Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2000:AA6461

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
21-06-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
99/467 BELEI H1 A
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Omvang dossier; verweerder dient geen irrelevante, dan wel reeds bekende stukken in te zenden.

Bezwaar tegen herberekening en terugvordering van huursubsidie over diverse subsidietijdvakken ongegrond verklaard.

Voorafgaande aan de eigenlijke beoordeling van het geschil overweegt de rechtbank.: Verweerder heeft niet volledig uitvoering gegeven aan de toezeggingen, dat er een volledig en helder inzicht zou worden verstrekt in de opgegeven inkomsten, het fiscale inkomen, de tegen elkaar afgezette inkomens, de relevante regelgeving, de teruggevorderde bedragen en de gebruikmaking van de mogelijkheid om af te zien van een nadere vaststelling van het inkomen. Verweerder is slechts ten dele aan deze toezeggingen tegemoetgekomen. De wens aan helderheid en inzichtelijkheid is mede ingegeven door de dossiervorming van verweerder, nu verweerder een bijzonder groot aantal stukken heeft ingebracht dat geheel irrelevant is voor de beoordeling van het onderhavige geschil, dan wel stukken waarover de Rb. en eiseres reeds beschikten, dan wel beide. De Rb. kan niet treden in de juistheid van de stelling van verweerders gemachtigde dat met andere rechtbanken in den lande de afspraak is gemaakt dat de stukken op die manier worden aangeleverd. Niettemin benadrukt deze Rb., zo die stelling juist is, dat dergelijke omvangrijke dossiers niet bijdragen aan een goed begrip van de zaak, zodat verweerder in de toekomst, zonder angst voor een schending van art. 8:42, eerste lid Awb, kan volstaan met toezending van een aanzienlijk geringer aantal stukken.

De Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, verweerder.

mr. H.G. Rottier

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:42, geldigheid: 2000-06-21
Algemene wet bestuursrecht 3:2, geldigheid: 2000-06-21
Algemene wet bestuursrecht 3:46, geldigheid: 2000-06-21
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK ALMELO

Sector Bestuursrecht - Enkelvoudige Kamer

Registratienummer: 99/467 BELEI H1 A

UITSPRAAK

in het geschil tussen:

A, wonende te B, eiseres,

en

de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, verweerder,

gemachtigde: mr. J.C.A. Stevens, advocaat te 's-Gravenhage.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder d.d. 26 april 1999.

2. De feiten en het verloop van de procedure

Bij beschikkingen van 3 augustus 1998 heeft verweerder de aan eiseres over de subsidietijdvakken 1 juli 1995 tot 1 juli 1996 en 1 juli 1996 tot 1 juli 1997 toegekende huursubsidiebedragen van f 3.180,--, respectievelijk f 3.360,--, op basis van het inkomen van eiseres over 1995 herberekend en nader vastgesteld op f 1.380,--, respectievelijk f 2.100,--. De teveel betaalde huursubsidie over genoemde tijdvakken van in totaal f 3.060,-- is daarbij van eiseres teruggevorderd.

Eiseres heeft tegen deze beschikkingen bezwaar gemaakt. Zij heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid haar bezwaarschrift mondeling toe te lichten.

Bij het bestreden besluit van 26 april 1999 heeft verweerder op de daarin vervatte gronden, welke hier als herhaald en ingelast worden beschouwd, de bezwaren van eiseres ongegrond verklaard.

Blijkens het beroepschrift kan eiseres zich niet met dit besluit verenigen.

Verweerders gemachtigde heeft op 22 juli 1999 een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 6 september 1999 heeft verweerders gemachtigde nog enkele schriftelijke vragen van de rechtbank beantwoord.

Het beroep is behandeld ter openbare zitting van de rechtbank

van 14 oktober 1999, waar eiseres in persoon is verschenen, terwijl verweerder zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. J.C.A. Stevens, voornoemd. Ter zitting is gebleken dat het onderzoek in de zaak niet volledig was geweest.

De behandeling ter zitting is daarom geschorst teneinde verweerder in de gelegenheid te stellen de zaak nog eens te bekijken en vervolgens binnen zes weken een nadere rapportage of een aanvullend verweer in te dienen.

Nadat enkele malen uitstel was verleend heeft verweerder uiteindelijk bij brief van 25 februari 2000 nadere informatie verstrekt.

Het beroep is hierna opnieuw behandeld ter openbare zitting van de rechtbank van 18 mei 2000, waar partijen niet zijn verschenen.

3. Overwegingen

In geschil is de vraag of het bestreden besluit, waarbij verweerder de bezwaren van eiseres tegen de herberekening en terugvordering van huursubsidie over de subsidietijdvakken 1995/1996 en 1996/1997 ongegrond heeft verklaard, in rechte stand kan houden.

De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend en overweegt daartoe het volgende.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Wet op de individuele huursubsidie (WIH), zoals deze ten tijde hier van belang gold, wordt aan de huurder van een woning uit 's Rijks kas jaarlijks een bijdrage verstrekt in de kosten, verbonden aan het genot van die woning. Op grond van het bepaalde in het vijfde lid van dat artikel wordt deze bijdrage verstrekt voor een tijdvak van een jaar aanvangende op 1 juli.

Ingevolge artikel 10, eerste lid van de WIH wordt, voor zover hier van belang, bij de bepaling van de hoogte van de bijdrage in aanmerking genomen het inkomen over het aan 1 juli voorafgaande kalenderjaar.

Op grond van het bepaalde in artikel 10, derde lid, van de WIH wordt, in afwijking in zoverre van het eerste lid, bij het bepalen van het totale inkomen in aanmerking genomen een geschat inkomen over het op 1 juli lopende kalenderjaar, indien naar het oordeel van verweerder te verwachten is, dat het totale inkomen over het op 1 juli lopende kalenderjaar een wijziging te zien zal geven van tenminste 15% ten opzichte van het totale inkomen over het aan 1 juli voorafgaande kalenderjaar.

Artikel 1, eerste lid, aanhef en sub d, juncto artikel 8 van de WIH bepaalt dat onder inkomen in de zin van deze wet wordt verstaan het belastbaar inkomen in de zin van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, dat de belastingplichtige in een kalenderjaar heeft genoten, dan wel het loon in de zin van de Wet op de loonbelasting 1964.

In de gevallen waarin over een kalenderjaar geen aanslag in de inkomstenbelasting is of wordt vastgesteld, wordt ingevolge artikel 1, achtste lid, van de WIH uitgegaan van het loon in de zin van de Wet op de loonbelasting 1964, verminderd met een aantal in laatstgenoemd artikellid nader omschreven aftrekposten.

Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRS) brengt het vorenstaande met zich mee, dat voor de toepassing van de WIH de vaststelling van het inkomen door de belastingdienst in beginsel bindend is, indien en voorzover die vaststelling niet met succes is aangevochten in bezwaar of beroep. In het onderhavige geval is van dit laatste geen sprake geweest.

Voorafgaande aan de eigenlijk beoordeling van het geschil wijst de rechtbank er hier nog op dat verweerder niet volledig uitvoering heeft gegeven aan de toezeggingen die werden gedaan in de zitting van 14 oktober 1999. De strekking van de afspraak die toen met verweerders gemachtigde werd gemaakt, was dat er een volledig en helder inzicht werd verstrekt in de opgegeven inkomsten, het fiscale inkomen, de tegen elkaar afzette inkomens, de relevante regelgeving, de teruggevorderde bedragen en de gebruikmaking van de mogelijkheid om af te zien van een nadere vaststelling van het inkomen. De rechtbank stelt vast dat verweerder slechts ten dele aan deze toezeggingen is tegemoetgekomen. In dit verband wijst de rechtbank er op dat die wens aan helderheid en inzichtelijkheid mede is ingegeven door de dossiervorming van verweerder, nu verweerder een bijzonder groot aantal stukken heeft ingebracht dat geheel irrelevant is voor de beoordeling van het onderhavige geschil, dan wel stukken waarover de rechtbank en eiseres reeds beschikten, dan wel beide. De rechtbank kan niet treden in de juistheid van de stelling van verweerders gemachtigde dat met andere rechtbanken in den lande de afspraak is gemaakt dat de stukken op die manier worden aangeleverd. Niettemin benadrukt deze rechtbank, zo die stelling juist is, dat dergelijke omvangrijke dossiers niet bijdragen aan een goed begrip van de zaak, zodat verweerder in de toekomst, zonder angst voor een schending van artikel 8:42, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), kan volstaan met toezending van een aanzienlijk geringer aantal stukken.

De rechtbank overweegt dan vervolgens dat verweerder, gezien de grote aantallen aanvragen om huursubsidie, een wijze van behandeling van aanvragen hanteert, waarbij bij het toekennen van de huursubsidie wordt afgegaan op de gegevens, zoals die door de aanvrager zijn verstrekt en waarbij deze eerst achteraf aan de hand van de door de belastingdienst verstrekte gegevens worden gecontroleerd. Door het ondertekenen van het aanvraagformulier verklaart de aanvrager uitdrukkelijk in te stemmen met deze gang van zaken en verbindt deze zich tevens de huursubsidie geheel of gedeeltelijk terug te betalen wanneer mocht blijken dat deze geheel of gedeeltelijk ten onrechte is verleend. Blijkens zijn vaste jurisprudentie acht de ABRS deze werkwijze aanvaardbaar.

Eiseres heeft in haar aanvraagformulier voor de huursubsidie over het tijdvak 1995/1996 ingevuld, dat haar inkomen over 1995 niet minstens 15% zou afwijken van het inkomen over 1994. Datzelfde heeft eiseres in haar aanvraagformulier voor het tijdvak 1996/1997 verklaard met betrekking tot haar inkomen over 1996 ten opzichte van dat over 1995. Op grond van het vorenstaande heeft verweerder huursubsidie toegekend op basis van het inkomen over 1994, dat is gesteld op een bedrag van f 22.400,--.

Verweerder stelt dat bij controle achteraf aan de hand van de gegevens van de belastingdienst is gebleken dat het inkomen van eiseres over 1995 f 25.798,-- bedroeg en derhalve wel tenminste 15% hoger was dan het inkomen over 1994, terwijl het inkomen over 1995 tevens, anders dan eiseres had verklaard, hoger was dan f 23.250,--.

Verweerder heeft het tijdvak 1996/1997 eveneens herberekend op basis van het inkomen van eiseres over 1995. Inmiddels is ook het fiscale inkomen over 1996 bekend, dat weer aanmerkelijk hoger dan het inkomen over 1995, namelijk f 30.359,--. Bij het bestreden besluit is aangekondigd dat in verband hiermee de subsidie over het tijdvak 1996/1997 nogmaals zal worden herzien en alsnog extra verlaagd met een bedrag van f 300,--. Ook de subsidie over de tijdvakken 1997/1998 en 1998/1999 zal worden herzien op basis van de inkomensgegevens van de belastingdienst over 1996 en 1997. Hierover zullen nog afzonderlijke wijzigingsbeslissingen volgen, aldus verweerder.

Desgevraagd heeft verweerders gemachtigde bij brief van

6 september 1999 aan de rechtbank meegedeeld dat nader onderzoek heeft geleerd, dat bij de belastingdienst niet bekend is of eiseres in 1994 inkomen heeft gehad, terwijl voor 1995 een schatting is gehanteerd. Voorts heeft verweerders gemachtigde opgemerkt dat het eerdergenoemde bedrag van f 23.250,-- een tabelinkomen is. Het 'echte' inkomen van eisers over 1994 zou volgens verweerder f 22.900,-- bedragen. Naar de mening van verweerder ware het beter geweest van dat 'echte' inkomen van eiseres uit te gaan, alhoewel dat volgens hem in geen enkel opzicht enig nadeel voor eiseres heeft opgeleverd, omdat zij met een inkomen van f 22.900,-- onder het tabelinkomen van f 23.250,-- blijft.

Ter zitting van 14 oktober 1999 heeft verweerders gemachtigde desgevraagd meegedeeld dat niet kan worden gezegd dat de verhoging in 1995 ten opzichte van 1994 meer dan 15% bedraagt en dat als het inkomen van eiseres niet met 15% is toegenomen, dat zal leiden tot een ander bedrag aan terugvordering. De wijziging voor 1996/1997 zou wel gehandhaafd blijven.

Naar aanleiding van het verhandelde ter zitting heeft verweerder zich op verzoek van de rechtbank opnieuw over de zaak beraden. Bij brief van 25 februari 2000 heeft verweerders gemachtigde aan de rechtbank meegedeeld dat uit de computergegevens van eiseres blijkt, dat zij sinds jaren heeft opgegeven dat haar inkomen niet hoger is dan het minimuminkomen, maar dat steeds achteraf uit de gegevens van de belastingdienst blijkt dat haar inkomen wèl hoger is geweest, met het gevolg dat telkens terugvorderingen hebben plaatsgevonden. Thans zou een aparte aantekening zijn gemaakt dat de toekenning van huursubsidie aan eiseres pas plaatsvindt, nadat haar inkomen is gecontroleerd bij de belastingdienst, zodat onnodige onverschuldigde betalingen en terugvorderingen op die manier kunnen worden voorkomen. Verweerder ziet evenwel niet af van de onderhavige terugvordering, omdat naar zijn mening eiseres verantwoordelijk is voor de opgegeven inkomensgegevens op het aanvraagformulier en tussentijdse wijzigingen had behoren door te geven.

Het is, zo stelt verweerders gemachtigde, mogelijk dat voor de toekenning van het tijdvak 1996/1997 wederom wordt uitgegaan van het inkomen over 1995. Voor dit tijdvak is de bijdrage nader vastgesteld op het geschatte inkomen over 1996, toen uit de gegevens van de belastingdienst bekend werd, dat dit inkomen 15% hoger was dan het inkomen over 1995. Verweerders gemachtigde merkt evenwel op dat op grond van de discretionaire bevoegdheid van artikel 10, vijfde lid, van de WIH, zou kunnen worden afgezien van de nadere vaststelling op grond van het geschatte inkomen over 1996 voor het tijdvak 1996/1997. In zijn brief van

25 februari 2000 merkt verweerders gemachtigde op dat een daartoe strekkend verzoek bij verweerder in behandeling is genomen, waarop nog moet worden beslist.

Uit het vorenstaande leidt de rechtbank af dat kennelijk bij de belastingdienst niet bekend is of eiseres in 1994 inkomen heeft gehad. Niettemin stelt verweerder dat het 'echte' inkomen van eiseres in 1994 f 22.900,-- bedroeg, terwijl het inkomen van eiseres over 1995 wordt geschat op f 25.798,--. Verweerder is er evenwel - ook na daartoe uitdrukkelijk door de rechtbank in de gelegenheid te zijn gesteld - niet in geslaagd inzichtelijk te maken waarop deze bedragen zijn gebaseerd.

Verder stelt de rechtbank vast dat, uitgaande van deze inkomens- bedragen, het belastbaar inkomen van eiseres over 1995 niet tenminste 15% hoger is dan dat over 1994.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat er voor verweerder geen aanleiding bestond voor een nadere vaststelling en terugvordering van de huursubsidie over 1995/1996.

Het belastbaar inkomen over 1996, te weten een bedrag van f 30.359,--, is daartegen wèl tenminste 15% hoger dan dat over 1995. Overigens is de stelling van verweerder in het bestreden besluit dat eiseres in de aanvraag voor het tijdvak 1996/1997 heeft aangegeven dat het inkomen over 1995 niet hoger zou zijn dan f 23.250,-- strikt genomen niet juist. Immers in het aanvraagformulier is een bedrag van f 22.900,-- vermeld. Echter dit neemt niet weg dat, nu dit bedrag nog lager is dan f 23.250,--, eiseres de betreffende vraag ten onrechte ontkennend heeft beantwoord.

De rechtbank is dan ook van oordeel verweerder op goede gronden heeft besloten tot nadere vaststelling van de huursubsidie over 1996/1997. De rechtbank is echter van oordeel dat verweerder niet zonder meer kon overgaan tot een terugvordering van het betreffende bedrag. Verweerder heeft tot op heden nog niet voldoende zorgvuldig bezien of er in casu geen sprake is van bijzondere omstandigheden die nopen tot het afzien van een nadere vaststelling van het inkomen van eiseres. Het is de rechtbank ambtshalve bekend dat eiseres in ieder geval reeds sedert 1995 procedeert over ten onrechte (te veel) betaalde huursubsidie. Eiseres heeft dienaangaande tientallen, zo niet een honderdtal brieven aan verweerder en de rechtbank geschreven. Uit die brieven is af te leiden dat een groot deel van de relevante verplichtingen eiseres ontgaat, terwijl het haar zelf voorts, blijkens de discrepantie in de inkomensgegevens, in het geheel niet duidelijk is wat haar financiële positie is.

Voorts geeft zij er in haar brieven blijk van dat zij geen inzicht heeft in de relevante feiten en omstandigheden van een voorliggend geschil, doch dat er veeleer sprake is van steeds maar weer herhalen van niet ter zake doende argumenten en opvattingen, waarbij in ieder geval een deel van die opvattingen niet is gebaseerd op enige realiteit. Daar komt nog bij dat verweerder, ondanks diverse al dan niet in rechte onaantastbare beslissingen met betrekking tot terugvorderingen vanaf 1993, steeds en zonder enige restrictie is doorgegaan met het betaalbaar stellen van huursubsidie op basis van de eigen opgave van eiseres. Aldus werd eiseres nog verder gesterkt in haar opvatting dat zij steeds een correcte opgave van haar inkomsten heeft gedaan. Verweerder heeft inmiddels zelf de conclusie getrokken dat deze werkwijze, mede gelet op de lopende procedures en terugvorderingen ongewenste gevolgen heeft, en is er thans toe overgegaan de subsidie betaalbaar te stellen na verificatie van het inkomen van eiseres bij de belastingdienst. Aldus kan op een eenvoudige wijze worden voorkomen dat wederom te veel huursubsidie wordt uitgekeerd.

Gelet op het vorenoverwogene is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit niet alleen een deugdelijke motivering ontbeert, doch daarbij evenmin de vereiste zorgvuldigheid in acht heeft genomen. Het bestreden besluit kan mitsdien wegens strijd met het bepaalde in de artikelen 3:46 en 3:2 van de Awb niet in stand blijven.

Verweerder zal opnieuw op het bezwaarschrift van eiseres tegen de beschikkingen van 3 augustus 1998 dienen te beslissen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres heeft moeten maken in verband met dit geding, welke kosten worden bepaald op f 11,--.

Beslist wordt derhalve als volgt.

4. Beslissing

De Arrondissementsrechtbank Almelo,

Recht doende:

- Verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

- verstaat dat verweerder een nieuw besluit op het bezwaarschrfit van eiseres zal nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

- veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten welke worden bepaald op f 11,--;

- verstaat dat de Staat der Nederlanden aan eiseres het griffierecht ad f 60,-- vergoedt.

Tegen deze uitspraak staat binnen zes weken na verzending hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State te Den Haag.

Gewezen en in het openbaar uitgesproken op

door mr. H.G. Rottier, in tegenwoordigheid van mr. S.M.M.

Bordenga als griffier.

Afschrift verzonden op

Mtb