Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2001:AB2037

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
30-05-2001
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
00/580 GEMWT H1 A
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK ALMELO

Sector Bestuursrecht - Enkelvoudige Kamer

Registratienummer: 00/580 GEMWT H1 A

UITSPRAAK

in het geschil tussen:

[eiser] e.a., wonende te Hengelo, eisers,

gemachtigde: F.H.N. Leushuis,

en

het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Hengelo, verweerder.

derde belanghebbende: de Staat der Nederlanden

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder d.d. 13 juni 2000.

2. De feiten en het verloop van de procedure

2.1. Eisers hebben bij schrijven van 2 juni 1999 verweerder verzocht bestuursdwang toe te passen tegen Rijkswaterstaat of het Ministerie van Verkeer en Waterstaat teneinde adequate geluidsbeperkende voorzieningen te treffen op de Rijksweg A1 in verband met de te hoge geluidbelasting.

2.2. Bij besluit van 21 oktober 1999 heeft verweerder dit verzoek afgewezen. Verweerder heeft daarbij overwogen dat hij het toepassen van bestuursdwang in dit soort zaken een onvoldoende geschikt middel vindt en dat daarom is gekozen voor het opleggen van een dwangsom.

Eisers hebben op 31 oktober 1999 tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

2.3. In het kader van de behandeling van hun bezwaren zijn eisers op 5 april 2000 gehoord door de commissie voor bezwaarschriften van de gemeente Hengelo. Deze commissie heeft verweerder op 11 mei 2000 geadviseerd de bezwaren van eisers ongegrond te verklaren.

2.4. Bij besluit van 13 juni 2000 heeft verweerder conform dit advies besloten.

2.5. Eisers hebben op 21 juli 2000 tegen dat besluit beroep ingesteld.

2.6. Verweerder heeft op 21 augustus 2000 een verweerschrift ingediend.

2.7. Het beroep is gevoegd behandeld met het beroep van de Staat der Nederlanden, dat bij deze rechtbank is geregistreerd onder nummer AWB 00/1002 GEMWT A 0, ter openbare zitting van de rechtbank van 23 april 2001, waar eisers in persoon en bijgestaan door hun gemachtigde zijn verschenen, terwijl verweerder zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. G.A. van der Veen, advocaat te Breda, en mr. H.B.M. Wolsink, ambtenaar van de gemeente Hengelo terwijl bij die gelegenheid de Staat der Nederlanden is vertegenwoordigd door mr. J.H. Geerdink, advocaat te Den Haag.

3. Overwegingen

3.1. In geschil is de vraag of het besluit van verweerder van 13 juni 2000, waarbij de bezwaren van eisers tegen het besluit van 21 oktober 1999 ongegrond zijn verklaard, in rechte in stand kan blijven.

3.2. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de Staat der Nederlanden artikel 3 van de planvoorschriften overtreedt en dat hij derhalve bevoegd is om ten aanzien van die overtreding handhavend op te treden. Verweerder heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat de oplegging van een last onder dwangsom aan de Staat der Nederlanden de meest adequate reactie op die overtreding is.

3.3. Eisers bestrijden deze opstelling. Zij zijn, kort gezegd, van mening dat verweerder zelf op eenvoudige wijze een aantal geluidsreducerende voorzieningen kan aanbrengen en de kosten daarvan door toepassing van artikel 5:25 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op de Staat der Nederlanden kan verhalen.

3.4. De rechtbank overweegt dienaangaande het volgende.

3.4.1. Ingevolge artikel 3, aanhef en onder a, van de voorschriften bij het bestemmingsplan Rijksweg 1, gedeelte Buren-Hengelo Oost (planvoorschriften) zijn de gronden met de bestemming Verkeersdoeleinden I bestemd voor een dubbelbaans autosnelweg, per rijbaan bestaande uit 2 rijstroken en een vluchtstrook, voor met een dergelijke weg verband houdende werken zoals toegangswegen, andere wegen, ongelijkvloerse kruisingen en kruispunten, duikers en geluidwerende voorzieningen, alsmede voor bermen en sloten en landschappelijke voorzieningen, met dien verstande dat ten aanzien van bestaande woningen voldaan moet worden aan de in de Wet geluidhinder (wet van 16 februari 1979, Stbl. 99) vastgestelde maximaal toegelaten geluidbelasting.

3.4.2. Ingevolge artikel 3, Lid B, eerste lid, van de planvoorschriften is het verboden de tot Verkeersdoeleinden I bestemde gronden te gebruiken op een wijze of tot een doel, strijdig met de aan de grond gegeven bestemming.

3.4.3. Op grond van artikel 5:21 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt onder bestuursdwang verstaan: het door feitelijk handelen door of vanwege een bestuursorgaan optreden tegen hetgeen in strijd met bij of krachtens enig wettelijk voorschrift gestelde verplichtingen is of wordt gedaan, gehouden of nagelaten.

3.4.4. Om vast te stellen of verweerder bevoegd was om de last onder dwangsom op te leggen, moet worden beoordeeld of er in casu sprake is van een schending van een algemeen verbindend voorschrift, en dient met name de vraag te worden beantwoord of in strijd met artikel 3, aanhef en onder h van de planvoorschriften is gehandeld. Allereerst moet daarom worden vastgesteld wat de betekenis is van artikel 3, aanhef en onder h, van de planvoorschriften.

3.4.5. De rechtbank leidt uit de gekozen bewoordingen van artikel 3, aanhef en onder h, van de planvoorschriften, de verwijzing naar de op dat moment nog niet van kracht zijnde Wgh en de toelichting bij het bestemmingsplan af dat met dit planvoorschrift werd beoogd te anticiperen op een wettelijke verplichting die in de Wgh was opgenomen, maar die nog niet in werking was getreden. In algemene termen geformuleerd komt deze verplichting uit de Wgh er op neer dat als een bestemmingsplan wordt voorbereid dat betrekking heeft op een weg, een akoestisch onderzoek wordt ingesteld naar de doeltreffendheid van de maatregelen teneinde te voorkomen dat in de toekomst de geluidsbelasting voor bepaalde woningen langs die weg te hoog zou worden. De desbetreffende bepaling uit de Wgh ziet derhalve met name op de fase van de aanleg van een weg. De rechtbank leidt daar uit af dat werd beoogd om dezelfde waarborgen in het leven te roepen als die uit de Wgh. Een dergelijk onderzoek en de in dat verband te treffen maatregelen zijn eenmalig, in die zin dat er op basis van de Wgh geen actieve, afdwingbare verplichting op de wegbeheerder rust om de geluidsbelasting van een eenmaal gerealiseerde weg terug te dringen tot, of te houden op het niveau zoals dat in de desbetreffende bepalingen van de Wgh is neergelegd, dan wel om periodiek de geluidsbelasting opnieuw te onderzoeken. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de opstellers van het bestemmingsplan met artikel 3, aanhef en onder h, van de planvoorschriften evenmin hebben beoogd een dergelijke actieve verplichting op te leggen. Dit zou immers betekenen dat de planvoorschriften verdergaande verplichtingen opleggen dan de Wgh. Tevens zou dit betekenen dat het bestemmingsplan op dit punt een regeling met betrekking tot de milieuhygiëne zou bevatten die de wetgever elders uitputtend heeft willen regelen.

3.4.6. Niet in geschil is dat er sprake is van een forse geluidsoverlast bij een aantal woningen langs de weg. In het licht van het voorgaande stelt de rechtbank echter vast dat deze over-schrijding ten opzichte van de geluidswaarden die in de Wgh zijn vastgelegd, niet kan worden aangemerkt als strijdig met artikel 3, aanhef en onder h, van de planvoorschriften, nu voor de beoordeling van de naleving van de desbetreffende bepaling slechts relevant is het moment van aanleg van de weg en niet de huidige situatie. De rechtbank is daarom van oordeel dat verweerder een onjuiste uitleg heeft gegeven aan artikel 3, aanhef en onder a, van de planvoorschriften door te stellen dat dat artikel thans wordt geschonden. Daaruit volgt tevens dat verweerder de bevoegd-heid ontbeert om met bestuursdwang op te treden, nu er geen sprake is van het in strijd met krachtens enig wettelijk voorschrift gestelde verplichtingen doen, houden of nalaten.

3.4.7. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat verweerder weliswaar terecht heeft geweigerd om te voldoen aan het door eisers gevraagde, maar dat verweerder dat op onjuiste gronden heeft gedaan. In dat opzicht is het beroep van eisers gegrond en dient het bestreden besluit te worden vernietigd. Nu echter een juiste toepassing van de wettelijke voorschriften eveneens tot een weigering van het gevraagde zou leiden, ziet de rechtbank aanleiding om onder toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb, de rechtgevolgen van dat vernietigde besluit in stand te laten.

3.4.8. Op grond van het vorenoverwogene acht de rechtbank het, gelet op artikel 8:75 van de Awb, billijk verweerder te veroordelen in de kosten die eiser redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van dit beroep, zijnde ƒ 9,25 (retour Hengelo-Almelo, tweede klas).

Beslist wordt derhalve als volgt.

4. Beslissing

De Arrondissementsrechtbank Almelo,

Recht doende:

verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

laat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand;

veroordeelt verweerder in de gemaakte proceskosten, welke kosten worden bepaald op ƒ 9,25, door de gemeente Hengelo (O) te betalen aan eisers en

verstaat dat de gemeente Hengelo (O) aan eisers het griffierecht ad ¦ 225,-- vergoedt.

Tegen deze uitspraak staat binnen zes weken na verzending hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State te Den Haag.

Gewezen door mr. H.G. Rottier, voorzitter, en mrs. J.H. Keuzenkamp en N.C. van Lookeren Campagne, rechters, in tegenwoordigheid van mr. G.J.M. Annink, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 30 mei 2001 door mr. H.G. Rottier, voorzitter, en

mrs. J.H. Keuzenkamp en N.C. van Lookeren Campagne, rechters, in tegenwoordigheid van W.G.M. Nobbenhuis als griffier.

Afschrift verzonden op

jk