Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2000:AA7259

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
20-09-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
40031 KG ZA 242-2000
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE ALMELO

Kort Geding

zaaknummer: 40031 kg za 242 van 2000.

datum uitspraak vonnis: 20 september 2000 (mcg).

1. [Eiser 1],

wonende te Almelo,

2. [Eiser 2],

gevestigd en kantoorhoudende te Almelo,

eisers,

hierna te noemen [Eiser] ,

procureur: mr. G.G. Vermeulen,

advocaten: mrs. M. Heffels en M.A.S.M. van Leent te Amsterdam.

tegen

[Gedaagde], (mede) handelende onder de naam Alamost, Alamost Health Division en/of Alamost Cultural Coaching,

wonende te Almelo,

gedaagde,

hierna te noemen [Gedaagde] ,

procureur: mr. M.G. Jacobs.

De president van de arrondissementsrechtbank te Almelo, rechtdoende in kort geding.

Gehoord partijen en gezien de stukken;

Overweegt:

over het verloop van de procedure:

Eisers hebben gesteld en gevorderd als is te lezen in de dagvaarding.

Ter zitting heeft [Eiser] zijn standpunten doen toelichten door zijn advocaten.

Mr. Jacobs heeft voor gedaagde verweer gevoerd.

Tenslotte hebben partijen de stukken van het geding overgelegd en vonnis gevraagd.

over het recht:

In dit vonnis geldt het volgende als uitgangspunt:

1. Beide partijen produceren en verkopen, kort gezegd, vitaminepreparaten. Zij procederen al vanaf november 1999 over de vraag of [Gedaagde] door het op de markt brengen van zijn vitaminepreparaten onrechtmatig handelt jegens [Eiser]. [Eiser] heeft al diverse malen beslag gelegd op de bankrekening en handelsvoorraad vitaminepreparaten van [Gedaagde]. Al die beslagen zijn inmiddels opgeheven, hetzij door rechterlijke uitspraak, hetzij omdat partijen terzake een schikking troffen. Van die rechterlijke uitspraken is vermeldenswaard die van het Hof in Arnhem van 4 juli 2000. Het Hof acht het door [Eiser] gestelde handelen in strijd met de Auteurswet niet aannemelijk en heft het op die grond door [Eiser] gelegde beslag op de handelsvoorraad van [Gedaagde] op.

2. Op 6 april 2000 heeft [Eiser] bij het Landgericht Leipzig een bodemprocedure aanhangig gemaakt. Daarin vordert hij aanvankelijk [Gedaagde] te verbieden zijn vitaminepreparaten in Duitsland in de handel te brengen. [Eiser] grondt zijn vordering op het Artzneimittelngesetz en mogelijk ook op onrechtmatig handelen van [Gedaagde]. In een aan deze bodemprocedure voorafgegane einstweilige Verfügung, waartegen [Gedaagde] geen beroep heeft ingesteld, heeft die Duitse rechter op vordering van [Eiser] bepaald dat [Gedaagde] een reeks van haar met name genoemde vitamineproducten in Duitsland niet op de markt mag brengen op straffe van een dwangsom en/of vrijheidsbeneming. [Eiser] vult dit gevraagde en verkregen verbod later aan met een vordering tot schadevergoeding van DM 500.000,-. Tot zekerheid van deze vordering laat [Eiser] in Nederland opnieuw beslag leggen op de handelsvoorraad en de bankrekening van [Gedaagde]. Resultaat is dat het door het Hof opgeheven beslag op de vitaminepreparaten blijft liggen, zij het nu op andere grond. [Gedaagde] komt tegen dit hernieuwde beslag in kort geding op. In zijn kort gedingvonnis van 1 augustus 2000 heeft de president een vordering van [Eiser] op [Gedaagde] wegens schadevergoeding voorshands niet zonder grond geacht en geoordeeld dat het door [Eiser] ten laste van [Gedaagde] onder de bank gelegde beslag moet blijven liggen. Het beslag op de handelsvoorraad van [Gedaagde] wordt in ditzelfde vonnis opgeheven: [Eiser] kan nooit de bedoeling hebben deze voorraad te gelde te maken door verkoop omdat hij het in de handel brengen juist wenst te voorkomen, zodat de grond aan het beslag, te weten verhaal voor een geldvordering, komt te ontvallen. Ook de afweging van de belangen van [Gedaagde] en [Eiser] brengt de president tot zijn beslissing dat het beslag moet worden opgeheven: [Gedaagde] lijdt een onevenredig nadeel als het beslag op de handelsvoorraad blijft liggen, terwijl [Eiser] er vrijwel geen voordeel van geniet. [Eiser] wordt dan ook veroordeeld om uiterlijk op de vierde werkdag na betekening van het vonnis voor 15.00 uur alle zich nog onder de deurwaarder bevindende handelsvoorraden van [Gedaagde] waar het beslag op rustte terug te laten bezorgen bij zekere HST B.V., dit op verbeurte van een dwangsom.

3. Het vonnis van 1 augustus 2000 is aan [Eiser] betekend op 3 augustus 2000. De inbeslaggenomen goederen zijn op 9 augustus 2000 om 15.45 uur - drie kwartier te laat - door [Eiser] afgegeven bij HST. Op datzelfde moment heeft [Eiser], ditmaal op basis van beweerde octrooiinbreuk, opnieuw beslag gelegd. [Eiser] heeft ditmaal bij de Haagse rechtbank een procedure aanhangig gemaakt, waarin hij stelt dat [Gedaagde] handelt in strijd met [Eiser]’s octrooi door in Duitsland en Zwitserland zijn vitaminepreparaten in de handel te brengen of te willen brengen. Van de Haagse president verzoekt en verkrijgt [Eiser] verlof tot het leggen van beslag op [Gedaagde]s handelsvoorraad. [Gedaagde] heeft op 17 augustus 2000 aan M.W. [Eiser] een exploit doen betekenen waarin hij betaling eist van verbeurde dwangsommen, tot op die datum begroot op een bedrag van f. 80.000,-.

4. [Eiser] vordert thans in kort geding staking van de executie van het vonnis van 1 augustus 2000, nu de eerder in beslaggenomen goederen op 9 augustus 2000 bij HST B.V. zijn vrijgegeven en derhalve aan het vonnis van 1 augustus 2000 is voldaan. De nieuwe beslaglegging heeft immers een geheel andere rechtsgrond. [Gedaagde] concludeert tot afwijzing van de vordering.

5. De president is van oordeel dat [Eiser] bij het leggen van het nieuwe beslag op 9 augustus 2000 misbruik heeft gemaakt van zijn recht tot beslaglegging en de vordering van [Eiser] dient te worden afgewezen.

[Eiser] heeft gesteld dat er sprake is van dreigend onrechtmatig handelen van [Gedaagde] jegens [Eiser]; aangezien de inbeslaggenomen vitaminepreparaten zijn verpakt in potjes met Duitstalige labels kan het volgens hem niet anders dan dat [Gedaagde] deze zal exporteren naar Duitsland en Zwitserland. Gezien de einstweilige Verfügung van het Landgericht Leipzig maar ook krachtens de octrooirechten van [Eiser] is [Gedaagde] hiertoe niet gerechtigd.

6. Op een rij gezet blijkt het volgende:

Voorshands is niet anders gebleken dan dat [Gedaagde] zijn vitamineproducten in beginsel overal ter wereld mag verhandelen, behalve in een aantal landen zoals Duitsland, Zwitserland, Frankrijk en Engeland.

Het auteursrechtelijke beslag dat [Eiser] op de handelsvoorraad legt, wordt door het Hof Arnhem opgeheven.

Zijn daarop volgend op de preparaten gelegde beslag als zekerheid voor een geldvordering wordt in kort geding opgeheven.

Vervolgens legt [Eiser] beslag op de preparaten met een nog niet eerder in het geding gebracht argument: dreiging van schending van [Eiser]’s octrooirechten in Duitsland en Zwitserland.

7. De president is voorshands van oordeel dat de door [Eiser] gestelde vrees voor een onrechtmatige inbreuk op de octrooirechten van [Eiser] in Duitsland niet door feitelijkheden wordt gestaafd. [Gedaagde] heeft in november 1999 in Duitsland reeds op straffe van een dwangsom van DM 500.000,- dan wel 6 maanden hechtenis een verbod opgelegd gekregen om zich te onthouden van de verkoop van een aantal vitamineproducten in Duitsland. Op naleving van dit verbod houdt [Eiser] streng toezicht. Dit blijkt ook wel uit de omstandigheid dat in november 1999, vrijwel op de dag van het uitspreken van het verbod en terwijl [Gedaagde] nauwelijks tijd heeft gehad voor de organisatie van een staking van zijn verkoopactiviteit, [Gedaagde] wordt gegrepen op handelen in strijd met dit verbod. Echter, sindsdien is van een overtreding van [Gedaagde] niet meer gebleken, zodat niet aannemelijk is geworden dat [Gedaagde] het verbod aan zijn laars lapt.

8. Gezien het vorenstaande is de gestelde vrees van [Eiser] voor een inbreuk op zijn recht niet aannemelijk. Gezien de beschreven omstandigheden van het geval maakt [Eiser] misbruik van zijn bevoegdheden tot het leggen van beslag; [Eiser] heeft met het gelegde beslag het vrijgeven van de vitaminepreparaten gefrustreerd, kennelijk uitsluitend en alleen met de bedoeling om te voorkomen dat [Gedaagde] de zaken ergens anders kan verkopen en daardoor [Gedaagde] te schaden. Dit terwijl het [Gedaagde] vrij staat de preparaten te verkopen en exporteren naar een groot aantal landen en hierbij ook geen rechten van [Eiser] schendt dan wel jegens hem een onrechtmatige daad pleegt. Voor zover al nodig zijn de Duitstalige labels gemakkelijk te vervangen door labels die in een andere taal zijn gesteld. Door in strijd met de kennelijke strekking van de uitspraken van het Hof en de president ten derde male beslag te leggen op de handelsvoorraad van [Gedaagde], heeft [Eiser] gehandeld in strijd met de in die uitspraken duidelijke beslissing dat het [Gedaagde] vrij behoorde te staan zijn voorraden buiten Duitsland en Zwitserland (en eventuele andere landen) te verkopen. [Eiser] heeft derhalve de nakoming van het vonnis in kort geding van 1 augustus 2000 gefrustreerd. De vordering tot staking van de executie dient dan ook te worden afgewezen.

9. [Eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van deze procedure.

RECHTDOENDE IN KORT GEDING :

I. Wijst af het gevorderde.

II. Veroordeelt [Eiser] in de kosten van het geding, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [Gedaagde] begroot op f. 1.900,- aan verschotten en salaris van de procureur.

Dit vonnis is gewezen te Almelo door mr. Drewes en is op 20 september 2000 in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.