Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2000:AA6935

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
19-05-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
99/758 BELEI Q1 A
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JABW 2000, 162

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK ALMELO

Sector Bestuursrecht - Enkelvoudige Kamer

Registratienummer: 99/758 BELEI Q1 A

UITSPRAAK

in het geschil tussen:

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

gemachtigde: mr. B.J. van Beek, advocaat en procureur

te Enschede,

en

het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Hengelo (O), verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder d.d. 3 augustus 1999, verzonden 4 augustus 1998.

2. De feiten en het verloop van de procedure

Eiser had het voornemen om in het pand aan de [adres] een broodjes- en delicatessenzaak (op de begane grond) en een ontmoetingscentrum voor jongeren van de vereniging Tur Abdin (in de kelder) te beginnen. Op het betreffende perceel rust ingevolge het bestemmingsplan "Binnenstad, deelplan Centrum Noord" de bestemming "winkels, klasse W12".

Om zijn zaken te kunnen exploiteren heeft eiser op 31 mei 1996 een huurovereenkomst gesloten ten aanzien van bovengenoemd pand. Vervolgens heeft hij bij verweerder:

op 4 juni 1996 een uitkering op grond van het Bijzonder bijstandsbesluit zelfstandigen (Bbz) aangevraagd ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal en ter voorziening in de algemeen noodzakelijke kosten van bestaan;

op 26 augustus 1996 een verzoek om vrijstelling ingediend teneinde het pand te mogen gebruiken voor horeca-doeleinden, waarbij is aangegeven dat eiser ook de kelder hiervoor wilde gebruiken;

op 28 december 1996 verzocht om een bestemmingsplanherziening met betrekking tot het gebruik van de kelder voor horeca-doeleinden;

op 10 december 1996 een drank- en horecawetvergunning aangevraagd voor zijn broodjes- en delicatessenzaak en tevens een "alcohol-vrij"-vergunning.

Bij besluit van verweerder van 6 december 1996 is de aanvraag voor een uitkering op grond van het Bbz (het bijstandskrediet) afgewezen. Tegen dit besluit is door eiser geen bezwaar en/of beroep ingesteld.

Bij besluit van 28 november 1996 is vrijstelling verleend van de bepalingen van het bestemmingsplan voor het gebruik van de begane grond van het pand voor horeca-doeleinden. Op het verzoek tot vrijstelling is niet beslist voor zover het de kelder betrof. Eiser heeft geen bezwaar en/of beroep ingesteld tegen het besluit van 28 november 1996. Tevens heeft hij geen bezwaar en/of beroep ingesteld tegen de weigering tijdig te beslissen op het verzoek om vrijstelling voor het gebruik van de kelder voor horecadoel-einden.

Op het verzoek van eiser om een bestemmingsplanherziening is nimmer door verweerder beslist. Eiser heeft geen bezwaar en/of beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op het verzoek.

Verweerder heeft aan eiser geen drank- en horecawetvergunning verstrekt, omdat het door eiser gehuurde pand niet aan de inrichtingseisen zou voldoen.

Eiser heeft zijn zaak in het pand aan de [adres] op 12 oktober 1996 geopend en eind maart/begin april 1997 gesloten.

Bij brief van 2 september 1997 is namens eiser aan verweerder verzocht te besluiten om aan eiser te vergoeden de door hem tengevolge van de handelwijze van verweerder geleden schade ad ¦ 125.000,--, alsmede de nog door hem te lijden schade. Aan dit verzoek heeft eiser het volgende ten grondslag gelegd:

verweerder heeft ten onrechte geweigerd een bijstandskrediet te verlenen;

verweerder heeft ten onrechte geen vrijstelling verleend voor het gebruik van de kelder voor horeca-doeleinden;

verweerder heeft eiser ten onrechte geen drank- en horecawet-vergunning of "alcohol-vrij"-vergunning verstrekt en eiser terzake verkeerd voorgelicht;

verweerder heeft zich onvoldoende ingespannen om tegemoet te komen aan de gerechtvaardigde belangen van eiser.

Eiser is in de gelegenheid gesteld om zijn verzoek op 9 december 1997 mondeling toe te lichten, van welke gelegenheid gebruik is gemaakt.

Bij besluit van 7 april 1998 is het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Ter onderbouwing van de beslissing is verwezen naar de notitie "aansprakelijkheid Tropicana" (stuk B9), waarvan de inhoud als hier herhaald en ingelast wordt beschouwd.

Eiser heeft zich met deze beslissing niet kunnen verenigen en heeft daartegen bezwaar doen maken. Het bezwaarschrift is op 20 mei 1998 bij verweerder ingekomen. De gronden van bezwaar zijn aangevuld bij schrijven van 15 september 1998. Naast hetgeen al in het verzoek om schadevergoeding was vermeld heeft eiser tevens aangevoerd dat hij wegens het niet verkrijgen van de vereiste vergunningen geen speelautomaten heeft kunnen plaatsen, waardoor hij schade heeft geleden. Ook was de informatieverschaffing van de zijde van verweerder niet goed.

Het bezwaarschrift is behandeld tijdens de hoorzitting van de commissie voor de bezwaarschriften van 31 maart 1999. Deze commissie heeft op 7 juli 1999 advies uitgebracht. Het advies overnemend heeft verweerder bij het bestreden besluit het bezwaar van eiser, voor zover de vordering was gericht op de toepassing van de Drank- en Horecawet en op de herziening van het bestemmingsplan, niet-ontvankelijk verklaard, omdat niet was voldaan aan het connexiteitsvereiste.

Voor zover de vordering was gericht op de toepassing van de Algemene bijstandswet en het Bbz is het bezwaar eveneens niet-ontvankelijk verklaard, omdat er sprake was van een onherroepelijk besluit van verweerder (eiser zou te laat bezwaar ingesteld hebben tegen de afwijzing van het verzoek om een bijstandskrediet). Het bezwaar is voor het overige ongegrond verklaard.

Eiser heeft zich niet met dit besluit kunnen verenigen en heeft daartegen beroep doen instellen. Het beroepschrift is ingekomen ter griffie op 30 augustus 1999. Bij brief van 29 oktober 1999 heeft verweerder de op het geding betrekking hebbende stukken aan de rechtbank doen toekomen. Bij brief van 1 december 1999 zijn de aanvullende gronden van beroep ingediend. Verweerder heeft daarop op 13 januari 2000 het verweerschrift aan de rechtbank toegezonden.

Het beroep is behandeld ter openbare zitting van de rechtbank van 19 april 2000, waar eiser is verschenen vergezeld van gemachtigde mr. B.J. van Beek, terwijl verweerder zich heeft doen vertegen-woordigen door mrs. H.E.M. Wolsink en H.B.M. Bosman.

3. Overwegingen

In geschil is de vraag of het besluit van 3 augustus 1999, verzonden op 4 augustus 1999, waarbij de bezwaren van eiser tegen de afwijzing van het verzoek om schadevergoeding niet-ontvankelijk, dan wel ongegrond zijn verklaard, in rechte in stand kan blijven.

Eiser heeft verweerder verzocht tot afgifte van een zelfstandig schadebesluit. Een dergelijk besluit kan worden gedefinieerd als een besluit van een bestuursorgaan (verweerder) op een verzoek van een burger (eiser) om schadevergoeding terzake van een onrechtmatige overheidsdaad.

Ingevolge de rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) is een primair besluit omtrent vergoeding van gestelde geleden schade als gevolg van een eerder (appellabel) besluit, een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuurs-recht (Awb). Ingevolge de rechtspraak van de Afdeling bestuurs-rechtspraak van de Raad van State (ABRS) is de schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan op een verzoek om vergoeding van schade, die veroorzaakt zou zijn binnen het kader van de uitoefening van een aan het publiekrecht ontleende bevoegdheid, een publiekrechtelijke rechtshandeling en dus een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb.

Uit de rechtspraak van zowel de CRvB als de ABRS blijkt dat die administratieve rechter bevoegd is te achten tot kennisneming van beroepen tegen een zelfstandig schadebesluit, die ook bevoegd is te oordelen over beroepen tegen het schadeveroorzakende handelen zelf. Indien (destijds) geen beroep, en eventueel daaraan voorafgaand bezwaar, mogelijk was tegen het schadeveroorzakende overheidshandelen, kan tegen het naar aanleiding van dat handelen uitgelokte zelfstandig schadebesluit ook geen beroep worden ingesteld bij de bestuursrechter en is alleen de burgerlijke rechter bevoegd de aanspraak op schadevergoeding te beoordelen.

Er kan dus geen beroep worden ingesteld bij de bestuursrechter tegen een beslissing van een bestuursorgaan op een verzoek tot schadevergoeding naar aanleiding van (onder meer) feitelijk handelen of niet-appellabele handelingen.

Indien een schadeveroorzakend besluit niet is vernietigd door de bestuursrechter zal de onrechtmatigheid daarvan op andere wijze moeten worden vastgesteld. Dit kan doordat het bestuursorgaan de onrechtmatigheid erkent. Deze erkenning kan op vele manieren plaatsvinden, bijvoorbeeld doordat de onrechtmatigheid met zoveel woorden wordt erkend door intrekking of wijziging van het besluit of door honorering van een verzoek om op het besluit terug te komen. De onrechtmatigheid zal telkens ex tunc moeten worden vastgesteld. Indien een besluit niet door de rechter vernietigd is (er is geen rechtsmiddel aangewend, of de aanwending daarvan heeft niet geleid tot herroeping of vernietiging van het besluit) en de onrechtmatigheid daarvan niet door het bestuursorgaan wordt erkend, dan staat de leer van de formele rechtskracht in beginsel aan honorering van een verzoek om schadevergoeding in de weg. In gevallen waarin geen beroep openstaat en heeft opengestaan tegen besluiten zal de onrechtmatigheid daarvan moeten worden vastgesteld door de burgerlijke rechter.

De hiervoor vermelde rechtspraak heeft in dit geval de volgende consequenties.

bijstandskrediet

Verweerder heeft de aanvraag van eiser voor een bijstandskrediet afgewezen. Eiser heeft tegen dit besluit geen bezwaar en/of beroep ingesteld. Het besluit heeft derhalve formele rechtskracht gekregen. Nu verweerder niet heeft erkend dat het betreffende besluit onrechtmatig is, moet de rechtbank er van uitgaan dat het besluit niet onrechtmatig was. Eiser heeft niet gesteld en even-min is de rechtbank gebleken dat eiser, ondanks de rechtmatigheid van het besluit, schade heeft geleden die toch voor rekening van verweerder dient te komen.

Verweerder heeft het bezwaar van eiser tegen dit onderdeel van het primaire besluit niet-ontvankelijk verklaard wegens termijn-overschrijding. Hierbij is echter miskend dat het bezwaar zich niet richt tegen het oorspronkelijke besluit tot afwijzing van het verzoek om een bijstandskrediet, maar tegen de afwijzing van het verzoek om vergoeding van de tengevolge van het oorspronke-lijke besluit geleden schade, vervat in het besluit van 7 april 1998.

Nu het bezwaarschrift tegen dit laatste besluit tijdig is ingediend is er geen sprake van termijnoverschrijding.

Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat eisers bezwaar niet niet-ontvankelijk, maar ongegrond verklaard had moeten worden. De rechtbank zal daarom het bestreden besluit op dit punt vernietigen. Verweerder kan in dit geval echter tot geen andere conclusie komen dan dat het bezwaar tegen de afwijzing van het verzoek om schadevergoeding, voor zover gebaseerd op het besluit tot afwijzing van het bijstandskrediet, ongegrond is. De rechtbank zal daarom, met toepassing van het bepaalde in artikel 8:72, vierde lid van de Awb, bepalen dat haar uitspraak (houdende ongegrondverklaring) in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van dit besluit.

niet verlenen vrijstelling bestemmingsplan voor kelder

Terzake is een verzoek ingediend door eiser, maar geen besluit genomen door verweerder. Gelet op het bepaalde in artikel 4:13 van de Awb diende verweerder na uiterlijk 8 weken een besluit te nemen, dan wel een kennisgeving aan eiser te sturen met vermel-ding van de termijn waarop de beschikking tegemoet kon worden gezien. Zulks heeft verweerder niet gedaan.

Verweerder heeft nog immer niet, en dus niet tijdig beslist op het verzoek van eiser. Nu ingevolge het bepaalde in artikel 6:2 van de Awb het niet tijdig nemen van een besluit voor de toepassing van de wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep met een besluit wordt gelijkgesteld, is er sprake van een appellabel besluit. De rechtbank is derhalve bevoegd te oordelen over dit onderdeel van het bestreden besluit.

Beoordeeld moet worden of het besluit van verweerder (het niet tijdig beslissen) onrechtmatig is en of eiser tengevolge hiervan schade heeft geleden. De rechtbank is van oordeel dat dit laatste niet het geval is. Indien eiser belang had bij een (snelle) be-slissing op zijn verzoek had het uit het oogpunt van beperking van zijn schade voor de hand gelegen dat hij relatief korte tijd na het verstrijken van de beslistermijn bezwaar en/of beroep tegen het besluit had ingesteld. Nu hij dat niet heeft gedaan gaat de rechtbank er van uit dat hij vorenbedoeld belang niet had, althans dat niet gebleken is dat hij dit belang had. Het niet tijdig beslissen op het verzoek door verweerder kan naar het oordeel van de rechtbank in dit geval dan ook geen grondslag zijn voor toekenning van schadevergoeding.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder het bezwaar van eiser tegen de afwijzing van zijn verzoek om schadevergoeding, voor zover gegrond op het niet tijdig beslissen op het verzoek om vrijstelling, terecht ongegrond heeft verklaard. Het beroep van eiser dient op dit punt dan ook ongegrond te worden verklaard.

herziening bestemmingsplan

Hier geldt dat besluiten ten aanzien van het al dan niet herzien van een bestemmingsplan niet appellabel zijn. Nu het (niet tijdig nemen van het) oorspronkelijke besluit niet appellabel is, is de bestuursrechter, in casu de rechtbank, niet bevoegd te oordelen ten aanzien van dit deel van het bestreden besluit.

Eiser had zich terzake tot de burgerlijke rechter moeten wenden.

drank- en horecawetvergunning en de "alcohol-vrij"-vergunning

De door eiser gevraagde vergunningen zijn nimmer door verweerder verleend. Terzake van het (niet tijdig nemen van het) besluit op dit verzoek had eiser zich echter niet tot rechtbank kunnen wenden, maar had hij in administratief beroep moeten gaan bij het College van Gedeputeerde Staten van de Provincie Overijssel (GS). Ten aanzien van dit onderdeel van het bestreden besluit is de rechtbank derhalve niet bevoegd. De rechtbank zal de zaak, voor zover hierop betrekking hebbend, doorsturen naar GS.

speelautomatenvergunning

Eiser heeft geen speelautomatenvergunning aangevraagd. Er is dus geen sprake van een door verweerder terzake genomen besluit of van een weigering om tijdig op een aanvraag te beslissen. Er is en was geen bezwaar of beroep mogelijk, zodat de rechtbank niet bevoegd is te oordelen over de betreffende onderdelen van het bestreden besluit. Terzake is de burgerlijke rechter bevoegd.

feitelijke handelingen

Hier geldt hetzelfde als ten aanzien van de speelautomatenver-gunning is overwogen: de burgerlijke rechter is bevoegd.

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen zal de rechtbank:

het beroep gegrond verklaren voor zover het ziet op dat onderdeel van het besluit dat betrekking heeft op niet ontvankelijkverklaring van het bezwaar tegen het afwijzen van het verzoek om schadevergoeding, voor zover gegrond op het niet verlenen van het bijstandskrediet, en het besluit op dit punt vernietigen, maar bepalen dat haar uitspraak (ongegrond) in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het besluit;

zich onbevoegd verklaren voor zover het beroep betrekking heeft op de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar tegen het afwijzen van het verzoek om schadevergoeding, gegrond op het niet tijdig nemen van een beslissing op het verzoek tot het verlenen van de drank- en horecawetvergunning en de "alcohol-vrij"-vergunning;

zich onbevoegd verklaren voor zover het beroep betrekking heeft op de niet-ontvankelijkverklaring, respectievelijk het onge grond verklaren van het bezwaar tegen het afwijzen van het verzoek om schadevergoeding, voor zover gegrond op het niet tijdig nemen van een beslissing op het verzoek om herziening van het bestemmingsplan, respectievelijk op het niet verlenen van een speelautomatenvergunning en op feitelijk handelen van verweerder. De burgerlijke rechter is te dien aanzien bevoegd.

De rechtbank ziet geen aanleiding om verweerder met toepassing van het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep heeft moeten maken.

Beslist wordt daarom als volgt:

4. Beslissing

De Arrondissementsrechtbank te Almelo,

Recht doende:

verklaart het beroep gegrond voor zover het ziet op dat onder deel van het bestreden besluit dat betrekking heeft op de niet ontvankelijkverklaring van het bezwaar tegen het afwijzen van het verzoek om schadevergoeding, voor zover gegrond op het niet verlenen van het bijstandskrediet, en vernietigt het besluit op dit punt;

verklaart het bezwaar van eiser tegen de afwijzing van het verzoek om schadevergoeding, voor zover gegrond op het besluit van verweerder van 6 december 1996 tot weigering van een bijstandskrediet, ongegrond en bepaalt dat haar uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het besluit;

verklaart zich onbevoegd voor zover het beroep betrekking heeft op de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar tegen het afwijzen van het verzoek om schadevergoeding, gegrond op het niet tijdig nemen van een beslissing op het verzoek tot het verlenen van een drank- en horecawetvergunning en een "alcohol-vrij"-vergunning en zendt de stukken terzake naar GS;

verklaart zich onbevoegd voor zover het beroep betrekking heeft op de niet-ontvankelijkverklaring, respectievelijk de ongegrondverklaring van het bezwaar tegen de afwijzing van het verzoek om schadevergoeding, voor zover gegrond op het niet tijdig nemen van een beslissing op het verzoek tot herziening van het bestemmingsplan, respectievelijk op het niet verlenen van een speelautomatenvergunning en op het feitelijk handelen van verweerder.

verstaat dat verweerder het door eiser gestorte griffierecht, ad ¦ 225,--, aan eiser vergoedt.

Tegen deze uitspraak staat binnen zes weken na verzending hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep te Utrecht (voor zover het de eerste twee onderdelen van het dictum betreft), respectievelijk de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State te 's-Gravenhage, respectievelijk het College van Beroep voor het Bedrijfsleven (voorzover het de speelautomatenvergunning betreft).

Aldus gewezen en in het openbaar uitgesproken op 19 mei 2000 door mr. K.J. Haarhuis in tegenwoordigheid van J.G.M. Wolbers als griffier.

Afschrift verzonden op

jk