Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2000:AA6139

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
07-06-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
30379 HA ZA 141 van 1999
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE ALMELO

In de zaak onder rolnummer 30379 HA ZA 141 van 1999 (kjh), waarin in het openbaar het volgende vonnis is uitgesproken tussen:

1. [Eiser 1],

2. [Eiser 2],

beiden wonende te [Woonplaats],

eisers in conventie,

verweerders in voorwaardelijke reconventie,

procureur: mr. J.W. Stegeman,

en:

de gezamenlijke erfgenamen van wijlen [Gedaagde],

domicilie kiezende te Delden,

gedaagden in conventie,

eisers in voorwaardelijke reconventie,

procureur: mr. J. Schrijver-Zeeman.

De arrondissementsrechtbank te Almelo, enkelvoudige kamer voor burgerlijke zaken:

gehoord partijen, verder ook [Eiser 1] en [Eiser 2], respectievelijk de erfgenamen te noemen;

gezien de stukken;

Overweegt:

Ten aanzien van het procesverloop:

[Eiser 1] en [Eiser 2] hebben gesteld en geconcludeerd voor eis overeenkomstig de inhoud van de inleidende dagvaarding. De erfgenamen hebben geconcludeerd voor antwoord, alsmede een eis in voorwaardelijke reconventie ingesteld. Vervolgens zijn de navolgende stukken gewisseld:

akte tot rectificatie, tevens conclusie van repliek in conventie en van antwoord in voorwaardelijke reconventie;

conclusie van dupliek in conventie en van repliek in voorwaardelijke reconventie;

conclusie van dupliek in voorwaardelijke reconventie.

Ten slotte hebben partijen de stukken overgelegd en vonnis gevraagd.

Ten aanzien van het recht:

In conventie en in voorwaardelijke reconventie:

1. Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd betwist, alsmede op grond van de inhoud van de overgelegde producties voor zover niet bestreden, staat tussen partijen het volgende vast:

a. [Moeder](de moeder) en [Eiser 2] [Vader](de vader) hadden drie kinderen, te weten [Eiser 1], [Eiser 2] en [Gedaagde];

b. op 28 juli 1980 is de moeder overleden. Zij had geen testament opgemaakt. Aangezien zij in gemeenschap van goederen waren gehuwd kwam van de gemeenschappelijke boedel (in omvang f 224.013,43) de helft aan de vader toe (f 112.006,71). Ten aanzien van de andere helft van de boedel, de nalatenschap van de moeder, hadden [Eiser 1], [Eiser 2], [Gedaagde] en de vader allen recht op een kwart (f 26.771,37). [Eiser 1], [Eiser 2] en de vader hebben echter hun erfenis verworpen, zodat de gehele nalatenschap, inclusief de boerderij, aan [Gedaagde] toekwam. De vader is met [Gedaagde] op de boerderij blijven wonen;

c. in 1992 is de vader overleden. Hij had bij testament [Gedaagde] tot zijn enig erfgenaam benoemd en aan [Eiser 1] en [Eiser 2] ieder f 25.000,- gelegateerd. [Eiser 1] en [Eiser 2] hebben dit bedrag allebei inmiddels ontvangen;

d. in 1998 is [Gedaagde] overleden, met achterlating van vrouw en kind(eren).

In conventie:

2a. [Eiser 1] en [Eiser 2] hebben gesteld dat de vader aan [Gedaagde] materieel een bedrag van f 26.771,37 heeft geschonken door zijn deel in de erfenis van de moeder te verwerpen. Zij zijn daarom van mening dat bij de vaststelling van de omvang van de nalatenschap van de vader rekening gehouden dient te worden met dit bedrag. De nalatenschap van de vader bedraagt f 98.492,69 (zie productie 2 bij conclusie van eis). Vermeerderd met f 26.771,37 komt de omvang van de nalatenschap uit op f 125.264,06. Volgens [Eiser 1] en [Eiser 2] bedraagt hun legitieme portie dan f 31.316,02, van welk bedrag zij al f 25.000,- ontvangen hebben. Zij hebben ontkend dat er een afspraak is gemaakt die in zou houden dat zij genoegen zouden nemen met f 25.000,- per persoon terwijl de vader tot aan zijn dood in zijn huis zou kunnen blijven wonen, zonodig verzorgd door [Gedaagde]. Zij menen ieder nog recht te hebben op betaling van f 6.316,02 door de erfgenamen van [Gedaagde], vermeerderd met de rente vanaf 1 januari 1993 (tot aan de dag der dagvaarding berekend op f 6.566,81) en buitengerechtelijke incassokosten ad f 2.492,07. Zonodig dient volgens hen de redelijkheid en billijkheid als afzonderlijke bron voor de verbintenis tot betaling van het gevorderde bedrag te worden aangemerkt.

2b. Op grond van het vorenstaande hebben [Eiser 1] en [Eiser 2] gevorderd dat de erfgenamen zullen worden veroordeeld tot betaling aan hen van f 21.690,92, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 4 februari 1999 tot aan de dag der algehele voldoening.

3. De erfgenamen hebben zich gemotiveerd tegen toewijzing van de vordering verzet. Zij heb-ben gesteld dat er geen sprake was van een materiële schenking door de vader aan [Gedaagde]. Na de dood van de moeder is in onderling overleg besloten dat een ieder zijn aandeel in de erfenis zou verwerpen ten gunste van [Gedaagde] om te vermijden dat de boerderij moest worden verkocht. De vader heeft ook zijn aandeel in de erfenis van de moeder verworpen ten gunste van [Gedaagde] en daar stond tegenover dat hij bij [Gedaagde] op de boerderij bleef wonen en daar tot zijn dood (steeds intensiever) door [Gedaagde] en zijn gezin zou worden/is verzorgd. De vader had volgens hen dan ook geen bevoordelingsbedoeling: de beweerdelijke schenking was een beloning voor de door [Gedaagde] na de dood van de moeder te leveren prestaties (onderdak en zorg). De erfgenamen hebben er tevens op gewezen dat [Eiser 1] en [Eiser 2] beiden nog f 1.000,- geschonken hebben gekregen van de vader en dat zij de sieraden van de vader en moeder hebben opgeëist.

In voorwaardelijke reconventie:

4. Indien de vordering in conventie wordt toegewezen willen de erfgenamen een vergoeding ten laste van [Eiser 1] en [Eiser 2] ontvangen voor de verzorging van de vader.

Zij hebben deze vergoeding begroot op een bedrag, gelijk aan het bedrag dat in conventie wordt toegewezen. Op grond hiervan hebben zij gevorderd dat de rechtbank [Eiser 1] en [Eiser 2] zal veroordelen tot betaling van hun aandeel in de vordering van de erfgenamen op de nalatenschap van de vader terzake niet voldane kosten van zijn verzorging gedurende minstens tien jaren, welk bedrag naar redelijkheid te bepalen is op een bedrag gelijk aan het aan [Eiser 1] en [Eiser 2] toegewezen bedrag.

5. [Eiser 1] en [Eiser 2] hebben de vordering gemotiveerd betwist, ontkennende dat de vader jarenlang verzorgd moest worden en dat, zo dat al het geval zou zijn, hier een vergoeding tegenover zou moeten staan.

In conventie:

6. De rechtbank overweegt als volgt.

Onder een schenking moet worden verstaan een rechtshandeling waardoor de begiftigde ten koste van het vermogen van de schenker is bevoordeeld en waarbij deze bevoordeling het uitgesproken of kennelijk doel van de rechtshandeling is geweest. Naar het oordeel van de rechtbank is er in dit geval geen sprake van een zodanige schenking.

Artikel 4:880 van het Burgerlijk Wetboek (BW) bepaalt dat erfgenamen van rechtswege treden in het bezit van de goederen en rechtsvorderingen van de overledene. De vader is derhalve na het overlijden van de moeder van rechtswege in het bezit van zijn deel van de erfenis getreden.

Artikel 4:1104 van het BW bepaalt echter dat de erfgenaam die de erfenis verwerpt, geacht wordt nooit erfgenaam te zijn geweest. Gezien de verwerping van de erfenis van de moeder moet de vader dus geacht worden nimmer erfgenaam te zijn geweest. Dientengevolge heeft hetgeen aan [Gedaagde] geschonken zou zijn geen onderdeel uitgemaakt van het vermogen van de vader. [Gedaagde] is dus niet bevoordeeld ten gunste van het vermogen van de vader.

7. De rechtbank is evenmin van oordeel dat [Eiser 1] en [Eiser 2] aanspraak kunnen maken op het door hen gevorderde op grond van de redelijkheid en billijkheid. De rechtbank vermag niet in te zien waarom zij ten laste van de erfgenamen van [Gedaagde], die de vader tot aan zijn dood vele jaren in huis hebben gehad en na de (lichte) beroerte ook ongetwijfeld zullen hebben verzorgd, recht zouden hebben op betaling. Het is geenszins onredelijk dat ([Gedaagde] en) de erfgenamen, gelet op het geboden onderdak en de verleende zorg, meer uit de erfenis hebben ontvangen dan [Eiser 1] en [Eiser 2].

8. Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat de vordering van [Eiser 1] en [Eiser 2] moet worden afgewezen. Als de in het ongelijk gestelde partij zullen zij de kosten van het geding in conventie moeten dragen.

In voorwaardelijke reconventie:

9. Nu de vordering in conventie wordt afgewezen is de voorwaarde niet vervuld en komt de rechtbank niet toe aan een beoordeling van de vordering in voorwaardelijke reconventie. Voor een proceskostenveroordeling is naar het oordeel van de rechtbank geen plaats.

RECHTDOENDE:

I. Wijst de vordering af.

II. Veroordeelt [Eiser 1] en [Eiser 2] in de proceskosten, tot op deze uitspraak aan de zijde van de erfgenamen begroot op f 475,- wegens verschotten en f 1.460,- wegens salaris van hun procureur.

Aldus gewezen te Almelo door mr. Haarhuis en uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 7 juni 2000 in tegenwoordigheid van de griffier.