Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2001:AA9427

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
10-01-2001
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
33788 HA ZA 696 - 1999
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Privacy & AVG 2001/699
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE ALMELO

zaaknummer: 33788 ha za 696 van 99

datum uitspraak vonnis: 10 januari 2001 (jdj)

Vonnis van de arrondissementsrechtbank te Almelo, meervoudige kamer voor burgerlijke zaken, in de zaak van:

[Eiser 1],

en

[Eiser 2],

echtgenoten, beiden wonende te Hengelo,

appellanten,

procureur: mr. H.A.A. Kienhuis,

advocaat: mr. W. Sleijfer te Leeuwarden.

tegen

DE VENNOOTSCHAP ONDER FIRMA,

[Gedaagde] V.O.F.,

gevestigd te Hengelo,

geïntimeerde,

procureur: mr. B.E.A. Lamping.

Gehoord partijen.

Gezien de stukken, waaronder het door deze rechtbank op 12 juli 2000 in deze zaak uitgesproken vonnis;

OVERWEEGT OVER:

Het procesverloop:

De rechtbank neemt hier over hetgeen dienaangaande in voormeld vonnis is overwogen.

Ter uitvoering van voornoemd tussenvonnis heeft op 14 september 2000 een comparitie van partijen plaatsgevonden en zijn door partijen inlichtingen verstrekt.

Het proces-verbaal van comparitie bevindt zich bij de stukken.

[Eiser 1] heeft akte genomen en daarbij een productie overgelegd.

[Gedaagde] heeft daarna eveneens akte genomen.

Tenslotte hebben partijen de stukken overgelegd en vonnis gevraagd.

Het recht:

1. De rechtbank neemt hier over hetgeen dienaangaande in voormeld vonnis is overwogen en beslist.

2. Uit het proces-verbaal van de gehouden comparitie blijkt dat partijen het bandje gezamenlijk in het bijzijn van de rechter-commissaris hebben afgeluisterd.

Uit het besprokene, zoals dat is te vernemen als het bandje wordt afgespeeld, en gezien de inhoud van de in eerste aanleg afgelegde (partij) verklaringen, is de rechtbank van oordeel dat partijen ter beëindiging van het geschil omtrent hetgeen tussen hen rechtens geldt, zich jegens elkaar aan een vaststelling daarvan hebben gebonden.

Immers, [Eiser 1] (de man doet een aanbod en overlegt met zijn vrouw die zich op dat moment niet tegen het aanbod verzet) biedt aan te betalen een bedrag ad Fl. 7.500,=, terwijl enige seconden na het doen van het aanbod de heer [Eiser 1] zegt dat hij van mening is correct te handelen en [Gedaagde], na enige bedenktijd, uiteindelijk het aanbod accepteert met de mededeling dat hij het restant van de vordering wel zal wegboeken. Verder is de rechtbank van oordeel dat niet is gebleken dat partijen bij het sluiten van de overeenkomst een voorbehoud hebben gemaakt.

Dat partijen daarna nog verder over het uitgevoerde werk spreken, terwijl de heer [Eiser 1] een (onverstaanbaar) telefoongesprek voert, zodat mevrouw alleen met [Gedaagde] verder praat over de uitvoering van het werk, doet naar het oordeel van de rechtbank geen afbreuk aan de rechtsgeldigheid van de even daarvoor gesloten vaststellingsovereenkomst.

3. Ter zake van de eerste grief overweegt de rechtbank het volgende.

Terecht geeft [Eiser 1] aan dat de Hoge Raad meermalen heeft overwogen dat zakenpartners er, met de huidige stand van de techniek, vanuit moesten gaan dat hun telefoongesprekken werden mee beluisterd dan wel opgenomen.

In tegenstelling tot hetgeen [Eiser 1] stelt, is naar het oordeel van de rechtbank in het onderhavige geval het maken van een opname van een zakelijk gesprek door degene die aan dat gesprek deelneemt, ook al vindt die opname, zonder toestemming of medeweten van de wederpartij in de privé woning van die zakelijke relatie plaats, niet in strijd met het fundamentele recht van eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zoals neergelegd in de artikelen 6 en 8 EVRM en van artikel 14 IVBPR.

Immers, partijen die in een zakelijk dispuut zijn verwikkeld moeten, naar het oordeel van de rechtbank, er met de thans verder ontwikkelde stand van de techniek vanuit gaan dat hun gesprekken worden mee beluisterd en/of opgenomen. Verder is de rechtbank van oordeel dat, zoals uit het beluisteren van de band valt op te maken, alleen wordt gesproken over de uitvoering van het werk en de daaraan verbonden kosten; ergo de (verstaanbare) inhoud van de band betreft een bespreking met een geheel zakelijke inhoud. Openbaarmaking van de inhoud van het onderwerpelijke bandje aan de rechter in een civiele procedure maakt in dit geval geen inbreuk op het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer en is evenmin uit anderen hoofde onrechtmatig.

Anders zou het zijn indien de aard en de mate van intimiteit van hetgeen omtrent [Eiser 1] zou zijn vastgelegd en /of geopenbaard van dusdanig gewicht zou zijn dat de grens van het toelaatbare zou zijn overschreden. Echter, nu slechts sprake is van een puur zakelijk gesprek, ook al vindt dat in de privé woning van [Eiser 1] plaats, doet zich dat geval naar het oordeel van de rechtbank hier niet voor.

4. Met betrekking tot de stelling van [Eiser 1] dat waarde moet worden toegekend aan de bedoeling van het gesprek is de rechtbank van oordeel dat die stelling te vergeefs is voorgesteld.

Immers, zoals de rechtbank hierboven reeds is overwogen heeft [Eiser 1] tijdens de bespreking zelf een voorstel gedaan om tot een vaststellingsovereenkomst te komen.

Gelet op hetgeen de rechtbank hiervoor heeft overwogen is de rechtbank van oordeel dat de eerste grief geen doel treft.

5. Gelet op het verzoek van [Eiser 1] het geschil in volle omvang te beoordelen, gezien hetgeen de rechtbank hiervoor heeft overwogen en gezien de getuigenverklaringen zoals die in eerste aanleg zijn afgelegd is de rechtbank van oordeel dat ook de andere grieven ten onrechte zijn voorgesteld.

6. Alhoewel [Eiser 1] nog bewijs aanbiedt, is de rechtbank van oordeel dat dit aanbod als onvoldoende gespecificeerd moet worden gepasseerd.

7. De slotsom luidt dat het bestreden vonnis, waartegen de grieven zijn gericht, moet worden bekrachtigd en dat de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het beroep moet worden veroordeeld.

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP:

I. Bekrachtigt het tussen partijen gewezen vonnis van de kantonrechter te Enschede van

18 maart 1999.

II. Veroordeelt [Eiser 1] in de kosten van het geding, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [Gedaagde] begroot op FL. 400,= (vierhonderd gulden) aan verschotten en Fl. 1.460,= (een duizend vier honderd en zestig gulden) wegens het salaris van de procureur.

Dit vonnis is gewezen te Almelo door mrs. De Jong, Breitbarth en Maten en is op 10 januari 2001 in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier