemer P werkte bij werkgever X, doch werd wegens ziekte tot 1 januari 2000 gedetacheerd bij eiseres, nu bij X geen mogelijkheid was tot herplaatsing. Aan X is lks toegekend. Vanaf 1 januari 2000 is P een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd met eiseres aangegaan. Eiseres heeft een plaatsingsbudget t.b.v. werknemer P aangevraagd, hetwelk is geweigerd. Verweerder heeft daarbij overwogen dat t.b.v. P reeds een lks is verstrekt.

Rechtbank: De hoofdregel omtrent verstrekking van een plaatsingsbudget wordt verwoord in art. 17.1 Wet REA: op aanvraag wordt een plaatsingsbudget verstrekt aan de werkgever die met een arbeidsgehandicapte een dienstbetrekking aangaat voor de duur van tenminste zes maanden. De uitzondering op deze hoofdregel wordt vermeld art. 17.4: een plaatsingsbudget kan geheel of gedeeltelijk worden geweigerd, indien het plaatsingsbudget wordt aangevraagd voor een arbeidsgehandicapte voor wie reeds eerder aan de werkgever subsidie op basis van nader genoemde artikelen is verstrekt.

Ingevolge art. 1.r Wet REA is de werkgever de persoon tot wie een werknemer in dienstbetrekking staat. Vóór 1 januari 2000 was P weliswaar werkzaam bij eiseres, maar er was geen sprake van een dienstbetrekking tussen P en eiseres. P was tot die tijd in dienst bij X, waar hij ook op de loonlijst stond. Vanuit zijn arbeidsovereenkomst met X was P gedetacheerd bij eiseres.

Door eerst per 1 januari 2000 een arbeidsovereenkomst met P aan te gaan, is eiseres met ingang van die datum de werkgever van P geworden. Door het aangaan van dit dienstverband voor onbepaalde tijd dient op grond van art. 17.1 Wet REA aan eiseres, na aanvraag, een plaatsingsbudget te worden verstrekt. Van een weigering hiervan o.g.v. art. 17.4 Wet REA kan slechts sprake zijn als reeds eerder aan de werkgever subsidie is verstrekt. Nu vaststaat dat eiseres met ingang van 1 januari 2000 voor het eerst de werkgever van P is geworden, is aan deze voorwaarde niet voldaan.

Verweerder heeft derhalve ten onrechte een plaatsingsbudget aan eiseres geweigerd.

Beroep gegrond.

Lisv, verweerder.

mrs. Rottier, Keuzenkamp en Kuipers

Wetsverwijzingen
Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten 17
Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten 17
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK ALMELO

Sector Bestuursrecht - Enkelvoudige Kamer

Registratienummer: 00 / 925 REA H1 A

UITSPRAAK

in het geschil tussen:

A B.V., gevestigd te B, eiseres,

gemachtigde: mr. H.S. Wiertz, advocaat bij Roeloffzen & Wiertz te Oldenzaal,

en

het Landelijk instituut sociale verzekeringen, gevestigd te Amsterdam, verweerder, in dezen vertegenwoordigd door de uitvoeringsinstelling GAK Nederland B.V.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder d.d. 26 oktober 2000.

2. De feiten en het verloop van de procedure

Eiseres heeft op 20 januari 2000 een aanvraag om een plaatsingsbudget ten behoeve van haar werknemer P ingediend. Bij besluit van 19 april 2000 heeft verweerder de aanvraag afgewezen.

Eiseres heeft tegen dit besluit op 29 mei 2000 een bezwaarschrift ingediend. Bij besluit van 26 oktober 2000 heeft verweerder het bezwaarschrift ongegrond verklaard.

Blijkens het beroepschrift van 1 december 2000 kan eiseres zich met dit besluit niet verenigen. Verweerder heeft op 1 februari 2001 een verweerschrift ingediend.

Het beroep is behandeld ter openbare zitting van de rechtbank van 4 mei 2001, waar eiseres zich heeft doen vertegenwoordigen door V, bijgestaan door mr. Wiertz terwijl verweerder zich heeft doen vertegenwoordigen door G.J. Doeleman, medewerker van de afdeling Bezwaar en Beroep van GAK Nederland BV, districtskantoor Hengelo.

3. Overwegingen

In geschil is de vraag of het besluit van 26 oktober 2000 in rechte in stand kan blijven.

Ingevolge artikel 17, lid 1, van de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten (Wet REA) ver- strekt het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv) op aanvraag een subsidie in de vorm van een plaatsingsbudget aan de werkgever die met een arbeidsgehandicapte een dienstbetrekking aangaat voor de duur van tenminste zes maanden. Op grond van lid 4 van dit artikel kan het Lisv volgens door hem te stellen regels een subsidie als bedoeld in het eerste lid geheel of gedeeltelijk weigeren, indien de subsidie wordt aangevraagd voor een arbeidsgehandicapte voor wie reeds eer- der aan de werkgever subsidie op grond van nader genoemde artikelen is verstrekt. Deze nadere regels zijn neergelegd in artikel 6, lid 1 en 5 van de Regeling Werkgeverssubsidies REA (nader te noemen: de Regeling).

P is op 1 april 1995 als monteur […] bij X (hierna te noemen X) in dienst getreden. Met ingang van 17 maart 1997 is P uitgevallen ten gevolge van rugklachten. Bij X was geen mogelijkheid tot herplaatsing; deze mogelijkheid bestond wel bij eiseres, waar X een 50 % deelneming in heeft. Voor P is vervolgens bij eiseres een nieuwe functie gecreëerd, waar P op detacheringsbasis is gaan werken. Per einde wachttijd wordt P voor 15-25 % arbeidsongeschikt verklaard. Aangezien de feitelijke verdiensten zouden leiden tot een arbeidsongeschiktheidsklasse van 25-35 %, wordt voor vier jaren loonsuppletie toegekend. Tevens wordt aan X loonkostensubsidie toegekend. Met ingang van 1 januari 2000 is P een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd aangegaan met eiseres. Op grond hiervan wordt bij beschikking van 27 maart 2000 de loonkostensubsidie aan X met ingang van 1 januari 2000 beëindigd. Tegen deze beslissing is geen bezwaar ingediend, omdat deze beslissing door X en eiseres juist wordt geacht. Het door eiseres aangevraagde plaatsingsbudget wordt bij beslissing van 19 april 2000 geweigerd.

Eiseres voert tegen de bestreden beslissing aan dat verweerder onjuist heeft gemotiveerd op welke grondslag hij zijn primaire beslissing heeft gebaseerd. Voorts voert eiseres aan dat artikel 17 van de Wet REA verweerder niet de bevoegdheid geeft om de bepaling van artikel 6, lid 5, en onder- delen van lid 1 van de Regeling vast te stellen, zodat de aanvraag niet op grond van artikel 6 van de Regeling kan worden afgewezen. Subsidiair is eiseres van mening dat er geen sprake is van kennelijk onbedoeld gebruik.

Verweerder stelt dat de primaire beslissing was gebaseerd op artikel 17 van de Wet REA; er was slechts een verkeerd artikelnummer (artikel 15 van de Wet REA) aangehaald. Voorts stelt verweerder dat de aanvraag om een plaatsingsbudget op grond van artikel 6, lid 1, van de Regeling is afgewezen, omdat voor P al loonkostensubsidie is verstrekt op grond van artikel 62 van de WAO. Het plaatsingsbudget wordt verder op grond van lid 5 van artikel 6 van de Regeling geweigerd, omdat er sprake is van oneigenlijk gebruik. Dit omdat er volgens verweerder feitelijk geen sprake is van een nieuwe werkgever, volgens verweerder.

De rechtbank overweegt hiertoe het volgende.

Ten aanzien van de grondslag van de beslissing wordt in de primaire beslissing een onjuist artikel vermeld, namelijk artikel 15 van de Wet REA in plaats van artikel 17. In bezwaar wordt alsnog het juiste artikel vermeld, zodat hiermee de gemaakte fout is hersteld. Weliswaar is de rechtbank het niet eens met verweerder waar deze stelt dat het slechts de vermelding van een onjuist artikel betrof, doch in bezwaar maakt verweerder echter duidelijk dat artikel 17 van de Wet REA de grondslag vormt voor de genomen beslissing.

Nu verweerder de juiste grondslag aan eiseres in bezwaar duidelijk heeft gemaakt, is er geen reden de bestreden beslissing hierom te vernietigen.

De hoofdregel omtrent verstrekking van een plaatsingsbudget wordt verwoord in artikel 17, lid 1, van de Wet REA: op aanvraag wordt een plaatsingsbudget verstrekt aan de werkgever die met een arbeidsgehandicapte een dienstbetrekking aangaat voor de duur van tenminste zes maanden. De uitzondering op deze hoofdregel wordt vermeld in lid 4 van voornoemd artikel: een plaatsingsbudget kan geheel of gedeeltelijk worden geweigerd, indien het plaatsingsbudget wordt aangevraagd voor een arbeidsgehandicapte voor wie reeds eerder aan de werkgever subsidie op basis van nader genoemde artikelen is verstrekt.

Ingevolge artikel 1, sub r, van de Wet REA is de werkgever de persoon tot wie een werknemer in dienstbetrekking staat. Vóór 1 januari 2000 was P weliswaar werkzaam bij eiseres, maar er was geen sprake van een dienstbetrekking tussen P en eiseres. P was tot die tijd in dienst bij X, waar hij ook op de loonlijst stond. Vanuit zijn arbeidsovereenkomst met X was P gedetacheerd bij eiseres. Door eerst per 1 januari 2000 een arbeidsovereenkomst met P aan te gaan, is eiseres met ingang van die datum de werkgever van P geworden. Door het aangaan van dit dienstverband voor onbepaalde tijd dient op grond van artikel 17, lid 1, van de Wet REA aan eiseres, na aanvraag, een plaatsingsbudget te worden verstrekt. Van een weigering hiervan op grond van lid 4 van artikel 17 van de Wet REA kan slechts sprake zijn als reeds eerder aan de werkgever subsidie is verstrekt. Nu vaststaat dat eiseres met ingang van 1 januari 2000 voor het eerst de werkgever van P is geworden, is aan deze voorwaarde niet voldaan. Verweerder heeft derhalve ten onrechte een plaatsingsbudget aan eiseres geweigerd. Dit betekent, dat het bestreden besluit niet in rechte in stand kan worden gelaten. Gelet hierop kan de rechtbank behandeling van de stellingen van eiseres ten aanzien van de verbindendheid van (onderdelen van) de Regeling achterwege laten.

Op grond van het vorenoverwogene acht de rechtbank het, gelet op het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht, billijk verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van dit beroep, zijnde ƒ 1.420,-- en de reiskosten B - Almelo zijnde ƒ 5,--.

Beslist wordt derhalve als volgt.

4. Beslissing

De Arrondissementsrechtbank Almelo,

Recht doende:

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

- veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten, welke kosten worden bepaald op ƒ 1.420,--, door verweerder te betalen aan eiseres;

- verstaat dat verweerder aan eiseres de reiskosten ad ƒ 5,-- vergoedt;

- verstaat dat verweerder aan eiseres het griffierecht ad ƒ 60,- vergoedt;

Tegen deze uitspraak staat binnen zes weken na verzending hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep.

Gewezen door mr. Rottier, voorzitter, en mrs. Keuzenkamp en Kuipers, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Gerritsen, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 13 juni 2001

Afschrift verzonden op

av