Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2000:AA7220

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
31-05-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
99/619 WW F1 A
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK ALMELO

Sector Bestuursrecht - Meervoudige Kamer

Registratienummer: 99/619 WW F1 A

UITSPRAAK

in het geschil tussen:

[eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres,

gemachtigde: mr. R.J. Zeldenrust, advocaat te Zwolle,

en

het Landelijk instituut sociale verzekeringen, gevestigd te Amsterdam, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder d.d. 30 juni 1999.

2. De feiten en het verloop van de procedure

Eiseres werkte sedert 27 april 1995 als taxichauffeur bij Taxicentrale [plaats] BV, gevestigd te [plaats], op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd.

Bij verzoekschrift van 1 februari 1999 heeft vorengenoemde werkgever de kantonrechter te Almelo verzocht de arbeidsovereenkomst met eiseres op grond van gewichtige redenen als bedoeld in artikel 7:685 van het Burgerlijk Wetboek (BW) te ontbinden per 1 maart 1999.

Bij beschikking van 1 februari 1999 heeft de kantonrechter de tussen eiseres en haar werkgever bestaande arbeidsovereenkomst per 1 maart 1999 ontbonden. Daarbij heeft de kantonrechter aan eiseres een schadevergoeding toegewezen van ¦ 10.500,-- bruto.

Vervolgens heeft eiseres op 1 maart 1999 verweerder verzocht om haar ingaande die datum in aanmerking te brengen voor een uitkering krachtens de Werkloosheidswet (WW).

Bij besluit van 5 maart 1999 heeft verweerder eiseres meegedeeld dat zij met inachtneming van de fictieve opzegtermijn eerst ingaande 1 april 1999 recht heeft op WW-uitkering. Daarin is voorts meegedeeld dat het besluit over de eventuele WW-uitkering van eiseres ingaande 1 april 1999 per afzonderlijke brief zal worden meegedeeld.

Bij besluit van 18 maart 1999 heeft verweerder eiseres meegedeeld, dat naar aanleiding van de eerste werkloosheidsdag, die is vastgesteld op 1 april 1999, er geen recht op uitkering ontstaat omdat het arbeidsurenverlies minder dan vijf bedraagt.

Eiseres heeft zich niet kunnen verenigen met verweerders besluit van 5 maart 1999 en heeft hiertegen op 31 maart 1999 bezwaar gemaakt.

Op 23 juni 1999 heeft een hoorzitting plaatsgevonden.

Bij het bestreden besluit van 30 juni 1999 heeft verweerder vervolgens de bezwaren van eiseres tegen het besluit van 5 maart 1999 ongegrond verklaard.

Blijkens het ingediende beroepschrift kan eiseres zich niet verenigen met dit besluit.

Verweerder heeft op 6 augustus 1999 een verweerschrift ingediend.

Desverzocht heeft verweerder op 24 november 1999 nadere schriftelijke informatie verstrekt.

Het beroep is behandeld ter openbare zitting van de rechtbank van 23 maart 2000, waar partijen niet zijn verschenen.

De rechtbank heeft vervolgens bepaald dat het onderzoek niet volledig is geweest en heeft dit heropend teneinde de zaak te verwijzen naar de meervoudige kamer.

Hierna is het beroep behandeld ter openbare zitting van de rechtbank van 22 mei 2000, waarbij eiseres en haar gemachtigde wederom niet zijn verschenen. Verweerder heeft zich ditmaal doen vertegenwoordigen door mr. R.P. Metman, werkzaam bij de afdeling Bezwaar en Beroep van het Gak Nederland BV, kantoor Amsterdam-Sloterdijk.

3. Overwegingen

In geschil is de vraag of het besluit van verweerder van

30 juni 1999, waar het de vaststelling van de fictieve opzegtermijn betreft, in rechte in stand kan blijven.

Op 1 januari 1999 is in werking getreden, de Wet Flexibiliteit en zekerheid (Stb. 1998, 300), verder te noemen: de Flexwet.

Met deze wet is een reeks van andere wetten gewijzigd, waaronder -voor zover hier van belang- artikel 7:672 BW en artikel 16 van de WW.

Ingevolge artikel 16, eerste lid, van de WW wordt de werknemer die tenminste vijf of tenminste de helft van zijn arbeidsuren per kalenderweek heeft verloren alsmede het recht op onverminderde doorbetaling van zijn loon over die uren, en die beschikbaar is om arbeid te aanvaarden, als werkloos beschouwd.

Ingevolge artikel 16, derde lid, van de WW, wordt met het recht op onverminderde doorbetaling van het loon gelijkgesteld de inkomsten waarop de werknemer recht heeft in verband met de beëindiging van de dienstbetrekking, tot aan het bedrag aan loon dat de werknemer zou hebben ontvangen indien de dienstbetrekking door opzegging met inachtneming van de rechtens geldende termijn zou zijn geëindigd. Daarbij wordt onder de rechtens geldende termijn verstaan de termijn die de werkgever of de werknemer op grond van artikel 672 van Boek 7 van het BW ieder voor zich bij opzegging in acht behoort te nemen. Het bedoelde bedrag wordt indien de dienstbetrekking is geëindigd door ontbinding, toegerekend aan de periode onmiddellijk volgend op de datum van de beschikking tot ontbinding.

Indien de dienstbetrekking is geëindigd door ontbinding op verzoek van de werkgever, is artikel 672, vierde lid, van Boek 7 van het BW van overeenkomstige toepassing.

Artikel 7:672 van het BW luidt per 1 januari 1999, voor zover hier van belang, als volgt:

1. Opzegging geschiedt tegen het einde van de maand, tenzij bij

schriftelijke overeenkomst of door het gebruik een andere dag

daarvoor is aangewezen.

2. De door de werkgever in acht te nemen termijn van opzegging

bedraagt bij een overeenkomst die op de dag van opzegging:

a. korter dan vijf jaar heeft geduurd: één maand;

b. vijf jaar of langer, maar korter dan tien jaar heeft

geduurd: twee maanden;

c. tien jaar of langer, maar korter dan vijftien jaar heeft

geduurd: drie maanden; vijftien jaar of langer heeft

geduurd: vier maanden.

3. De door de werknemer in acht te nemen termijn van opzegging

bedraagt één maand.

4. Indien de toestemming bedoeld in artikel 6 van het

Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen 1945 is verleend,

wordt de door de werkgever in acht te nemen termijn van

opzegging verkort met één maand, met dien verstande dat

de resterende termijn van opzegging ten minste één maand

bedraagt. (...)

Aan verweerders besluit ligt de overweging ten grondslag dat de dienstbetrekking is geëindigd middels ontbinding door de kantonrechter. De datum van de beschikking van de ontbinding is 1 februari 1999. Daarbij is volgens verweerder aan eiseres een schadevergoeding toegewezen of zijn anderszins bedragen toegekend die gelijk te stellen zijn aan loon over de opzegtermijn, indien deze normaal in acht zou zijn genomen. Daarbij stelt verweerder zich op het standpunt dat de opzegtermijn waarover geacht wordt loon te zijn ontvangen in de onderhavige situatie loopt vanaf 2 februari 1999 tot 1 april 1999 en dat eiseres derhalve over deze periode geen recht op uitkering heeft.

Eiseres is primair van mening dat de opzegtermijn van een maand op correcte wijze in acht wordt genomen indien, uitgaande van de datum ontbindingsbeschikking 1 februari 1999, wordt doorgeteld tot 1 maart 1999, zodat met ingang van laatstgenoemde datum de WW-uitkering -met inachtneming van de opzegtermijn- een aanvang dient te nemen en niet eerst per 1 april 1999. Daarbij is eiseres van mening dat verweerder handelt in strijd met de inhoud, de strekking en de intentie van de terzake geldende wettelijke bepalingen en handelt in strijd met de redelijkheid en billijkheid, door zich op het standpunt te stellen dat in het onderhavige geval geteld moet worden vanaf 2 februari 1999, zodat de opzegtermijn loopt tot en met 1 maart 1999, waarna doorgeteld moet worden tot het einde van de maand.

Subsidiair stelt eiseres zich op het standpunt dat, ook al zou moeten worden uitgegaan van een aanvang van de periode waarover de opzegtermijn geldt -en waarover geen WW-uitkering wordt ontvangen- die ingaat op 2 februari 1999, uitgaande van einde van de opzegtermijn van een maand, op 1 maart 1999 recht op uitkering bestaat. Zou de opzegtermijn telkenmale worden verlengd tot het einde van de maand, dan zou een volstrekt willekeurige factor, namelijk de datum waarop een ontbindingsbeschikking toevalligerwijs wordt afgegeven, in extreme gevallen het verschil kunnen uitmaken van -bijna- een maandsalaris die op volstrekt onberedeneerde gronden ten laste van de desbetreffende uitkeringsgerechtigde zou komen.

In het verweerschrift blijft verweerder bij zijn bij het bestreden besluit ingenomen standpunt dat de fictieve opzegtermijn moet worden vastgesteld conform de regels van artikel 7:672, eerste tot en met het negende lid van het BW. Dus moet ook met inachtneming van de dag waartegen worden opgezegd. Opzegging geschiedt conform het eerste lid van 7:672 BW tegen het einde van de maand, tenzij bij schriftelijke overeenkomst, reglement of door het gebruik een andere dag daarvoor is aangewezen. Volgens verweerder geeft de arbeidsovereenkomst van eiseres geen aanleiding af te zien van de hoofdregel, zodat de opzegging dient te geschieden tegen het einde van de maand.

Aldus eindigt volgens verweerder de fictieve opzegtermijn conform artikel 16, derde lid, van de WW op 31 maart 1999 en kan de eerste werkloosheidsdag als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de WW niet eerder worden vastgesteld dan op 1 april 1999.

De rechtbank kan verweerder in deze redenering niet volgen en overweegt daartoe het volgende.

Ingevolge het bepaalde in artikel 16, derde lid, van de WW worden met het recht op onverminderde doorbetaling van loon, bedoeld in het eerste lid van dat artikel, gelijkgesteld de inkomsten waarop de werknemer recht heeft in verband met de beëindiging van de dienstbetrekking, tot aan het bedrag aan loon dat de werknemer zou hebben ontvangen indien de dienstbetrekking door opzegging met inachtneming van de rechtens geldende termijn zou zijn geëindigd. Onder de rechtens geldende termijn wordt verstaan de termijn die de werkgever of de werknemer op grond van artikel 672 van boek 7 van het BW ieder voor zich bij opzegging in acht behoort te nemen.

Verweerder laat zich bij de uitleg van dit gedeelte van artikel 16 WW leiden door de omstandigheid dat wordt verwezen naar artikel 7:672 BW geheel. Daaruit leidt verweerder af dat bij de berekening van de fictieve opzegtermijn niet voorbij mag worden gegaan aan de dag waartegen ingevolge het bepaalde in het eerste lid van artikel 7:672 BW dient te worden opgezegd.

Met eiseres is de rechtbank evenwel van oordeel dat verweerder er aldus aan voorbij ziet dat in artikel 16 WW sprake is van de rechtens geldende termijn, waarbij van belang is dat telkens wanneer in artikel 7:672 sprake is van een termijn het de opzegtermijn betreft, dat wil zeggen de termijn die geldt op grond van de leden 2 en verder.

Voor het standpunt dat tevens de aanzegdag in aanmerking dient te worden genomen zoals verweerder meent, heeft de rechtbank onvoldoende aanknopingspunten gevonden. Immers indien de wetgever zou hebben beoogd dat bij het bepalen van de rechtens geldende termijn tevens de aanzegdag diende te worden betrokken had het in de rede gelegen dat de wetgever expliciet daarvan melding had gemaakt, juist omdat het gebruik van het woord "termijn" een andere suggestie wekt.

De rechtbank ontleent ook aan de totstandkomingsgeschiedenis van de hier in geding zijnde bepaling argumenten om de door eiseres daaraan gegeven uitleg de meest juiste te achten. Immers in een vorige versie van artikel 16, derde lid, WW werd in geval van ontbinding door de kantonrechter onder de voor de werkgever geldende termijn verstaan de termijn bedoeld in de leden 2 en 4 van artikel 672 van Boek 7 van het BW. Daaruit moet worden afgeleid dat voor het berekenen van de fictieve opzegtermijn geen betekenis moet worden toegekend aan de dag waartegen moet worden opgezegd ingevolge het bepaalde in het eerste lid van genoemd artikel. Slechts om te voorkomen dat de fictieve opzegtermijn zou moeten worden bepaald aan de hand van de bepalingen van artikel 7:672, lid 2, BW, terwijl voor werkgever en werknemer feitelijk een van die wettelijke termijn afwijkende opzegtermijn kan gelden, is met de invoering van de Flexwet de redactie van artikel 16 WW aangepast. Dat de wetgever daarbij tevens de bedoeling heeft gehad om alsnog de dag waartegen moet worden opgezegd bij de bepaling van de fictieve termijn van artikel 16 WW te betrekken, valt uit de wetsgeschiedenis niet te lezen.

Voorts overweegt de rechtbank nog dat de dag waartegen moet worden opgezegd vóór inwerkingtreding van de Flexwet was geregeld in artikel 7:670 BW. Artikel 7:672 had uitsluitend op de opzegtermijn betrekking. Dat de wetgever zou hebben beoogd om, zonder expliciete verwijzing naar het eerste lid van het gewijzigde artikel 7:672 BW, toch de aanzegdag te betrekken bij de bepaling van de fictieve termijn zoals bedoeld in artikel 16 WW acht de rechtbank mede gelet op deze omstandigheid niet aannemelijk.

Tegen het standpunt van verweerder pleit bovendien dat in dat geval een volstrekt willekeurig element, waarop de werknemer nauwelijks invloed kan uitoefenen, te weten de dag van de maand waarop de kantonrechter zijn beschikking tot ontbinding heeft afgegeven, van grote betekenis wordt voor de bepaling van de fictieve termijn van artikel 16 WW. Bij een ontbindingsbeschikking die is afgegeven aan het begin van de maand zou de opzegtermijn nog aanmerkelijk moeten worden verlengd, terwijl bij een beschikking aan het eind van de maand van een dergelijke verlenging niet of nauwelijks sprake zou zijn. Het komt de rechtbank voor dat de wetgever een dergelijke consequentie niet heeft beoogd, zodat ook daarom niet kan worden uitgegaan van de uitleg die verweerder aan artikel 16, derde lid, WW heeft gegeven.

Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit niet in stand kan worden gelaten. Het daartegen gerichte beroep dient derhalve gegrond te worden verklaard.

Op grond van het vorenstaande acht de rechtbank termen aanwezig om verweerder op grond van het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van haar beroep heeft moeten maken, zijnde de kosten van rechtsbijstand ad ¦ 710,--.

Beslist wordt derhalve als volgt:

4. Beslissing

De Arrondissementsrechtbank Almelo,

Recht doende:

verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt op het bezwaarschrift van eiseres met inachtneming van het in deze uitspraak gestelde;

veroordeelt verweerder in de proceskosten die eiseres heeft moeten maken, welke kosten worden bepaald op ¦ 710,--, door verweerder te betalen aan eiseres;

verstaat dat verweerder het griffierecht ad ¦ 60,-- vergoedt.

Tegen deze uitspraak staat binnen zes weken na verzending hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep te Utrecht.

Gewezen en in het openbaar uitgesproken op 31 mei 2000

door mrs. E.G. de Jong, A.E.M. Effting-Zeguers en

J.G.J. Roelvink, in tegenwoordigheid van J. Wenniger als griffier.

Afschrift verzonden op

jk