Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2000:AA6138

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
07-06-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
27255 HA ZA 751 van 1998
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE ALMELO

zaaknummer: 27255 ha za 751 van 1998

datum uitspraak vonnis: 7 juni 2000 (lf)

Vonnis van de arrondissementsrechtbank te Almelo, meervoudige kamer voor burgerlijke zaken, in de zaak van:

[Eiseres],

wonende te Almelo,

eiseres,

hierna te noemen [Eiseres] ,

procureur: mr. J. Sleeswijk Visser,

tegen

1. de erven van [Erflater]

hierna te noemen de erven,

woonplaats gekozen hebbende te Almelo,

gedaagden.

procureur: mr H.A.A. Kienhuis,

advocaat: mr. L.R.G. Uneken te Zwolle.

en

2. mr. G.M. Baden q.q.

kantoorhoudende te Almelo,

hierna te noemen mr. Baden,

gedaagde,

niet verschenen.

De arrondissementsrechtbank Almelo, gehoord partijen, gezien de stukken.

Overweegt over:

het procesverloop:

[Eiseres] heeft bij exploit van dagvaarding d.d. 22 juli 1998 de erven en mr. Baden gedagvaard. [Eiseres] heeft vervolgens een conclusie van eis genomen, tevens houdende een vermindering van eis. De erven hebben hierna geconcludeerd voor antwoord.

Vervolgens hebben partijen de navolgende processtukken in het geding gebracht:

[Eiseres] heeft een conclusie van repliek tevens houdende akte wijziging van eis in het geding gebracht. De erven hebben vervolgens een conclusie van dupliek in het geding gebracht.

Tenslotte hebben partijen de processtukken overgelegd en vonnis gevraagd.

het recht:

1. In deze zaak staat als gesteld en erkend, dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken en/of blijkend uit niet betwiste overgelegde producties, het navolgende vast:

a. [Eiseres] is mede-eigenaresse van het woonhuis met schuur erf en tuin aan de [Adres] te Almelo. Deze onroerende zaak behoort in mede-eigendom toe aan de heer [Mede eigenaar] die samen met [Eiseres] de onroerende zaak bewoont. De woning is in 1997 voor een bedrag van f. 225.000,-- aangekocht.

b. Bij arrest van het Gerechtshof Arnhem van 9 december 1997 is [Eiseres] veroordeeld tot betaling aan de erven van een bedrag van f. 100.000,--, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 1 september 1992 tot aan de dag der algehele voldoening.

c. Bij brief van 12 december 1997 is [Eiseres] door de erven gesommeerd tot voldoening van het verschuldigde (f. 100.000,-- te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 1 september 1992).

d. [Eiseres] heeft geen gevolg gegeven aan de sommatie. Vervolgens is op 17 februari 1998 executoriaal beslag gelegd op het woonhuis van [Eiseres], namens de erven.

e. De erven hebben de openbare verkoop van de woning aangezegd op 3 juli 1998. De openbare verkoop heeft geen doorgang gevonden.

f. Op de woning zijn twee hypotheken gevestigd. Eén tot een bedrag van f. 55.143,-- en een hypotheek tot een bedrag van f. 187.500,--. In totaal rust op de woning een bedrag van f. 242.634,-- aan hypotheken.

2. [Eiseres] vordert, voorzoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te verklaren voor recht dat het door de erven gelegde beslag onrechtmatig is en de erven te veroordelen om het gelegde beslag binnen twee maal 24 uren na betekening van het in deze te wijzen vonnis op te heffen op straffe van verbeurte van een in redelijke justitie te bepalen dwangsom voor elke dag dat de erven hiermee in gebreke blijven, met veroordeling van de erven in de proceskosten.

[Eiseres] heeft blijkens de wijziging van eis bij repliek haar eis tegen mr. Baden q.q. laten vallen. De rechtbank overweegt hieromtrent dan ook dat zij, voorzover de vorderingen gericht zijn tegen mr. Baden, deze vorderingen zal afwijzen.

3. [Eiseres] grondt zijn vordering op het volgende.

Hij stelt dat het beslag van de erven onrechtmatig is. Zij hebben geen belang bij handhaving van het executoriaal beslag, de executie wordt nu niet geëffectueerd en het beslag wordt alleen gehandhaafd met het oog op toekomstige gebeurtenissen, zoals een mogelijke waardestijging van het huis van [Eiseres].

4. De erven concluderen tot afwijzing van de vorderingen van [Eiseres] onder aanvoering van de navolgende verweren.

aa. Het executoriaal beslag is terecht gelegd. [Eiseres] heeft immers niet voldaan aan het in kracht van gewijsde gegane vonnis van het Hof Arnhem van 9 december 1997.

bb. De erven hebben belang bij handhaving van het beslag nu hiermee de rechten van de erven worden gewaarborgd.

cc. [Eiseres] wordt door handhaving van het beslag niet geschaad in haar belangen.

5. Niet ter discussie staat dat de erven een vordering hebben op [Eiseres] van f. 100.000,-- te vermeerderen met de wettelijke rente hierover te rekenen vanaf 1 september 1992. [Eiseres] is bij in kracht van gewijsde gegaan arrest van het Hof veroordeeld tot betaling van dit bedrag aan de erven. De erven hebben een executoriale titel op [Eiseres]. Nu [Eiseres] niet aan de sommatie tot betaling heeft voldaan, is door de erven in februari 1998 terecht executoriaal beslag gelegd op het huis dat voor de helft in eigendom toebehoort aan [Eiseres]. [Eiseres] stelt nu dat het beslag onrechtmatig is. De erven hebben, aldus [Eiseres], geen belang bij het handhaven van het beslag. De erven hebben deze stelling van [Eiseres] gemotiveerd betwist. De rechtbank oordeelt hierover als volgt.

6. [Eiseres] is gehouden aan de erven het door haar verschuldigde bedrag te betalen. Niet is gesteld of gebleken dat [Eiseres] voornemens is te voldoen aan datgene waartoe zij door het Hof Arnhem is veroordeeld. De rechtbank acht de verweren sub aa. en bb. gegrond. [Eiseres] heeft immers de mogelijkheid, dit wordt door haar ook niet ontkend, om de op het huis rustende lasten na opheffing van het beslag te verzwaren met een derde hypotheek. Hierdoor zouden de belangen van de erven ernstig in het gedrang kunnen komen. Door [Eiseres] is namelijk niet weersproken dat het huis waarop nu executoriaal beslag is gelegd een overwaarde heeft. Dit brengt met zich mee dat de door de erven geschetste gang van zaken na opheffing van het beslag niet ondenkbeeldig is. De vrees dat door een zodanige verzwaring van het pand dat [Eiseres] geen enkel verhaal meer kan bieden is naar het oordeel van de rechtbank gelet op de houding van [Eiseres] ten opzichte van haar betalingsverplichting gegrond. Handhaving van het beslag is derhalve in het belang van de erven. Opheffing van een beslag kan bovendien slechts plaatsvinden indien de beslaglegger geen redelijk belang meer heeft bij handhaving van het beslag.

7. Zoals hiervoor onder 6 is overwogen is het beslag terecht door de erven gelegd. Niet valt in te zien op welke grond het beslag onrechtmatig zou zijn c.q. is geworden jegens [Eiseres]. De rechtbank overweegt dat het beslag door de erven bedoeld is ter executie, dit brengt met zich mee dat het niet gehandhaafd kan worden puur en alleen om, zoals [Eiseres] terecht opmerkt, te “speculeren” op waardevermeerdering. Daar is naar het oordeel van de rechtbank echter geen sprake van. Immers niet is gebleken of gesteld dat het beslag onredelijk lang heeft voortgeduurd. Bovendien brengt de nog steeds voortdurende betalingsonwil van [Eiseres] met zich mee dat een onrechtmatige daad van de erven niet spoedig aannemelijk zal zijn.

8. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen komt de rechtbank tot de conclusie dat de vorderingen van [Eiseres] moeten worden afgewezen.

9. Als de in het ongelijk gestelde partij zal [Eiseres] in de kosten van dit geding worden veroordeeld, dit ondanks het gegeven zij en de erven bloedverwanten zijn van elkaar in rechte linie.

RECHTDOENDE

I Wijst de vorderingen van [Eiseres] af.

II. Veroordeelt [Eiseres] in de kosten van het geding tot aan deze uitspraak aan de zijde van de erven begroot op f. 370,-- aan verschotten en f. 1.460,-- wegens het salaris van de procureur en aan de zijde van mr. Baden begroot op nihil.

III. Verklaart dit vonnis voor wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen te Almelo door mrs. Breitbarth, Rammeloo-August de Meijer en Koopmans en in het openbaar uitgesproken op 7 juni 2000 in tegenwoordigheid van de griffier.