Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2000:AA6934

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
01-05-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
99/988 NABW Z1 A
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK ALMELO

Sector Bestuursrecht - Enkelvoudige Kamer

Registratienummer: 99/988 NABW Z1 A

UITSPRAAK

in het geschil tussen:

[gecurateerde], wonende te [woonplaats], wettelijk vertegenwoordigd door A.G. Kieftenbeld, professioneel curator te Gouda, eiser,

gemachtigde: mr. M.J.P. Heijmans, advocaat te Utrecht,

en

het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Losser, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder d.d. 28 september 1999, verzonden

27 oktober 1999.

2. De feiten en het verloop van de procedure

Bij schrijven van 20 februari 1999 heeft eiser zich, in de hoedanigheid van curator van mevrouw [gecurateerde] (hierna: [gecurateerde]), geboren op [geboortedatum], wonende te [woonplaats], tot verweerder gewend met het verzoek [gecurateerde] in aanmerking te brengen voor bijzondere bijstand in de kosten van curatorschap op grond van artikel 39, lid 1, van de Algemene bijstandswet (Abw).

Bij besluit van 1 april 1999, verzonden op 8 april 1999, heeft verweerder dit verzoek afgewezen. Eiser heeft zich niet kunnen verenigen met dit besluit en heeft hiertegen namens [gecurateerde] op 1 mei 1999, bij verweerder ingekomen op 4 mei 1999, bezwaar gemaakt.

Op 27 juli 1999 heeft een hoorzitting plaatsgevonden.

Bij het bestreden besluit van 28 september 1999 heeft verweerder op de daarin vervatte gronden het bezwaarschrift ongegrond verklaard.

Blijkens het namens [gecurateerde] ingediende beroepschrift kan eiser zich niet verenigen met dit besluit.

Verweerder heeft op 28 december 1999 een verweerschrift ingediend.

Het beroep is behandeld ter openbare zitting van de rechtbank van 12 april 2000, waar eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde, terwijl verweerder zich heeft doen vertegenwoordigen door G.J.M. Bolscher.

3. Overwegingen

In geschil is de vraag of het besluit van verweerder van 28 september 1999, waarbij de bezwaren van eiser tegen het besluit van 1 april 1999 ongegrond zijn verklaard, in rechte in stand kan blijven.

Artikel 6, Abw bepaalt dat in deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

a. algemene bijstand: de bijstand ter voorziening in de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan;

b. bijzondere bijstand: de bijstand die wordt verstrekt indien bijzondere omstandigheden in het individuele geval leiden tot noodzakelijke kosten van het bestaan en die de aanwezige draagkracht te boven gaan;

c. voorliggende voorziening: elke voorziening buiten deze wet waarop de persoon of het gezin aanspraak kan maken, dan wel beroep kan doen, ter verwerving van middelen of ter bekostiging van specifieke uitgaven.

Artikel 39, lid 1, van de Abw bepaalt dat onverminderd hoofdstuk II de alleenstaande of het gezin recht op bijzondere bijstand heeft voor zover deze niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van burgemeester en wethouders niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm bedoeld in afdeling 1, paragraaf 2 en 3, en de aanwezige draagkracht.

Artikel 67, lid 1, van de Abw bepaalt dat burgemeester en wethouders het recht op bijstand op schriftelijke aanvraag of, indien een schriftelijke aanvraag niet mogelijk is, ambtshalve vaststellen.

Verweerder heeft de aanvraag voor vergoeding van kosten van curatorschap ad ¦ 3823,21 over de periode 6 december 1997 tot en met 31 december 1998 afgewezen op grond van het feit dat de aanvraag te laat is ingediend, er sprake is van een voorliggende voorziening en de kosten niet noodzakelijk zijn. Verweerder heeft geen bijzondere omstandigheden aanwezig geacht op grond waarvan van dit standpunt zou kunnen worden afgeweken.

Eiser stelt zich op het standpunt dat er sprake is van bijzondere omstandigheden waardoor bijzondere bijstand met terugwerkende kracht moet worden verleend. De aanvraag is eerst op 20 februari 1999 ingediend omdat bij de aanvang van de werkzaamheden de omvang van de te maken kosten nog niet duidelijk was. Voorts heeft eiser naar voren gebracht dat hij onbekend is met het beginsel dat voorafgaand aan de periode waarover bijstand wordt verzocht een aanvraag moet worden ingediend. Daarbij wijst eiser erop dat andere gemeenten wel bijzondere bijstand met terugwerkende kracht hebben verleend. Hierdoor is bij hem het vertrouwen gewekt dat toekenning van bijzondere bijstand met terugwerkende kracht gebruikelijk is. Daarnaast heeft eiser naar zijn zeggen na de aanvang van zijn werkzaamheden eerst getracht zijn kosten onder te brengen bij de zorgverzekeraars dan wel bij de AWBZ.

Nadat was gebleken dat vergoeding op geen enkele andere wijze kon plaatsvinden heeft eiser namens [gecurateerde] de betreffende aanvraag ingediend.

Ten slotte bestrijdt eiser dat de kosten van curatorschap niet kunnen worden verhaald op de Abw. Volgens eiser kan [gecurateerde] voor de onderhavige kosten geen beroep doen op een voorliggende voorziening en kan zij deze uitgaven evenmin uit eigen middelen voldoen.

De rechtbank stelt op grond van de inhoud van de overgelegde gedingstukken en het verhandelde ter zitting vast dat in de onderhavige situatie de kosten van het curatorschap waarvoor bijstand is aangevraagd zijn ontstaan in een periode voorafgaande aan de in dit geschil ten grondslag liggende bijstandsaanvraag van 20 februari 1999. Vaste rechtspraak is dat geen bijstand wordt verleend over de periode welke voorafgaat aan de datum waarop de aanvraag is ingediend, tenzij bijzondere omstandigheden een afwijking van deze regel rechtvaardigen. Van bijzondere omstandigheden die aanleiding zouden moeten geven om van vorengenoemd uitgangspunt af te wijken is de rechtbank niet gebleken. De rechtbank merkt daarbij op dat onbekendheid met de geldende regelgeving geen voldoende grond is om van bovengenoemd uitgangspunt af te wijken. Ook indien de hoogte van de bijzondere bijstand nog niet geheel vaststaat, dient aanspraak tijdig -vooraf- te geschieden en niet na afloop van de periode waarover de gevraagde bijstand betrekking heeft. Daarnaast is er geen in rechte te honoreren vertrouwen gewekt, doordat enkele gemeenten wel bijzondere bijstand hebben verstrekt.

Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit in rechte in stand kan worden gelaten. Zij komt derhalve niet toe aan de vraag of de door [gecurateerde] in dit kader te betalen kosten als noodzakelijk in de zin van de Abw zijn aan te merken.

Beslist wordt derhalve als volgt:

4. Beslissing

De Arrondissementsrechtbank Almelo,

Recht doende:

verklaart het beroep ongegrond.

Tegen deze uitspraak staat binnen zes weken na verzending hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep te Utrecht.

Gewezen en in het openbaar uitgesproken op 1 mei 2000 door mr. J.G.J. Roelvink, in tegenwoordigheid van J. Wenniger als griffier.

Afschrift verzonden op