Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2000:AA5148

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
15-02-2000
Datum publicatie
13-02-2002
Zaaknummer
99/704 RWNL H1 A
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Rijkswet op het Nederlanderschap 9, geldigheid: 2000-02-15
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK ALMELO

Sector Bestuursrecht - Enkelvoudige Kamer

Registratienummer: 99/704 RWNL H1 A

UITSPRAAK

in het geschil tussen:

[eiser] te [woonplaats], eiser,

gemachtigde: mr. S. Nauta, advocaat en procureur te Enschede,

en

De Staatssecretaris van Justitie, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder d.d. 30 juli 1999, verzonden op 10 augustus 1999.

2. De feiten en het verloop van de procedure

Op 26 november 1997 heeft eiser, van Turkse nationaliteit, bij verweerder een verzoek tot naturalisatie ingediend. Bij besluit van 12 november 1998, verzonden op 13 november 1998, heeft verweerder dit verzoek afgewezen, omdat er volgens verweerder ernstige vermoedens bestaan dat eiser een gevaar oplevert voor de openbare orde, de goede zeden, de volksgezondheid of de veiligheid van het Koninkrijk. Het betreft hier de afwijzingsgrond van artikel 9 van de Rijkswet op het Nederlanderschap (hierna: Rijkswet). Uit onderzoek was gebleken dat eiser op […]1998 door de kinderrechter te Almelo is veroordeeld tot 24 uur onbetaalde arbeid ten algemene nutte in plaats van 2 weken jeugddetentie onvoorwaardelijk, 1 week jeugddetentie voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. Deze uitspraak is onherroepelijk geworden op […] 1998.

Op 23 december 1998 is namens eiser tegen het afwijzingsbesluit een bezwaarschrift ingediend bij verweerder. Bij schrijven van 18 januari 1999 zijn namens eiser de nadere gronden van het bezwaar ingediend. Eiser is op 20 april 1999 omtrent zijn bezwaren gehoord.

Verweerder heeft eisers bezwaar bij het bestreden besluit van 30 juli 1999 op de daarin vervatte gronden, welke hier als herhaald en ingelast worden beschouwd, ongegrond verklaard en het primaire besluit gehandhaafd.

Blijkens het beroepschrift van 13 augustus 1999 kan eiser zich niet in het standpunt van verweerder vinden. Op 13 september 1999 zijn namens eiser de nadere gronden van zijn beroep ingediend.

Verweerder heeft op 8 oktober 1999 een verweerschrift ingediend.

Het beroep is behandeld ter openbare zitting van de rechtbank van 13 januari 2000, waar eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde, terwijl verweerder zich heeft doen vertegenwoordigen door C. Vos.

3. Overwegingen

In geschil is de vraag of het besluit van verweerder van 30 juli 1999, waarbij het bezwaar van eiser tegen de afwijzing van zijn verzoek om voor naturalisatie in aanmerking te komen, ongegrond is verklaard, in rechte in stand kan blijven.

Eiser stelt zich op het standpunt dat er in zijn situatie sprake is van (bijzondere) feiten of omstandigheden op grond waarvan voor verweerder aanleiding had moeten bestaan om af te wijken van de door hem gehanteerde richtlijnen die zijn neergelegd in de "Handleiding voor toepassing van de Rijkswet op het Nederlanderschap" (Handleiding) van augustus 1994. Eiser verwijst daarbij naar de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 8 juli 1996 (Rechtspraak Vreemdelingenrecht 1996 no. 48). In de betreffende uitspraak geeft de Afdeling volgens eiser aan dat geen sprake zal zijn van actuele bedreiging voor de openbare orde indien de uit de veroordeling blijkende bedreiging is weggenomen als gevolg van (bijzondere) feiten of omstandigheden die zich naderhand hebben voorgedaan.

Eiser is van oordeel dat in zijn geval sprake is van zulke (bijzondere) feiten of omstandigheden. Daartoe verwijst hij allereerst naar het rapport van de Jeugdreclassering van Twente d.d. 15 februari 1999, waaruit zou blijken dat hij geen actuele bedreiging voor de openbare orde vormt. Daarnaast wijst eiser erop dat hij geschikt is bevonden als beroepsmilitair bij de Koninklijke Landmacht na de selectieprocedure te hebben doorlopen. Volgens eiser zou hij niet door de selectieprocedure zijn gekomen wanneer hij een actuele bedreiging voor de openbare orde zou vormen. Ter ondersteuning hiervan heeft eiser een brief van het Hoofd van de Burogroep van de Aanstelling Koninklijke Landmacht d.d. 4 maart 1999 en de Beleidsregeling justitiële antecedenten bij veiligheidsonderzoeken defensie overgelegd.

Gelet op het vorenstaande is eiser van mening dat zijn aanvraag tot verlening van het Nederlanderschap redelijkerwijs had moeten worden gehonoreerd omdat hij geen actuele bedreiging voor de openbare orde vormt.

Verweerder stelt in zijn verweerschrift de Handleiding te volgen, welke handleiding richtlijnen bevat ter uitwerking van de Circulaire van 29 januari 1985, kenmerk H. afdeling Privaatrecht no. 040/185. Ingevolge de in genoemde Handleiding neergelegde richtlijnen moet, voor zover hier van belang, bij de beslissing op een verzoek tot naturalisatie vooral worden bezien of er in de afgelopen vier jaar voorafgaande aan het moment van de beslissing ter zake van één of meerdere misdrijven een strafvonnis onherroepelijk is geworden waarbij aan verzoeker een vrijheidsstraf of vrijheidsnemende maatregel, een werkstraf of een geldboete van ¦ 1000,-- of meer is opgelegd.

Is dit het geval dan wordt het verzoek afgewezen op grond van het bestaan van gevaar voor openbare orde.

Nu volgens verweerder vast staat, dat ten aanzien van eiser in de vier jaar voorafgaande aan het moment van de beslissing op het verzoek om naturalisatie sprake is geweest van een strafrechtelijke veroordeling in de hiervoor bedoelde zin, betekent dit dat voor de toepassing van de richtlijnen moet worden aangenomen dat er ernstige vermoedens bestaan dat eiser gevaar oplevert voor de openbare orde. Naar de mening van verweerder kunnen de door eiser in bezwaar en in beroep aangevoerde feiten en omstandigheden niet worden aangemerkt als zodanig bijzondere omstandigheden dat deze hem er toe hadden moeten brengen om in casu van de richtlijnen af te wijken. Volgens verweerder is het onjuist om de selectieprocedure bij de Koninklijke Landmacht te vergelijken met het beleid dat bij de naturalisatieprocedure ten aanzien van de openbare orde wordt gevoerd. Voorts kan volgens verweerder op grond van het door eiser overgelegde rapport van de Jeugdreclassering van Twente d.d. 15 februari 1999 niet worden uitgesloten dat eiser onder niet normale omstandigheden zich wederom schuldig maakt aan het plegen van een soortgelijk misdrijf.

De rechtbank overweegt het volgende.

Artikel 7 van de Rijkswet bepaalt, dat aan vreemdelingen die daarom verzoeken het Nederlanderschap kan worden verleend.

In artikel 8 van de Rijkswet zijn de vereisten weergegeven waaraan de vreemdeling moet voldoen om voor verlening van hetNederlanderschap in aanmerking te komen.

Artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de Rijkswet bepaalt, dat het verzoek van een vreemdeling die voldoet aan de bepalingen van artikel 7 en 8, onder andere wordt afgewezen indien op grond van het gedrag van de verzoeker ernstige vermoedens bestaan dat hij gevaar oplevert voor de openbare orde, de goede zeden, de volksgezondheid, of de veiligheid van het Koninkrijk.

De vraag wanneer sprake is van ernstige vermoedens dat de verzoeker gevaar oplevert voor de openbare orde heeft verweerder nader uitgewerkt in richtlijnen welke zijn vastgelegd in de eerdergenoemde Handleiding. Deze Handleiding bevat, voorzover hier van belang, de volgende passages:

"Bij de vraag in welke gevallen de weigeringsgrond van artikel 9,lid 1, sub a, dient te worden gehanteerd, is het volgende van belang:

"1. Een inbreuk op de openbare orde is bij naturalisatie pas relevant, indien het daarbij gaat om één of meer misdrijven die:

a. hebben geleid tot een onvoorwaardelijke vrijheidsbenemende straf of maatregel, een werkstraf als alternatief voor hechtenis of een geldboete van ¦ 1000,-- of meer of die;

b. ten tijde van het naturalisatieverzoek worden vervolgd of nog zullen worden vervolgd. In dat geval dient de beslissing op het verzoek te worden aangehouden.

2. Is er sprake van een onherroepelijke vrijheidsbenemende straf, dan behoort de Immigratie- en Naturalisatiedienst te bezien, of die tot verblijfsbeëindiging zal leiden.

3. Indien het verblijf niet wordt beëindigd, dan moet worden bezien of er in de afgelopen vier jaar voorafgaande aan de indiening van het verzoek tot naturalisatie een vrijheidsstraf of een vrijheidsbenemende maatregel is opgelegd, een werkstraf of een geldboete van ¦ 1000,-- of meer. Is dat het geval dan wordt het verzoek afgewezen op grond van het bestaan van gevaar voor de openbare orde. De duur van de opgelegde straf of maatregel speelt bij de beoordeling van het verzoek geen rol. Is de uitspraak korter dan vier jaar geleden onherroepelijk geworden, dan wordt het verzoek afgewezen."

Blijkens de stukken kan als vaststaand worden aangenomen - en dat wordt door eiser ook niet bestreden - dat er ten aanzien van eiser in de periode van vier jaar voorafgaand aan het moment van de beslissing op het verzoek om naturalisatie sprake is geweest van onherroepelijk geworden strafrechtelijke veroordelingen, waarbij aan eiser een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel, een werkstraf of een geldboete van ¦ 1000,-- of meer is opgelegd. Immers, eiser is op […] 1998 door de Kinderrechter te Almelo, wegens overtreding van artikel 300, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, veroordeeld tot het verrichten van 24 uur onbetaalde arbeid ten algemene nutte.

Deze uitspraak is op […] 1998 onherroepelijk geworden.

Vast staat derhalve dat in de onderhavige situatie sprake is van een strafrechtelijke veroordeling als bedoeld in de richtlijnen. Bij onverkorte toepassing van deze richtlijnen zou dan ook moeten worden aangenomen, dat er ernstige vermoedens bestaan dat eiser gevaar oplevert voor de openbare orde.

De Afdeling heeft in haar uitspraken reeds meermalen aangegeven deze richtlijnen uit de Handleiding in het algemeen aanvaardbaar te achten. De Afdeling heeft daarbij onder meer bepaald dat die richtlijnen als uitgangspunt mogen dienen, maar dat rekening gehouden dient te worden met het feit, dat zich in een concreet geval omstandigheden kunnen voordoen op grond waarvan slechts tot een juiste wetstoepassing kan worden gekomen indien van de richtlijnen wordt afgeweken.

Verweerder kan gelet op het wettelijk kader en de hiervoor aangehaalde jurisprudentie van de Afdeling, niet volstaan met een toets aan de Handleiding. De Handleiding bevat wetsinterpreterende beleidsregels, die in het algemeen gehanteerd zullen kunnen worden bij de vraag of er in casu sprake is van ernstige vermoedens van een gevaar voor de openbare orde en die een uitleg geven bij de door de wetgever gehanteerde vage termen 'ernstige vermoedens voor de openbare orde'. Met het oog op een uniforme, consistente en consequente uitvoering van de wettelijke regeling ligt het in de rede dat verweerder op een dergelijke manier vorm geeft aan de invulling en uitleg van de betreffende open normering. Het bestaan van de Handleiding ontslaat verweerder echter niet van de verplichting om steeds in de volle omvang te bezien of er in een concreet geval ook daadwerkelijk van een dergelijk vermoeden sprake is.

Dit brengt verder met zich dat ook de rechterlijke toets zich niet mag beperken tot de vraag of verweerder de Handleiding juist heeft toegepast, maar dat ook de rechter in de volle omvang dient te beoordelen of ten aanzien van eiser ernstige vermoedens bestaan dat hij een gevaar oplevert voor de openbare orde.

Uit de tekst van artikel 9, eerste lid en onder a, van de Rijkswet, is af te leiden dat één enkele gedraging op zich niet snel aanleiding zal zijn om te kunnen concluderen dat bij een aanvrager een gegrond vermoeden bestaat dat deze een gevaar voor de openbare orde betekent. Gelet op die tekst moet het immers gaan om een verwachting aangaande een gedraging in de toekomst. Een dergelijke verwachting zal veelal niet zonder meer kunnen worden gebaseerd op een enkele gedraging uit het verleden. Ook de Memorie van Antwoord bij de Rijkswet heeft dit tot uitdrukking gebracht in de volgende passage:

" Een vermoeden dat iemand wegens zijn gedrag een gevaar voor de samenleving oplevert op grond waarvan zijn naturalisatieverzoek moet worden afgewezen, is slechts zelden uit een enkel feit af te leiden. In de regel zal op grond van een complex van gedragingen, waarbij aan bewezen strafbare feiten een bijzonder gewicht toekomt, een prognose moeten worden gesteld. In het oog dient te worden gehouden, dat het steeds gaat om een inschatting van hetgeen in de toekomst van betrokkene is te verwachten (Tweede Kamer, 1982-1983, 16947 (R 1181), nr. 7, blz.3)".

In de Richtlijnen heeft dit uitgangspunt geleid tot de beleidsregel dat de nadruk wordt gelegd op het gedrag in de vier jaren voorafgaand aan het verzoek om naturalisatie. Deze uitwerking betekent verder dat eiser na ommekomst van een termijn van vier jaren na zijn veroordeling door de kinderrechter, en bij achterwege blijven van nieuwe strafrechtelijke veroordelingen, zijn recht op naturalisatie geldend kan maken. Hoewel, zoals hiervoor reeds aangehaald, deze uitleg overeenkomstig de richtlijnen in de Handleiding is, geeft verweerder zich aldus onvoldoende rekenschap van de omstandigheden van dit individuele geval.

Ten eerste wijst de rechtbank er op dat eiser ten tijde van het plegen van het misdrijf nog minderjarig was. Ten aanzien van minderjarigen geldt toch dat zij in het algemeen minder goed in staat moeten worden geacht om de gevolgen van hun handelingen te overzien en dat zij in (veel) geringere mate dan volwassenen inzicht hebben in de risico's en gevaren die aan bepaalde handelingen zijn verbonden. Onder meer om die reden zijn ten behoeve van minderjarigen diverse regelingen geschreven waarin hen een bijzondere bescherming wordt geboden, dan wel is op hen een ander strafrechtelijk regiem van toepassing. Een bijzondere regeling is onder meer te vinden in de Wet op de justitiële documentatie en op de verklaringen omtrent het gedrag, waarin, onder meer in artikel 7a, voor jeugdigen een aanzienlijk gunstiger regeling is opgenomen ten aanzien van het opmaken en verwijderen van een strafblad.

De Handleiding geeft er geen blijk van bij de invulling van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a van de Rijkswet, rekening te houden met deze bijzondere positie van minderjarigen en de andere termijnen die worden gehanteerd ten aanzien van het bewaren en verwijderen van een strafblad. Met name speelt in dit verband een rol dat het in de rede ligt om bij jeugdigen een kortere termijn te hanteren ten aanzien van de beoordeling van het gedrag na een onherroepelijk geworden veroordeling.

Ten tweede wijst de rechtbank op de omstandigheden waaronder de delicten werden gepleegd. Eiser is op 12-jarige leeftijd vanuit Turkije naar Nederland gekomen. In Turkije is hij niet naar school geweest. In Nederland is hij op een VSO/MLK-instelling geplaatst. Blijkens de stukken werd hij aangemerkt als een moeilijke leerling. Toen hij 17 jaar oud was, wilde hij stoppen met de opleiding en gaan werken. Uit de stukken valt niet precies af te leiden wat zich ten aanzien van het beëindigen van de opleiding heeft afgespeeld, maar wel blijkt dat de onderwijsinstelling wat dat betreft een weinig coöperatieve opstelling ten aanzien van eiser aan de dag heeft gelegd. Voorts getuigt de opstelling van de onderwijsinstelling van weinig begrip voor de ernst van de situatie, nu eiser na het eerste incident niet werd geschorst, maar dat hij integendeel de volgende dag weer op school werd verwacht. Aldus werd het bestaande conflict nog verder op de spits gedreven. Een en ander wordt ook bevestigd door de brief van de heer Langkamp, medewerker van de Stichting Jeugd en Gezin van 15 februari 1999. In het licht van het geringe opleidingsniveau van eiser, zijn relatief gebrekkige kennis van de Nederlandse taal, en het feit dat hij door zijn stotteren een extra handicap ondervindt bij het onder woorden brengen van zijn wensen, is een gewelddadige reactie zoals door eiser gepleegd, weliswaar geen excuus, maar wel een handeling waaraan een geringere verwijtbaarheid kan worden verbonden. Dat was blijkbaar ook het oordeel van de kinderrechter, nu deze een relatief lichte straf heeft uitgesproken. In samenhang met de vorige overweging leidt dit de rechtbank tot het oordeel dat eiser de relatief geringe misstap uit zijn jeugd onevenredig lang wordt nagedragen.

Ten derde wijst de rechtbank op meergenoemde brief van de heer Langkamp van 15 februari 1999. Hij wijst er op dat hij recidive, onder normale omstandigheden, uitgesloten acht. De rechtbank legt deze passage zo uit dat recidive door de deskundige wordt uitgesloten. De toevoeging 'onder normale omstandigheden' moet dan zo worden gelezen, dat nooit met zekerheid is te voorspellen hoe mensen zich zullen gedragen, en dat derhalve ook niet met zekerheid is te zeggen dat eiser nooit in een zodanige bijzondere omstandigheid komt te verkeren dat hij zijn gedrag uit het verleden zal herhalen. In die zin gelezen, geeft de betreffende passage niet méér weer dan de algemene waarheid dat menselijk gedrag altijd onvoorspelbare kanten heeft. De rechtbank kent dan ook niet die betekenis aan de passage toe die verweerder daar aan geeft. Overigens wijst de rechtbank er op dat de heer Langkamp vaststelt dat bij eiser, anders dan verweerder meent, inmiddels wel degelijk een zelfinzicht is ontstaan en dat hij begrepen heeft dat hij de verkeerde oplossingen heeft gekozen voor zijn problemen.

Dit laatste sluit ook aan bij de verklaringen van eiser ter zitting. Naar zijn zeggen verricht hij zijn werkzaamheden bij zijn huidige werkgever naar tevredenheid. Verder heeft eiser onder meer aangegeven dat hij thans, veel meer dan vroeger, de wegen weet te vinden die nodig zijn om te komen tot een oplossing van zijn eventuele problemen. De rechtbank heeft geen reden om die verklaringen in twijfel te trekken.

Ten slotte stelt de rechtbank vast dat eiser geschikt is bevonden voor het verrichten van een functie van beroepsmilitair. Eiser heeft er op gewezen dat de Minister van Defensie, ondanks het verrichte veiligheidsonderzoek, voor eisers aanstelling geen beletselen ziet in zijn eerdere strafrechtelijke veroordeling. Met verweerder stelt de rechtbank vast dat de aard en doel van dat onderzoek anders is dan het onderzoek conform de Handleiding. Dat neemt echter niet weg dat ook in dat onderzoek is bezien of de veroordeling aan een aanstelling in de weg stond. Blijkens artikel 4, aanhef en onder b van de Beleidsregeling justitiële antecedenten bij veiligheidsonderzoeken defensie, is een dergelijke afweging wel degelijk gemaakt. Verweerder heeft aangevoerd dat de Nederlandse Staat na naturalisatie in internationaal en in het diplomatiek verkeer voor eiser verantwoordelijk wordt. In het licht van de keuze van de Nederlandse regering om met het Nederlandse leger een substantiële bijdrage te blijven leveren aan internationale vredesmissies, kent de rechtbank aan dat argument een gering gewicht toe. Eiser zou als beroepsmilitair immers juist in die situaties terecht kunnen komen die internationaal en diplomatiek uiterst gevoelig liggen.

De rechtbank komt dan ook tot het oordeel dat het bestreden besluit niet is onderbouwd met een voldoende draagkrachtige motivering. Op basis van de voorliggende feiten kan verweerder derhalve niet concluderen dat ten aanzien van eiser op grond van zijn gedrag ernstige vermoedens bestaan dat hij een gevaar vormt voor de openbare orde. Het bestreden besluit is derhalve in strijd met de wet genomen en kan derhalve niet in stand blijven. Verweerder zal met inachtneming van het voorgaande een nieuw besluit dienen te nemen.

De rechtbank ziet aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiser heeft moeten maken voor het voeren van dit geding. Deze kosten worden bepaald op ¦ 1429,--, zijnde ¦ 1420,-- voor rechtsbijstand en ¦ […],-- voor een retour [woonplaats]-Almelo, tweede klasse.

Beslist wordt derhalve als volgt:

4. Beslissing

De Arrondissementsrechtbank Almelo,

Recht doende:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerder met inachtneming van het voorgaande een nieuw besluit neemt;

- verstaat dat verweerder eiser het griffierecht ad f 225,-- vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten ad ¦ […],-- te betalen aan de griffier.

Tegen deze uitspraak staat binnen zes weken na verzending hoger beroep open bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State te 's-Gravenhage.

Gewezen en in het openbaar uitgesproken op 15 februari 2000

door mr. H.G. Rottier, in tegenwoordigheid van J. Wenniger als griffier.

Afschrift verzonden op

Mtb