Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2000:AA8075

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
10-10-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
40776 KG ZA 00-279
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank te Almelo

Kort geding

Vonnis d.d. 10 oktober 2000

Zaaknummer 40776 KG ZA 00-279

[Eiser]

wonende te Enschede,

eiser,

procureur: mr. J. de Jong van Lier

en

1. [Gedaagde 1]

wonende te Hengelo,

gedaagde,

en

2. [Gedaagde 2]

wonende te Enschede,

gedaagde,

procureur: L.J. Speijdel

De president van de arrondissementsrechtbank te Almelo, rechtdoende in kort geding:

gehoord partijen en gezien de stukken;

overwegende ten aanzien van:

het verloop van de procedure:

Eiser, hierna ook te noemen: [Eiser], heeft gesteld en gevorderd als staat te lezen in de dagvaarding. Ter zitting van 9 oktober 2000 is het in de dagvaarding gevraagde verbod aangevuld in die zin dat niet een verbod van verspreiding wordt gevraagd, maar een verbod van verdere verspreiding. Ter zitting heeft [Eiser] zich laten bijstaan door zijn procureur.

Gedaagden, hierna ook te noemen [Gedaagde 1] en [Gedaagde 2], hebben ter zitting hun standpunt laten toelichten door hun procureur.

Na over en weer te hebben gepleit hebben partijen de processtukken overgelegd en vonnis verzocht.

het geschil van partijen en de beoordeling:

1. [Eiser] vordert -uitvoerbaar bij voorraad- dat [Gedaagde 1] en [Gedaagde 2] wordt verboden om de ideeën van [Eiser], die ten grondslag liggen aan de software die hij heeft gepresenteerd in het kader van het vak B.O. Gegevensbanken verder te verspreiden op straffe van verbeurte van een dwangsom.

2. [Eiser] is student aan de Universiteit Twente en heeft in het kader van het vak B.O. Gegevensbanken een opdracht gerealiseerd. [Eiser] stelt zich op het standpunt dat de opdracht heeft geresulteerd in programmatuur en architectuur die uniek is en een zeer grote marktwaarde vertegenwoordigt. Van zijn opdracht heeft [Eiser] verslag gedaan, welk verslag is getiteld: “Grafische Query Tools”. De docenten van de vakgroep, [Gedaagde 1] en [Gedaagde 2], wilden niet alleen zien wat het programma kon, maar zij wilden ook inzicht hebben in de programmatuur zelf. [Eiser] heeft vervolgens enig inzicht geboden in de structuur van de programmatuur en de architectuur, zonder daarbij de software te openbaren. Die structuur is te beschouwen als de kern van zijn vondst, aldus [Eiser]. [Eiser] stelt dat [Gedaagde 1] en [Gedaagde 2] zijn ideeën niet op straat mogen leggen. [Eiser] is er echter mee bekend geworden dat [Gedaagde 1] en [Gedaagde 2] dinsdag 10 oktober 2000 in Salt Lake City, USA, op een internationaal congres een voordracht zullen verzorgen, waarvan de titel “Using webspaces to modell document collections on the web” sterk aanleiding geeft te veronderstellen dat op het congres de ideeën van [Eiser] gepresenteerd zullen worden. [Eiser] stelt zich op het standpunt dat wanneer zijn ideeën op straat komen te liggen, hij een zeer groot vermogensverlies zal leiden, aangezien hij op zijn ideeën dan niet meer effectief de intellectuele eigendom kan claimen.

3. [Gedaagde 1] en [Gedaagde 2] stellen zich op het standpunt dat het door [Eiser] gepresenteerde verslag “ Grafische Query Tools” in zeer algemene bewoordingen is gesteld. Uit dit verslag kan niet worden opgemaakt dat [Eiser] unieke, nieuwe ideeën zou hebben gehad.

Dat zou slechts uit de software kunnen worden afgeleid, maar deze wil [Eiser] niet ter beschikking stellen.

De unieke ideeën van [Eiser] zouden zijn gelegen in de plaatsing van XML, XSL, DTD en het XML-schema in de architectuur en de relatie met andere elementen van die architectuur.

[Gedaagde 1] en [Gedaagde 2] stellen zich op het standpunt dat naar XML, XSL en DTD door veel groepen in de wereld onderzoek wordt gedaan. Voor zover de ideeën van [Eiser] betrekking hebben op het gebruik hiervan zijn deze ideeën bepaald niet nieuw. Op basis van het verslag in het kader van het vak B.O.Gegevensbanken lijkt ook de plaatsing in de architectuur niet nieuw.

Voorts voeren [Gedaagde 1] en [Gedaagde 2] aan dat de lezing die door [Gedaagde 2] op 10 oktober 2000 in Salt Lake City gegeven zal worden, betrekking heeft op modellering, terwijl de ideeën van [Eiser], voor zover [Gedaagde 1] en [Gedaagde 2] kunnen nagaan, betrekking hebben op querien.

Bovendien komt het gevraagde verbod van [Eiser] nogal als mosterd na de maaltijd, aangezien de tekst van die die lezing inmiddels op internet is te zien en van het congres de proceedings reeds zijn verspreid.

4. De president is van oordeel dat [Eiser] met zijn verbod op de presentatie door [Gedaagde 2] op een congres in Salt Lake City van diens bevindingen op zijn vakgebied een zeer verstrekkende voorziening vraagt. Een zodanig verbod immers is aan te merken als een inbreuk op de vrijheid van wetenschapsbeoefening en van vrije uitwisseling van wetenschappelijke gegevens. Een zodanig verzoek dient goed onderbouwd te zijn.

5. [Eiser]s en [Gedaagde 1] en [Gedaagde 2] verschillen van mening over de vraag of het door [Eiser]s in zijn verslag, gemaakt in het kader van het vak B.O. Gegevensbanken, gepresenteerde H-model een nieuwe structuur biedt voor programmatuur en architectuur van software.

[Eiser]s stelt zich op het standpunt dat dit wel het geval is. De gepresenteerde structuur zou het resultaat zijn van zijn nieuwe, unieke ideeën op dit gebied.

[Gedaagde 1] en [Gedaagde 2] stellen dat deze structuur is te herleiden uit de in de literatuur reeds bekende beschrijvingen.

6. Zoals door partijen ter zitting zelf al is opgemerkt, heeft de stellingname ter zitting door partijen zich gekenmerkt door een hoog welles-nietes gehalte.

Aan [Eiser] is verzocht meer expliciet duidelijk te maken op grond waarvan de president ervan uit moet gaan dat zijn nieuwe en unieke ideeën hebben geleid tot een nieuwe structuur van de programmatuur en de architectuur.

Ook is [Eiser] verzocht aan te geven wat zijn belang is bij een verder verbod op verspreiding, nu de tekst van de lezing van [Gedaagde 2] reeds in proceedings is verspreid en op internet is gepubliceerd.

7. Door [Eiser] zijn enkele stellingen geponeerd die door [Gedaagde 1] en [Gedaagde 2] met evenveel klem zijn weersproken.

[Eiser] heeft zich in eerste instantie uitgelaten in die zin dat hij vermoedt dat de lezing van [Gedaagde 2] zal gaan over zijn onderzoeksresultaten. Ter zitting daarnaar gevraagd heeft [Eiser] gewezen op de titel van de lezing en heeft hij een exemplaar overgelegd van het H-model, dat hij van internet heeft gehaald als onderdeel van de lezing van [Gedaagde 2], welk model zijn product zou zijn. [Gedaagde 1] en [Gedaagde 2] ontkennen dat de lezing een verslag zal bevatten van de onderzoeksbevindingen van [Eiser]. Als belangrijkste reden daarvoor hebben zij aangevoerd dat de lezing van [Gedaagde 2] betrekking heeft op modelleren, terwijl het onderzoek van [Eiser] betrekking heeft op querien. Wel zal in de lezing ingegaan worden op de plaats van de elementen in het model.

8. [Eiser]s heeft ter onderbouwing van zijn stellingen voor het overige geen enkele documentatie overgelegd. Zou het zo zijn dat [Gedaagde 2] zich in zijn lezing op het congres te Salt Lake City zal gaan bedienen van de onderzoeksresultaten van [Eiser], dan had het op de weg van [Eiser] gelegen om de publicatie van die lezing op internet aan de president voor te leggen, tegelijk met zijn verslag “Grafische Query Tools”, zodat een vergelijking van die documentatie wellicht meer duidelijkheid had kunnen bieden.

Ook had [Eiser] zijn verslag, waarin hij zich naar eigen zeggen van specifieke, gefundeerde stellingen heeft bediend, kunnen overleggen, dan wel daaruit relevante passages kunnen aanhalen.

9. [Eiser] heeft met name bezwaar tegen publicatie door [Gedaagde 2] van het model, dat het H-model is genoemd. [Eiser] claimt daarvan de uitvinder te zijn. Alle elementen zijn in de literatuur bekend, zo stelt [Eiser], maar de opstelling van die elementen ten opzichte van elkaar is nieuw. Door nu dat model als zodanig naar buiten te brengen, wordt de kern van zijn idee naar buiten gebracht. [Gedaagde 1] en [Gedaagde 2] hebben echter aangevoerd dat de plaats van de elementen en de verbindingen daartussen, zoals door [Eiser] in zijn H-model is gepresenteerd, al eerder in de literatuur zijn beschreven. Al ruim voordat [Eiser] met zijn verslag is gekomen, heeft [Gedaagde 2] op grond van literatuuronderzoek een model geconcipieerd. Dit model is door [Eiser] als het H-model gepresenteerd, afgeleid van zijn naam, Harry, en van de plaats van de elementen. In die zin is de bijdrage van [Eiser], naar het oordeel van [Gedaagde 1] en [Gedaagde 2], een toevoeging op de bestaande literatuur geweest. Dit heeft echter niets met de inhoudelijke ideeën daarachter van doen.

10. De president stelt zich op het standpunt dat [Eiser] in deze kort gedingprocedure, gelet op het onder punt 4 overwogene, onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake is van een nieuwe structuur, dan wel van unieke en nieuwe ideeën die die bescherming behoeven die [Eiser] daarvan wenst.

11. Voorts is de president van oordeel dat [Eiser] onvoldoende duidelijk heeft gemaakt wat hij beoogt met een verbod op verdere verspreiding. Vast staat dat de tekst van de lezing van [Gedaagde 2] al op internet wordt aangeboden en in die zin voor iedereen openbaar is. Ook is de tekst van de lezing reeds in boekvorm, de zogenaamde, proceedings, verspreid.

Deze verspreidingen zijn naar alle waarschijnlijkheid niet meer ongedaan te maken. In die zin zal een verbod op verdere verspreiding daarin geen verandering kunnen brengen.

12. De president is mitsdien van oordeel dat het verzoek van [Eiser] niet kan worden toegewezen.

13. [Eiser] dient als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van dit geding te worden veroordeeld.

DE BESLISSING :

I Wijst het door [Eiser] gevorderde af;

II. Veroordeelt [Eiser] in de kosten van deze procedure, tot op deze uitspraak aan de zijde van [Gedaagde 1] en [Gedaagde 2] begroot op f.1400,00, zijnde f.400,00 aan verschotten en f.1000,00 aan salaris van de procureur.

III. Verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Aldus gewezen te Almelo door mr. Jue, president, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 oktober 2000 in tegenwoordigheid van de griffier.