Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2000:AA8490

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
09-11-2000
Datum publicatie
06-08-2003
Zaaknummer
00/512 WET H1 A
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ten onrechte aanmerken van reactie op sanctie-voornemen als (prematuur) bezwaarschrift kan niet met toepassing van art. 6:22 Awb worden gepasseerd.

Brief verweerder d.d. 13 april 2000, waarin het voornemen kenbaar wordt gemaakt een sanctiebesluit te nemen t.a.v. eiseres, omdat geen medewerking is verleend aan controle van de bedrijfsvoorraad, de handelaarskentekens en de administratie. De als (prematuur) bezwaarschrift aangemerkte schriftelijke reactie van eiseres is ongegrond verklaard en de erkenning bedrijfsvoorraad is ingetrokken voor een periode van zes weken. Het verzoek om voorlopige voorziening is door de president bij uitspraak van 19 juli 2000 afgewezen.

Verweerders brief van 13 april 2000 kan niet als een besluit in de zin van art. 1:3 Awb worden aangemerkt, nu deze brief slechts een voornemen tot het nemen van een sanctiebesluit bevat, terwijl geen zelfstandige rechtsgevolgen in het leven worden geroepen. Uit de bewoordingen van de brief blijkt eveneens dat het uitdrukkelijk niet de intentie van verweerder is geweest om een besluit te nemen. Nu de brief van eiseres van 15 april 2000 zich niet richt tegen een besluit in de zin van art. 1:3, eerste lid Awb kan die brief niet als een bezwaarschrift worden aangemerkt.

Op 15 april 2000 was het primaire besluit van 25-04-2000 nog niet tot stand gekomen. Eiseres heeft blijkens de inhoud van haar brief van 15 april 2000 het conceptbesluit van 13 april 2000 ook niet aangezien voor het besluit zelf. Gelet op het bepaalde in art. 6:10, eerste lid, onder a en b Awb kan de brief van eiseres van 15 april 2000 ook niet als een prematuur bezwaarschrift worden aangemerkt.

Het oordeel van de president dat hier sprake is van schending van een vormvoorschirft, waaraan met toepassing van art. 6:22 Awb voorbij kan worden gegaan, deelt de rechtbank echter niet.

Ambtshalve moet worden getoetst of verweerder terecht de brief van eiseres van 15 april 2000 heeft aangemerkt als een bezwaarschrift. De brief van 13 april 2000 kan niet worden aangemerkt als een besluit in de zin van art. 1:3 Awb. Het ontbreken van een besluit is een essentieel gebrek dat niet gelijk gesteld kan worden met schending van een vormvoorschrift.

Verweerder had de bezwaren van eiseres van 15 april 2000, nu die niet waren gericht tegen een besluit in de zin van de Awb, niet-ontvankelijk moeten verklaren en niet ongegrond zoals hij dat heeft gedaan.

Alsnog niet-ontvankelijk verklaard.

mr. H.G. Rottier

De Algemeen Directeur van de Rijksdienst voor het Wegverkeer, verweerder.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 1:3
Algemene wet bestuursrecht 6:10
Algemene wet bestuursrecht 6:22
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK ALMELO

Sector Bestuursrecht - Enkelvoudige Kamer

Registratienummer: 00/512 WET H1 A

UITSPRAAK

in het geschil tussen:

V.O.F. A, gevestigd te B, eiseres,

gemachtigde: mr. B.H. Bongers, advocaat en procureur te Zwolle,

en

De Algemeen Directeur van de Rijksdienst voor het Wegverkeer (RDW), verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder d.d. 15 juni 2000.

2. De feiten en het verloop van de procedure

Eiseres houdt zich bezig met de handel in auto's. De handel in auto's gebeurt voornamelijk op vrijdag en in het weekend, omdat A, (mede)vennoot van het bedrijf (hierna: A), van maandag tot en met donderdag werkzaamheden verricht in Duitsland.

Op vrijdag 28 augustus 1998 en op maandag 31 augustus 1998 heeft een bedrijvencontroleur van de RDW het bedrijf bezocht ten behoeve van de controle in verband met de erkenning bedrijfsvoorraad en handelaarskentekenbewijzen. De controle op de vorengenoemde data was echter niet mogelijk, aangezien niemand op het bedrijf aanwezig was.

In verband hiermee heeft verweerder op 17 september 1998 aan eiseres een zogenoemde "verklaring erkenning bedrijfsvoorraad" gezonden. Daarin verklaart de betrokkene onder meer dat binnen 15 minuten na een telefonische aankondiging van de RDW op één van de door de betrokkene op te geven telefoonnummer(s), de bedrijfsvoorraad, de handelaarskentekens en de administratie van het bedrijf kunnen worden gecontroleerd.

Op 9 oktober 1998 heeft eiseres deze verklaring, ondertekend en vergezeld van een begeleidend schrijven, geretourneerd.

Hierna heeft de bedrijvencontroleur van de RDW het bedrijf laatstelijk op 29 maart 2000 opnieuw bezocht. Wederom was niemand op het bedrijf aanwezig om medewerking te verlenen aan de controle. De bedrijvencontroleur heeft vervolgens het door eiseres opgegeven telefoonnummer gebeld. Ook hierna bleek controle binnen 15 minuten niet mogelijk.

Naar aanleiding hiervan heeft verweerder bij brief van 13 april 2000 eiseres meegedeeld dat hij voornemens is om tien dagen na dagtekening van de brief, het in concept bijgevoegde sanctiebesluit te nemen.

In reactie op deze brief heeft eiseres verweerder op 15 april 2000 verzocht om de sanctie achterwege te laten.

Deze brief is gezien de inhoud doorgezonden naar de afdeling juridische zaken van verweerder en is daar aangemerkt als een (prematuur) bezwaarschrift tegen het hierna vermelde besluit van 25 april 2000.

Bij dat besluit heeft verweerder de aan eiseres verleende erkenning bedrijfsvoorraad, bedoeld in artikel 62, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW 1994) ingetrokken voor een periode van zes weken.

Op 25 mei 2000 heeft een hoorzitting plaatsgevonden.

Bij het bestreden besluit van 15 juni 2000 heeft verweerder op de daarin vervatte gronden de bezwaren van eiseres ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit is namens eiseres op 30 juni 2000 beroep ingesteld bij deze rechtbank. Tevens is op 29 juni 2000 namens eiseres aan de president van de rechtbank verzocht om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Bij uitspraak van 19 juli 2000 is dit verzoek afgewezen.

Op 21 augustus 2000 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Het beroep is behandeld ter openbare zitting van de rechtbank van 5 oktober 2000, waar eiseres is vertegenwoordigd door de heer A, voornoemd, terwijl verweerder zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. H. Pasman.

3. Overwegingen

In geschil is de vraag of het besluit van verweerder van 15 juni 2000, waarbij het bezwaarschrift tegen het besluit van 25 april 2000, inhoudende intrekking van de erkenning bedrijfsvoorraad voor een periode van zes weken, ongegrond is verklaard, in rechte in stand kan blijven.

Evenals de president heeft de rechtbank zich in de eerste plaats voor de vraag gesteld gezien of verweerder al dan niet terecht de brief van eiseres van 15 april 2000 als een (prematuur) bezwaarschrift heeft aangemerkt. Dienaangaande overweegt de rechtbank als volgt.

Ingevolge artikel 8:1, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan een belanghebbende tegen een besluit beroep instellen bij de rechtbank.

Ingevolge artikel 7:1, eerste lid, Awb dient degene aan wie het recht is toegekend tegen een besluit beroep in te stellen op de administratieve rechter, tegen dat besluit bezwaar te maken.

Artikel 1:3 van de Awb bepaalt dan onder een besluit wordt verstaan een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.

Artikel 6:4, eerste lid, van de Awb bepaalt dat het maken van bezwaar geschiedt door het indienen van een bezwaarschrift bij het bestuursorgaan dat het besluit heeft genomen.

Artikel 6:10, eerste lid, van de Awb bepaalt dat ten aanzien van een voor het begin van de termijn ingediend bezwaar- of beroepschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege blijft indien het besluit ten tijde van de indiening:

a. wel reeds tot stand was gekomen, of

b. nog niet tot stand was gekomen, maar de indiener redelijkerwijs kon menen dat dit wel reeds het geval was.

Ingevolge artikel 6:22 van de Awb kan een besluit waartegen bezwaar is gemaakt of beroep is ingesteld ondanks schending van een vormvoorschrift, door het orgaan dat op het bezwaar of beroep beslist, in stand worden gelaten indien blijkt dat de belanghebbenden daardoor niet zijn benadeeld.

In de onderhavige situatie heeft verweerder, zoals hiervoor reeds onder de feiten en het verloop van de procedure is weergegeven, bij brief van 13 april 2000 eiseres meegedeeld dat hij voornemens is een sanctiebesluit te nemen. Bij dat schrijven heeft verweerder een concept van het te nemen sanctiebesluit gevoegd, waarbij eiseres tevens in de gelegenheid is gesteld hierop te reageren. Eiseres heeft bij schrijven van 15 april 2000 gereageerd op deze brief en het nog te nemen sanctiebesluit.

Evenals de president in zijn uitspraak van 19 juli 2000 is de rechtbank van oordeel dat verweerders brief van 13 april 2000 niet als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb kan worden aangemerkt. Artikel 1:3, eerste lid, van de Awb verstaat onder een besluit immers een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. Voor het begrip rechtshandeling is kenmerkend dat het gaat om een handelen, gericht op rechtsgevolg. Als zodanig kan niet worden aangemerkt verweerders schrijven van 13 april 2000 nu deze brief slechts een voornemen tot het nemen van een sanctiebesluit bevat, terwijl geen zelfstandige rechtsgevolgen in het leven worden geroepen. Uit de bewoordingen van de brief blijkt eveneens dat het uitdrukkelijk niet de intentie van verweerder is geweest om een besluit te nemen.

Nu de brief van eiseres van 15 april 2000 zich niet richt tegen een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb kan die brief niet als een bezwaarschrift worden aangemerkt.

Zoals hiervoor onder de feiten en verloop van de procedure reeds is weergegeven heeft verweerder op 25 april 2000 het primaire besluit genomen om de aan eiseres verleende erkenning bedrijfsvoorraad, als bedoeld in artikel 62, eerste lid, van de WVW 1994 in te trekken voor een periode van zes weken.

De vraag is of in deze situatie de brief van eiseres van 15 april 2000 kan worden aangemerkt als een prematuur bezwaarschrift gericht tegen het primaire besluit van 25 april 2000.

Evenals de president constateert de rechtbank dat op 15 april 2000 het hiervoor genoemde primaire besluit van 25 april 2000 nog niet tot stand was gekomen en dat eiseres blijkens de inhoud van haar brief van 15 april 2000 het conceptbesluit van 13 april 2000 ook niet heeft aangezien voor het besluit zelf.

Met de president, en onder verwijzing naar diens overwegingen in zijn uitspraak van 19 juli 2000, is de rechtbank dan ook van oordeel dat gelet op het bepaalde in artikel 6:10, eerste lid, onder a en b, van de Awb de brief van eiseres van 15 april 2000 ook niet als een prematuur bezwaarschrift kan worden aangemerkt.

Het oordeel van de president dat hier sprake is van schending van een vormvoorschirft, waaraan met toepassing van artikel 6:22 Awb voorbij kan worden gegaan, deelt de rechtbank echter niet. Naar het oordeel van de rechtbank moet ambtshalve worden getoetst of verweerder terecht de brief van eiseres van 15 april 2000 heeft aangemerkt als een bezwaarschrift. Zoals hiervoor reeds is weergegeven kan verweerders schrijven van 13 april 2000 niet worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb. Het ontbreken van een besluit is naar het oordeel van de rechtbank een essentieel gebrek dat niet gelijk gesteld kan worden met schending van een vormvoorschrift.

Gelet op het vorenstaande had verweerder de bezwaren van eiseres van 15 april 2000, nu die niet waren gericht tegen een besluit in de zin van de Awb, niet-ontvankelijk moeten verklaren en niet ongegrond zoals hij dat heeft gedaan. Het beroep is om die reden gegrond, de beslissing op bezwaar dient te worden vernietigd en de rechtbank zal zelf in de zaak voorzien door het bezwaarschrift van eiseres alsnog niet-ontvankelijk te verklaren.

Op grond van het vorenoverwogene acht de rechtbank het, gelet op het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb, billijk verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van dit beroep, zijnde kosten van rechtsbijstand ad f 710,-- en de reiskosten voor het verschijnen ter zitting ad f 9,--.

Wellicht geheel ten overvloede merkt de rechtbank nog op dat eiseres thans alsnog zo spoedig mogelijk na de verzending van deze uitspraak - gelet op vaste rechtspraak binnen 14 dagen - alsnog een bezwaarschrift kan indienen tegen het primaire besluit van verweerder van 25 april 2000.

Tevens merkt de rechtbank op dat zij geen aanleiding ziet om een oordeel uit te spreken over de inhoudelijke aspecten van het beroep, nu het geschil nog in de volle omvang ter heroverweging bij verweerder berust, zo eiseres tijdig bezwaar instelt.

Beslist wordt derhalve als volgt.

4. Beslissing

De Arrondissementsrechtbank Almelo,

Recht doende:

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt verweerders beslissing op bezwaar en;

- verklaart het inleidend bezwaarschrift van eiseres gericht tegen de brief van 13 april 2000 niet-ontvankelijk;

- veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten, welke kosten worden bepaald op f. 719,-- door verweerder te betalen aan eiseres;

- verstaat dat verweerder aan eiseres het griffierecht ad f. 450,-- vergoedt.

Tegen deze uitspraak staat binnen zes weken na verzending hoger beroep open bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State te 's-Gravenhage.

Gewezen en in het openbaar uitgesproken op 9 november 2000

door mr. H.G. Rottier, in tegenwoordigheid van J. Wenniger als griffier.

Afschrift verzonden op

av