Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2000:AA9387

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
11-09-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
00/125 NABW Z1 A
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JABW 2001, 24

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK ALMELO

Sector Bestuursrecht - Enkelvoudige Kamer

Registratienummer: 00/125 NABW Z1 A

UITSPRAAK

in het geschil tussen:

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

gemachtigde: mr. E.G. Blankestijn,

en

het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente

Haaksbergen, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 13 januari 2000.

2. De feiten en het verloop van de procedure

Eiser en zijn partner [partner] ontvangen een bijstandsuitkering berekend naar de norm voor een echtpaar. Bij brief van 8 oktober 1998 is eiser opgeroepen voor een sollicitatiegesprek voor een zogeheten Melkert I-baan bij de sector [sector], afdeling [afdeling] van de gemeente [gemeente]. Genoemd sollicitatiegesprek heeft plaatsgevonden maar eiser is vervolgens als een ongeschikte kandidaat aangemerkt omdat hij slecht gemotiveerd zou zijn.

Op 18 februari 1999 heeft een heronderzoeksgesprek tussen eiser en verweerder plaatsgevonden. Eiser is vervolgens op 22 februari 1999 door verweerder aangemeld bij het Centrum voor Beroepenoriëntatie en Beroepsoefening (CBB) te Enschede voor een cursus '[cursus]'. Eiser is echter door het CBB niet opgenomen voor deelname aan genoemde cursus.

Bij besluit van 11 mei 1999 heeft verweerder aan eiser met ingang van 1 mei 1999 een maatregel opgelegd inhoudende de weigering van de bijstandsuitkering voor 100% gedurende één maand. Dit omdat eiser nalatig zou zijn geweest door het niet aanvaarden van passende arbeid en het niet meewerken aan een scholing of opleiding die noodzakelijk wordt geacht voor de inschakeling in arbeid.

Bij besluit van 1 juni 1999 heeft verweerder het besluit van 1 mei 1999 gedeeltelijk herzien door in plaats van een maatregel inhoudende de weigering van de uitkering voor 100% gedurende één maand een weigering van 25% van de uitkering gedurende vier maanden op te leggen.

Op 21 juni 1999 heeft eiser bezwaar gemaakt tegen de besluiten van 11 mei 1999 en 1 juni 1999. Terzake van dit bezwaar is hij op 10 september 1999 door verweerder gehoord.

In het kader van de Wet op de reïntegratie van arbeidsgehandicapten (Wet REA) heeft eiser op 25 juli 1999 een medisch onderzoek ondergaan. Dit onderzoek is verricht door verzekeringsarts M.L.S. Spronsen. Eiser is vervolgens aangemerkt als arbeidsgehandicapt in de zin van de Wet REA.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen de besluiten van 11 mei 1999 en 1 juni 1999 gegrond verklaard en de opgelegde maatregel inhoudende de weigering van de uitkering voor 25% gedurende vier maanden ingetrokken maar daarbij besloten om aan eiser een maatregel op te leggen inhoudende de weigering van de uitkering voor 20% gedurende één maand. Daarbij heeft verweerder overwogen dat uit onderzoek is gebleken dat de aangeboden Melkert I-baan geen passende arbeid voor eiser is zodat eiser geen sprake kan zijn van een weigering van passende arbeid door eiser. Wel is verweerder van mening dat eiser zich door zijn opstelling tijdens het sollicitatiegesprek niet heeft gehouden aan de verplichting om na te laten hetgeen inschakeling in de arbeid belemmert. Verweerder is bovendien van mening dat eiser door zich op het standpunt te stellen alleen een vrijblijvende cursus te willen doen en geen beroepstraining, niet heeft gehouden aan de verplichting om mee te werken aan een scholing of opleiding die noodzakelijk wordt geacht voor inschakeling in de arbeid.

Eiser kan zich met het bestreden besluit niet verenigen. Namens hem is daarom op 17 februari 2000 een beroepschrift ingediend.

Het beroep is behandeld ter openbare zitting van de rechtbank van 15 augustus 2000, alwaar eiser is verschenen vertegenwoordigd door zijn gemachtigde, terwijl verweerder zich heeft doen vertegenwoordigen door W.M. Vrieze en G. Hoogeveen, ambtenaren in dienst van de gemeente Haaksbergen.

3. Overwegingen

In geschil is de vraag of het besluit van verweerder van 13 januari 2000 waarbij eisers bezwaar tegen de besluiten van 11 mei en 1 juni 1999 gegrond is verklaard en de opgelegde maatregel is vervangen door een maatregel inhoudende de weigering van de bijstandsuitkering voor 20% gedurende één maand, in rechte in stand kan blijven. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

Artikel 113, eerste lid van de Algemene bijstandswet (Abw) bepaalt dat de belanghebbende die voor de zelfstandige voorziening in het bestaan is aangewezen op arbeid in dienstbetrekking onder meer verplicht is om passende arbeid te aanvaarden, om na te laten hetgeen inschakeling in de arbeid belemmert en om mee te werken aan een scholing of opleiding die noodzakelijk wordt geacht voor de inschakeling in de arbeid dan wel aan andere aangewezen activiteiten die de zelfstandige bestaansvoorziening bevorderen.

Ingevolge het tweede lid van artikel 113 Abw wordt onder passende arbeid verstaan alle arbeid die voor de krachten en bekwaamheden van de belanghebbende is berekend, tenzij aanvaarding om redenen van lichamelijke, geestelijke of sociale aard niet van hem kan worden gevergd.

Ingevolge artikel 3 van het Maatregelenbesluit Abw, Ioaw en Ioaz, hierna het noemen het Maatregelenbesluit Abw, worden het niet dan wel in onvoldoende mate meewerken aan een noodzakelijk geachte scholing of opleiding en het niet voldoen aan de verplichting om na te laten hetgeen inschakeling in de arbeid belemmert, aangemerkt als gedragingen van de derde categorie. Artikel 5 van het Maatregelenbesluit Abw bepaalt dat bij een gedraging van de derde categorie, 20% van de uitkering gedurende één maand wordt geweigerd.

Eiser bestrijdt dat hij niet heeft voldaan aan de verplichting om na te laten hetgeen inschakeling in de arbeid belemmert alsmede dat hij in onvoldoende mate zou hebben meegewerkt aan een noodzakelijk geachte scholing of opleiding.

De rechtbank is evenwel van oordeel dat eiser de verplichting om mee te werken aan scholing, noodzakelijk voor de inschakeling in de arbeid heeft overtreden. Dit blijkt uit de rapportage van het CBB Enschede van 29 maart 1999 en uit het verslag van de hoorzitting van 10 september 1999. Eiser zou een noodzakelijk geachte en passende cursus volgen, maar toen hem bleek dat er sprake was van een beroepstraining in plaats van een vrijblijvende cursus zag eiser deze cursus naar eigen zeggen niet meer zitten.

Deze gedraging van eiser valt onder de derde categorie van artikel 3 van het Maatregelenbesluit Abw en leidt in samenhang met artikel 5, eerste lid, aanhef en onder c van dit besluit tot een weigering van twintig procent van de bijstand gedurende een maand.

De rechtbank is niet gebleken dat de verwijtbaarheid aanleiding zou moeten geven tot het opleggen van een andere maatregel en evenmin is de rechtbank gebleken van dringende redenen die zouden nopen af te zien van een maatregel.

Het bestreden besluit is tevens gebaseerd op de ongemotiveerde houding van eiser tijdens een sollicitatiegesprek voor een Melkertbaan. Achteraf bleek dat deze baan vanwege medische beperkingen niet passend was. De rechtbank merkt daarover op dat een ongemotiveeerde houding van een sollicitant ten opzichte van een niet passende functie in het algemeen geen reden is een maatregel op te leggen. De vraag of eiser zich zodanig negatief heeft opgesteld, dat die opstelling desondanks kan leiden tot een gedeeltelijke weigering van de bijstand laat de rechtbank in het midden nu het bestreden besluit inhoudend een weigering van de bijstand van twintig procent gedurende een maand ook gedragen wordt doordat eiser zelf heeft besloten af te zien van bovenvermelde beroepstraining.

Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit in rechte in stand kan worden gelaten.

Beslist wordt derhalve als volgt:

4. Beslissing

De Arrondissementsrechtbank Almelo,

Recht doende:

verklaart het beroep ongegrond.

Tegen deze uitspraak staat binnen zes weken na verzending hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep te Utrecht.

Gewezen en in het openbaar uitgesproken op 11 september 2000 door mr. J.G.J. Roelvink, in tegenwoordigheid van mr. S.M.M. Bordenga als griffier.

Afschrift verzonden op

Mtb