Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2000:AA8929

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
24-11-2000
Datum publicatie
13-03-2002
Zaaknummer
00/327 AW H1 A
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Schadeveroorzakend besluit betreft de werking en effecten van de anticumulatiebepalingen van het BWOO, zijnde een algemeen verbindend voorschrift waartegen geen beroep kan worden ingesteld.

Afwijzing verzoek om schadevergoeding.

Eiseres heeft onder druk van anticumulatiebepalingen uit het BWOO haar werkzaamheden beëindigd. Naar het oordeel van de richten haar bezwaren zich dan ook niet tegen een concrete beslissing die tot haar in het bijzonder is gericht, maar tegen de werking en effecten van de anticumulatiebepalingen van het BWOO in het algemeen, derhalve tegen het algemeen verbindend voorschrift. Ingevolge art. 8:2, aanhef en onder a Awb kan geen beroep worden ingesteld tegen een besluit inhoudende een algemeen verbindend voorschrift. De bestuursrechter kan geen kennis nemen van het beroep tegen het schadeveroorzakende besluit, zodat verweerder evenmin eiseres kon ontvangen in haar bezwaar met betrekking tot de weigering van de gevraagde schadevergoeding.

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, verweerder.

mr. H.G. Rottier

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 1:3
Algemene wet bestuursrecht 8:1
Algemene wet bestuursrecht 8:2a
Besluit Werkloosheid onderwijs- en onderzoekpersoneel
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2001/19
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK ALMELO

Sector Bestuursrecht - Enkelvoudige Kamer

Registratienummer: 00/327 AW H1 A

UITSPRAAK

in het geschil tussen:

A e/v B, wonende te C, eiseres,

en

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen,

vertegenwoordigd door de Stichting USZO te Groningen, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder d.d. 28 maart 2000.

2. De feiten en het verloop van de procedure

Eiseres was in twee dienstbetrekkingen van respectievelijk 27,00 en 11,00 uren, derhalve in totaal 38,00 uren per week werkzaam als ambtenaar in vaste dienst bij de Y-school te Z. Met ingang van 1 januari 1990 heeft eiseres gebruik gemaakt van de mogelijkheid om voor haar volledige taakomvang vrijwillig ontslag te nemen met toepassing van de zogenaamde eenmalige 50+-regeling op basis van het Sociaal Beleidskader HBO (hierna te noemen: het SBK-HBO).

Aan eiseres is terzake van haar ontslag uit de betrekking van 27,00 uren een garantiewachtgeld toegekend op grond van het SBK-HBO juncto hoofdstuk I-H van het Rechtspositiebesluit onderwijspersoneel, Stb. 1985, 110 (Rpbo) voor de periode van 1 januari 1990 tot 1 september 2001. Op grond van deze eenmalige 50+-regeling zijn de uitkeringspercentages afwijkend vastgesteld en is bepaald dat deze, evenals de duur van de uitkering, worden gegarandeerd.

Naast de beëindiging van deze werkzaamheden, breidde eiseres met ingang van 1 januari 1991 werkzaamheden bij de Stichting X uit van 10,32 naar 20 uren per week. De inkomsten uit die werkzaamheden werden niet verrekend met haar uitkering uit hoofde van het Rpbo. Het Rpbo is in 1994 vervangen door het Besluit Werkloosheid Onderwijs- en Onderzoekspersoneel (BWOO). Met de inwerkingtreding van het BWOO bleven de rechten van eiseres nog twee jaar onaangetast. Per 1 januari 1996 golden voor haar echter ook de anticumulatiebepalingen uit het BWOO, hetgeen betekende dat met ingang van 1 januari 1996 de door eiseres gewerkte 'nieuwe uren' op haar wachtgeld werden gekort, waarmee de bijverdienmogelijkheid werd beëindigd.

Bij besluit van 10 april 1996 heeft verweerder met toepassing van die anticumulatiebepalingen van het BWOO eisers uitkering dan ook herberekend.

Daarnaast heeft verweerder bij besluit van 30 mei 1996 besloten dat eiseres geen aanspraak kan maken op loonsuppletie als bedoeld in artikel 38, eerste en tweede lid van het BWOO terzake van het aanvaarden van meer uren in de aangehouden betrekking bij de Stichting X, nu de omvang van haar nieuwe betrekking minder bedraagt dan 60% van de omvang van de arbeidsuren op grond waarvan zij een uitkering ontvangt dan wel zou ontvangen als zij op dat moment werkloos zou zijn.

Een tweetal door eiseres tegen die beide besluiten ingediende bezwaarschriften is door verweerder bij besluiten van 19 juni 1996 (de anticumulatie) en 18 december 1996 (de loonsuppletie) ongegrond verklaard. De daartegen ingediende beroepschriften zijn bij een tweetal afzonderlijke uitspraken van de rechtbank van 16 oktober 1997 ongegrond verklaard, waarop eiseres hoger beroep heeft ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep (CRvB).

Hangende dat beroep heeft de CRvB bij uitspraak van 8 april, nr. 97/6168 AW (TAR 1999, 88) beslist dat de kortingssystematiek van het BWOO bij wachtgelden met een garantie op de hoogte en duur ingevolge een sociaal beleidskader, buiten beschouwing had moeten blijven. In verband met die uitspraak heeft verweerder bij besluit van 8 juli 1999 het bezwaarschrift ten aanzien van de anticumulatie alsnog gegrond verklaard en de beslissing op het bezwaarschrift van 19 juni 1996 ingetrokken. Tevens is daarbij aangegeven dat met terugwerkende kracht tot 1 januari 1996 de uitkering weer zal worden omgezet in een wachtgeld, waardoor de rechtsgrond voor de toekenning van loonsuppletie krachteloos is geworden, reden waarom ook de beslissing op het bezwaar ten aanzien van die loonsuppletie komt te vervallen.

Vervolgens heeft verweerder eiseres bij besluit van 21 juli 1999 onder meer een berekening doen toekomen van de over de periode van 1 januari 1996 tot 1 augustus 1999 berekende wettelijke rente over de na te betalen wachtgelduitkering.

Bij schrijven van 29 juli 1999 heeft eiseres vervolgens vragen gesteld over de wettelijke rente en opgemerkt dat zij aanzienlijke schade heeft geleden omdat zij haar zogenoemde 'nieuwe werkzaamheden' per 1 augustus 1996 heeft moeten opgeven als gevolg van de, naar achteraf is gebleken ten onrechte per 1 januari 1996 doorgevoerde regeling.

Bij schrijven van 10 augustus 1999 heeft verweerder eiseres er op gewezen dat zij desgewenst een verzoek om schadevergoeding kon indienen onder overlegging van bewijsstukken van de geleden schade.

Bij schrijven van 5 oktober 1999 heeft eiseres zich met een dergelijk verzoek tot verweerder gewend.

Bij besluit van 20 december 1999 heeft verweerder de wettelijke rente alsnog berekend tot 1 september 1999, doch het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Tegen dat besluit heeft eiseres op 6 januari 2000 een bezwaarschrift bij verweerder ingediend. Verweerder heeft eiseres ter zake van dat bezwaar in de gelegenheid gesteld om haar bezwaren ter hoorzitting op 14 maart 2000 toe te lichten, van welke gelegenheid zij gebruik heeft gemaakt.

Tevens heeft eiseres verweerder op die dag nog een aantal nadere stukken doen toekomen.

Bij besluit van 28 maart 2000 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard en de afwijzing van de schadevergoeding gehandhaafd.

Blijkens het beroepschrift van 26 april 2000 kan eiseres zich niet met dat besluit verenigen.

Bij schrijven van 23 mei 2000 heeft verweerder de rechtbank de aan het besluit ten grondslag liggende stukken doen toekomen, alsmede een verweerschrift met als bijlagen enige uitspraken met betrekking tot een aantal soortgelijke verzoeken.

Het beroep is behandeld ter openbare zitting van de rechtbank van 2 november 2000, waar eiseres in persoon is verschenen met bijstand van haar echtgenoot B, terwijl verweerder zich niet heeft doen vertegenwoordigen.

3. Overwegingen

In geschil is de vraag of het besluit van verweerder van 28 maart 2000, waarbij eisers verzoek om schadevergoeding

in verband met het per 1 januari 1996 ten onrechte toepassen van de kortingssystematiek van het BWOO op zijn wachtgeld, is afgewezen, in rechte in stand kan blijven.

Eiseres stelt zich op het standpunt dat zij schade heeft geleden omdat zij haar dienstbetrekking bij de Stichting X per 1 augustus 1996 met 10 uren heeft verminderd omdat zij financieel gezien geen andere mogelijkheid had dan gebruik te maken van het zogenoemde 'generaal pardon' dat destijds door Minister Ritzen is verleend. Had zij dat niet gedaan dan zou zij in een financieel nadeliger positie zijn gekomen omdat de korting van de 10 uren welke zij tegen een lager salaris als […]bij de Stichting X werkte, tot een inkomensverlies van circa f. 300,-- leidde.

Verweer stelt zich daarentegen op het standpunt dat weliswaar is aangetoond dat er sprake was van een inkomstenderving, doch dat het, gelet op de vraag of het geen vrijwillige derving van inkomsten betreft, niet zeker is of die schade kan worden aangemerkt als schade in de zin van het burgerlijk wetboek.

Daarnaast stelt verweerder zich op het standpunt dat niet is aangetoond dat de ontslagname in verband stond met de kortingssystematiek van het BWOO, aangezien eiseres gebruik heeft gemaakt van het generaal pardon hetgeen inhoudt dat men zonder dat daarvoor een sanctie zou worden toegepast op de uitkering inkomsten kon prijsgeven.

Daarnaast stelt verweerder zich op het standpunt dat nu eiseres er, gelet op het door haar ingestelde hoger beroep, blijkbaar van overtuigd was dat de toepassing van de BWOO-kortingssystematiek onjuist was, had kunnen weten dat de keuze om te stoppen met haar werkzaamheden, ongunstig zou uitpakken op het moment dat haar hoger beroep gegrond zou worden verklaard en die op haar uitkering toegepaste kortingssystematiek zou worden teruggedraaid.

Dienaangaande overweegt de rechtbank als volgt.

Ingevolge artikel 1:3, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt onder een besluit verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.

Op grond van artikel 8;1, eerste lid van de Awb kan een belanghebbende tegen een besluit beroep instellen bij de rechtbank.

Op grond van artikel 8:2, aanhef en onder a van de Awb kan geen beroep worden ingesteld tegen een besluit inhoudende een algemeen verbindend voorschrift.

Volgens artikel 7:1, eerste lid van de Awb dient degene aan wie het recht is toegekend tegen een besluit beroep bij de administratieve rechter in te stellen, alvorens beroep in te stellen tegen dat besluit bewaar te maken.

Volgens vaste jurisprudentie is een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan op een verzoek om vergoeding van schade die veroorzaakt zou zijn binnen het kader van de uitoefening door dat orgaan van een aan het publiekrecht ontleende bevoegdheid, een publiekrechtelijke rechtshandeling en een besluit als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb. De stellingen van eiseres komen er thans (nog) op neer dat zij schade heeft geleden nu zij, onder druk van de anticumulatiebepalingen uit het BWOO, haar werkzaamheden voor X heeft beëindigd, aangezien zij er bij voortzetting van die werkzaamheden per maand feitelijk ongeveer f. 300,-- op achteruit ging. Haar bezwaren richten zich dan ook niet tegen een concrete beslissing die tot haar in het bijzonder is gericht, maar tegen de werking en de effecten van de anticumulatiebepalingen van het BWOO in het algemeen, derhalve tegen het algemeen verbindend voorschrift zelve. Zoals hiervoor reeds aangegeven, kan ingevolge artikel 8:2, aanhef en onder a van de Awb geen beroep worden ingesteld tegen een besluit inhoudende een algemeen verbindend voorschrift. Nu de bestuursrechter geen kennis kan nemen van het beroep tegen het schadeveroorzakende besluit, kon verweerder eiseres evenmin ontvangen in haar bezwaar met betrekking tot de weigering van de gevraagde schadevergoeding. Het feit dat verweerder eiseres uitdrukkelijk heeft uitgenodigd de gestelde schade in te brengen dan wel nader toe te lichten, doet daar niet aan af. Verweerder had eiseres dan ook niet-ontvankelijk in haar bezwaar dienen te verklaren. Nu verweerder dat niet heeft gedaan ziet de rechtbank aanleiding het bestreden besluit te vernietigen en onder gebruikmaking van de bevoegdheid gegeven in artikel 8:72, vierde lid van de Awb te bepalen dat het inleidend bezwaar alsnog niet-ontvankelijk wordt verklaard.

Ter voorlichting van eiseres brengt de rechtbank onder de aandacht dat zij haar vordering bij de burgerlijke rechter kan instellen.

De rechtbank ziet geen aanleiding voor verdere inhoudelijke overwegingen ten aanzien van de stellingen van eiseres, nu zij deze stellingen nog ten gronde kan laten beoordelen door de burgerlijke rechter.

Op grond van het vorenoverwogene acht de rechtbank het, gelet op het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb billijk verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van dit beroep, zijnde f. 9,-

aan reiskosten.

Beslist wordt derhalve als volgt.

4. Beslissing

De Arrondissementsrechtbank Almelo,

Recht doende:

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit;

verklaart het inleidend bezwaarschrift alsnog niet-ontvankelijk;

veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten ad f. 9,--;

verstaat dat verweerder eiseres het griffierecht ad f. 225,-- vergoedt.

Tegen deze uitspraak staat binnen zes weken na verzending hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep te Utrecht.

Gewezen en in het openbaar uitgesproken op 24 november 2000

door mr. H.G. Rottier, rechter, in tegenwoordigheid van

J. Wenniger, griffier.

Afschrift verzonden op

av