Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2001:AB2319

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
27-06-2001
Datum publicatie
06-07-2001
Zaaknummer
39740 ha za 677 van 2000
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE ALMELO

zaaknummer: 39740 ha za 677 van 2000

datum uitspraak vonnis: 27 juni 2001 (vlc)

Vonnis van de arrondissementsrechtbank te Almelo, meervoudige kamer voor burgerlijke zaken, oordelend in hoger beroep in de zaak van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid ROTTINK TOERISME B.V.,

gevestigd en kantoorhoudende te Hengelo (O),

appellante,

hierna te noemen: Rottink,

procureur: mr. Ph.C. Kleyn van Willigen,

advocaat: mr. N.A. de Leeuw te Alphen aan de Rijn,

tegen

[GEDAAGDE1]en [GEDAAGDE2],

beiden wonende te [WOONPLAATS],

geïntimeerden,

hierna gezamenlijk te noemen: [GEDAAGDEN],

procureur: mr. H.A.A. Kienhuis,

advocaat: mr. F.J. Notermans te Valkenswaard.

Gehoord partijen en gezien de stukken, waaronder het vonnis van de kantonrechter te Enschede van 10 februari 2000, onder rolnummer 4340 van 1999 en zaaknummer 72428 gewezen tussen Rottink en [GEDAAGDEN] als respectievelijk eiseres en gedaagden.

Overweegt:

Over het procesverloop in hoger beroep:

Bij dagvaarding van 9 mei 2000 heeft Rottink [GEDAAGDEN] doen aanzeggen van het vonnis van de kantonrechter te Enschede van 10 februari 2000 in hoger beroep te komen. Rottink heeft vervolgens een memorie van grieven genomen en [GEDAAGDEN] een memorie van antwoord. Rottink heeft het procesdossier van de eerste instantie in het geding gebracht. Vervolgens heeft Rottink pleidooi gevraagd, dat op 14 mei 2001 heeft plaatsgevonden. De raadslieden van beide partijen hebben tijdens het pleidooi gebruik gemaakt van pleitnotities. Deze notities behoren bij de stukken. Na afloop van het pleidooi hebben partijen vonnis gevraagd. De uitspraak is bepaald op vandaag.

Over het recht:

1. In deze zaak staat als gesteld en erkend, dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken en/of blijkend uit niet-betwiste overgelegde producties, het navolgende vast.

a. [GEDAAGDEN] hebben op 7 april 1998 opdracht gegeven aan Rottink tot boeking van een door De Boer en Wendel georganiseerde 25-daagse rondreis voor vier personen door Indonesië met vertrek 20 juli 1998, zoals nader omschreven in een terzake opgemaakte orderbevestiging, gedateerd 16 april 1998. Het eiland Irian Jaya zou niet worden aangedaan. De reissom bedraagt ƒ 24.864,70.

b. De boekingsbevestiging vermeldt onder meer dat [GEDAAGDEN] een aanbetaling zijn verschuldigd van ƒ 3.546,80, per omgaande te voldoen. Het restant van de reissom diende vóór 8 juni 1998 te worden voldaan. [GEDAAGDEN] hebben de aanbetaling en het restant van de reissom niet voldaan.

c. Op 1 april 1998 heeft het Ministerie van Buitenlandse Zaken reisinformatie verschaft over de situatie in Indonesië aan de ANVR en de ANWB (reisinfo-231). Voorzover van belang luidt dit bericht: ‘In verband met de huidige economische en politieke situatie in Indonesië wordt reizigers aangeraden de ontwikkelingen goed te blijven volgen en uit de buurt te blijven van samenscholingen. Reizen naar Irian Jaya wordt ontraden, mede gezien het feit dat nieuwe gijzelnemingen niet kunnen worden uitgesloten.’ Reisinfo-237 van 8 mei 1998 van het Ministerie van Buitenlandse Zaken heeft de informatie over Indonesië als volgt bijgesteld: ‘In verband met de huidige economische en politieke situatie in Indonesië wordt reizigers aangeraden de ontwikkelingen goed te blijven volgen en uit de buurt te blijven van samenscholingen. In verschillende steden vinden er studentendemonstraties plaats. Blijf uit de buurt van universiteiten. N.a.v. de recente onlusten worden reizigers geadviseerd om Medan (Noord Sumatra) te mijden, indien hun aanwezigheid daar niet strikt noodzakelijk is.’

Reisinfo-238 van 14 mei 1998 luidt: ‘Gelet op de huidige situatie in Indonesië, zijn reizen naar dat land op dit moment te gevaarlijk. Reizigers met reisplannen naar Indonesië wordt ten stelligste aangeraden hun reizen voorlopig uit te stellen.’

Naar aanleiding van reisinfo-238 heeft het Overlegplatform Vakantiereisadviezen een negatief reisadvies afgegeven voor Indonesië.

a. Op 21 mei 1998 is president Soeharto afgetreden.

b. Op 2 juni 1998 heeft het Ministerie van Buitenlandse Zaken van België een persbericht uitgegeven, onder meer inhoudende: ‘Belgen die van plan waren naar Indonesië te gaan, wordt (…) nog altijd aangeraden om van hun reis af te zien, behalve in geval van dringende redenen.’

c. Op 5 juni 1998 heeft het Overlegplatform Vakantiereisadviezen geadviseerd het reisadvies voor Indonesië te handhaven voor vertrekdata tot en met 15 juni 1998, met uitzondering van het eiland Bali. Bij brief van 5 juni 1998 heeft Rottink [GEDAAGDEN] van het negatief reisadvies op de hoogte gesteld en hen aangeboden bij dezelfde touroperator een reis uit te zoeken met een andere bestemming. [GEDAAGDEN] hebben van deze mogelijkheid geen gebruik gemaakt.

d. Op 9 juni 1998 heeft het Ministerie van Buitenlandse Zaken nieuwe reisinformatie over Indonesië afgegeven (reisinfo-256), deze luidt, voorzover van belang: ‘De veiligheidssituatie in Indonesië is thans genormaliseerd. Men dient er rekening mee te houden dat er nog steeds geen sprake is van een stabiele politieke en veiligheidssituatie. In verband met de huidige economische situatie alsmede de mogelijkheid van plaatselijke voedseltekorten moet rekening worden gehouden met de mogelijkheid van demonstraties en ongeregeldheden, alsmede een toename van kleine criminaliteit. Reizigers wordt geadviseerd de nodige voorzichtigheid in acht te nemen, de ontwikkelingen goed te blijven volgen en uit de buurt te blijven van samenscholingen en universiteiten.’

Naar aanleiding van dit bericht heeft het Overlegplatform Vakantiereisadviezen besloten het negatief reisadvies voor Indonesië op te heffen.

a. Bij brief van 9 juni 1998 heeft Rottink [GEDAAGDEN] bericht dat het negatief reisadvies voor Indonesië van het Nederlandse Ministerie van Buitenlandse Zaken en het Overlegplatform Vakantiereisadviezen is ingetrokken en dat de geboekte reis met vertrek op 20 juli 1998 doorgang kan vinden. Bij brief van 16 juni 1998 hebben [GEDAAGDEN] Rottink laten weten af te zien van de reis. Bij brief van 19 juni 1998 hebben [GEDAAGDEN], onder verwijzing naar het persbericht van het Belgische Ministerie van Buitenlandse Zaken van 2 juni 1998 deze stellingname bevestigd.

b. Rottink heeft de door [GEDAAGDEN] geboekte reis vervolgens geannuleerd en hen een annuleringsnota, gedateerd 23 juli 1998, ad ƒ 3.536,10 gestuurd. Rottink heeft [GEDAAGDEN] vaker gesommeerd dit bedrag te voldoen.

c. Een 12 juni 1998 gedateerde ‘American Embassy Public Announce’ vermeldt onder meer: ‘Although de violence has subsided, the political and economic situation in Indonesia remains unsettled. (…) Employees of the U.S. Embassy in Jakarta and the U.S. Consulate in Surabaya and their dependents who were ordered to depart Indonesia on May 14, 1998 have now been permitted to return.’

2. Rottink heeft in eerste aanleg gevorderd [GEDAAGDEN] hoofdelijk te veroordelen aan haar te betalen een bedrag van ƒ 4.078,82, bestaande uit een hoofdsom van ƒ 3.546,80 en een bedrag van ƒ 532,02 aan buitengerechtelijk incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 juli 1998 en met veroordeling van [GEDAAGDEN] in de proceskosten.

Rottink heeft aan haar vordering ten grondslag gelegd dat [GEDAAGDEN] gehouden zijn de annuleringskosten, bestaande uit een bedrag van ƒ 3.546,80, te betalen, nu zij hebben opgezegd en er geen sprake is van een opzeggingsgrond die hen niet zou behoren te worden toegerekend.

3. [GEDAAGDEN] hebben zich tegen de vordering van Rottink verweerd en zich op het standpunt gesteld dat de door hen geboekte rondreis door Indonesië geen doorgang kon vinden zodat zij niet gehouden zijn tot betaling van welke onkosten of uitgaven dan ook. [GEDAAGDEN] hebben betoogd dat het om veiligheidsredenen, verband houdend met de politieke onrust in het land, niet verantwoord was om op het geplande tijdstip een rondreis door Indonesië te maken.

3. De kantonrechter heeft de vordering van Rottink afgewezen, onder veroordeling van Rottink in de kosten van de procedure, begroot op nihil. De kantonrechter heeft aan zijn vordering ten grondslag gelegd dat de mededeling bij de opheffing van het negatief reisadvies, erop neerkomende dat nog steeds sprake is van een onstabiele politieke en veiligheidssituatie, ‘…zo dicht [komt] bij crediteursverzuim, dat Rottink daarin aanleiding had moeten vinden om op dezelfde wijze als bij een negatief reisadvies te handelen’.

3. Rottink heeft tegen het vonnis van de kantonrechter een aantal grieven gericht, zoals geformuleerd in de memorie van grieven. Rottink heeft in hoger beroep haar standpunt gehandhaafd en gevorderd het vonnis van de kantonrechter van 10 februari 2000 te vernietigen en [GEDAAGDEN] alsnog te veroordelen aan haar te betalen een bedrag van ƒ 4.078,82, te vermeerderen met de wettelijke rente over een bedrag van ƒ 3.546,80 vanaf 1 juli 1998 [volgens het petitum van de dagvaarding in hoger beroep: 16 april 1998] tot aan de dag van de algehele voldoening en met veroordeling van [GEDAAGDEN] in de kosten van beide instanties. Rottink heeft benadrukt dat na opheffing van het negatief reisadvies de situatie in Indonesië vergelijkbaar was met de situatie ten tijde van de boeking. Bovendien, zo heeft Rottink aangevoerd, betrof het in het geval van [GEDAAGDEN] een georganiseerde rondreis, waarbij gebruik zou worden gemaakt van particulier busvervoer, goede hotels en de deskundigheid en plaatselijke bekendheid van een ervaren gids en een lokale agent.

4. [GEDAAGDEN] heeft de vordering in hoger beroep gemotiveerd bestreden en zich op het standpunt gesteld dat de situatie in Indonesië ook na 9 juni 1998 in het algemeen zo onrustig en onveilig was dat zij hun reis hebben kunnen opzeggen zonder annuleringskosten te zijn verschuldigd.

De beoordeling in hoger beroep:

3. De rechtbank stelt voorop dat de volharding van [GEDAAGDEN] in hun standpunt om af te zien van hun rondreis door Indonesië, zoals blijkend uit hun brieven van 16 en 19 juni 1998, moet worden begrepen als een opzegging van de reisovereenkomst in de zin van artikel 7:503 van het Burgerlijk Wetboek. Ingevolge het tweede lid van die bepaling vergoedt de reiziger de reisorganisator de schade die deze tengevolge van de opzegging lijdt, tenzij de reiziger opzegt wegens een niet aan hem toe te rekenen omstandigheid, in welk geval de reiziger, ingevolge artikel 7:503 lid 3 van het Burgerlijk Wetboek, recht heeft op teruggave of kwijtschelding van de reissom.

3. Gelet hierop dringt de vraag zich op of de reden die [GEDAAGDEN] hebben aangevoerd ter ondersteuning van hun standpunt dat zij konden afzien van de door hen geboekte rondreis, kan worden beschouwd als een omstandigheid in de zin van artikel 7:503 lid 3 van het Burgerlijk Wetboek op basis waarvan [GEDAAGDEN] konden opzeggen zonder de in rekening gebrachte annuleringskosten te zijn verschuldigd.

De rechtbank is van oordeel dat deze vraag ontkennend moet worden beantwoord. Hierbij is het volgende in aanmerking genomen.

3. Op 9 juni 1998 is het negatief reisadvies voor Indonesië van het Ministerie van Buitenlandse Zaken en het Overlegplatform Vakantiereisadviezen, dat vanaf 14 mei 1998 heeft gegolden, opgeheven. De bewuste reisinformatie (reisinfo-256) komt er op neer - kort samengevat - dat de veiligheidssituatie in Indonesië is genormaliseerd en dat toeristen vanwege de onzekere economische en politieke situatie nog steeds de nodige voorzichtigheid moeten betrachten bij een bezoek aan het land. Deze reisinformatie was ten tijde van de mededeling en de daarop volgende bevestiging van [GEDAAGDEN] om af te zien van de rondreis door Indonesië, te weten op 16 en 19 juni 1998, nog steeds van kracht.

Tegen de achtergrond hiervan en mede gelet op de overige feiten en omstandigheden van het geval kan niet worden gezegd dat op het moment dat [GEDAAGDEN] geacht moeten worden de reisovereenkomst te hebben opgezegd de toestand in Indonesië en de daarop gebaseerde verwachting hoe de situatie tijdens de rondreis zou zijn, voor [GEDAAGDEN] een overmachtsituatie vormde op grond waarvan zij konden opzeggen zonder gehouden te zijn de annuleringskosten voor hun rekening te nemen.

Hierbij is ook in aanmerking genomen dat (rond)reizen in een land als Indonesië een naar verhouding verhoogd veiligheidsrisico meebrengt, al was het maar vanwege het onvermijdelijke intensieve gebruik van transportmiddelen en eventuele (neven)effecten van een ten opzichte van Nederland en/of België wezenlijk ander (politiek) klimaat. Reizigers die een dergelijke rondreis boeken, zoals [GEDAAGDEN], worden geacht dat verhoogde risico als een consequentie van hun reis te hebben aanvaard, wat van betekenis is voor de beoordeling van de veiligheidssituatie in het land van bestemming als een eventuele grond voor kosteloze opzegging. Dit uitgangspunt heeft de rechtbank ook in dit geval mee laten wegen, te meer daar [GEDAAGDEN] de rondreis door Indonesië hebben geboekt op een moment (7 april 1998) waarop het in Indonesië op veel plaatsen al onrustig was, wat ook toen redelijkerwijs als algemeen bekend mocht worden verondersteld.

10. De berichten van het Ministerie van Buitenlandse Zaken van België en de Amerikaanse ambassade in Indonesië van respectievelijk 2 juni 1998 en 12 juni 1998 laten het voorgaande onverlet. Het Belgische bericht van 2 juni 1998 houdt weliswaar een negatief reisadvies voor Indonesië in, maar nu gesteld noch is gebleken dat die informatie ook nog van kracht was op het moment dat [GEDAAGDEN] de reisovereenkomst hebben opgezegd, is het van ondergeschikte betekenis voor de beoordeling van de situatie na 9 juni 1998. Het persbericht van de Amerikaanse ambassade in Indonesië is evenmin voldoende reden om van een overmachtsituatie voor [GEDAAGDEN] te spreken, ook niet in combinatie met de overige feiten en omstandigheden. Inderdaad wordt in het bericht benadrukt dat de politieke en economische situatie onzeker blijft, maar tegelijkertijd wordt het personeel van de ambassade en het consulaat, dat op 14 mei 1998 de opdracht had gekregen het land te verlaten, toestemming gegeven naar Indonesië terug te keren.

11. De rechtbank komt dan ook tot de slotsom dat naar de stellingen van [GEDAAGDEN] een omstandigheid als bedoeld in artikel 7:503 lid 3 van het Burgerlijk Wetboek onvoldoende aannemelijk is geworden, zodat [GEDAAGDEN] gehouden zijn de hen door Rottink in verband met hun opzegging in rekening gebrachte annuleringskosten te betalen.

Het vonnis van de kantonrechter zal daarom worden vernietigd.

12. De rechtbank zal de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten toewijzen. Er bestaat een reden voor vergoeding van kosten die zijn gericht op voldoening buiten rechte en die geen betrekking hebben op verrichtingen waarvoor de in de artikelen 56 en 57 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering een vergoeding plegen in te sluiten, als in voldoende mate is gesteld dat dergelijke kosten zijn gemaakt. Rottink heeft weliswaar niet met zoveel woorden gesteld dat er buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht, maar uit de processtukken blijkt duidelijk dat dergelijke werkzaamheden daadwerkelijk zijn uitgevoerd en dat zij meer inhielden dan het sturen van een enkele aanmaning. Ook gezien het feit dat het terzake gevorderde bedrag niet meer bedraagt dan het equivalent van twee punten van het bij de kantonrechter te hanteren liquidatietarief - en een bedrag van 15% van de hoofdsom niet overstijgt -, zal het bedrag van ƒ 532,02 aan buitengerechtelijk incassokosten worden toegewezen.

Voorzover Rottink de wettelijke rente heeft gevorderd over een bedrag inclusief de vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten - anders dan volgens het petitum van de dagvaarding in hoger beroep, heeft Rottink in haar memorie van grieven een veroordeling gevorderd tot betaling van de wettelijke rente over de hoofdsom én de buitengerechtelijke incassokosten -, moet de vordering worden afgewezen, aangezien Rottink niet heeft gesteld of en, zo ja, wanneer zij buitengerechtelijke kosten heeft betaald.

13. [GEDAAGDEN] zullen als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van beide instanties worden veroordeeld. Hierbij is er van uitgegaan dat Rottink overeenkomstig de conclusie van haar memorie van grieven de wettelijke rente heeft gevorderd vanaf 1 juli 1998. In het petitum van de dagvaarding in hoger beroep staat in hetzelfde verband weliswaar 16 april 1998 vermeld, maar in eerste instantie heeft Rottink de wettelijke rente vanaf 1 juli 1998 ook gevorderd en bovendien mag een dergelijke inconsistentie tussen de dagvaarding in hoger beroep en de memorie van grieven niet ten nadele van de wederpartij worden uitgelegd.

De rechtbank zal [GEDAAGDEN] verder hoofdelijk veroordelen, conform de eis in eerste aanleg; de rechtbank gaat er van uit dat het feit dat Rottink in hoger beroep geen hoofdelijke veroordeling heeft gevorderd een kennelijke misslag betreft.

De rechtbank Almelo,

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP:

I. vernietigt het vonnis van de kantonrechter te Enschede van 10 februari 2000, rolnummer 4340 van 1999 en zaaknummer 72428;

I. veroordeelt [GEDAAGDEN] hoofdelijk om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan Rottink te betalen een bedrag van ƒ 4.078,82 (zegge: vierduizend achtenzeventig 82/100 gulden), te vermeerderen met de wettelijke rente over een bedrag van ƒ 3.546,80 vanaf 1 juli 1998 tot aan de dag van de algehele voldoening;

I. veroordeelt [GEDAAGDEN] hoofdelijk in de kosten van beide instanties, tot aan deze uitspraak aan de kant van Rottink begroot op ƒ 894,60 aan verschotten en ƒ 2.790,- aan het salaris van de procureur;

I. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad; en

I. wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen te Almelo door mr. Van Lookeren Campagne, mr. Kuipers en mr. Beuving en is op 27 juni 2001 in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.