Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2000:AA4881

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
08-02-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
08/24509-99
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK ALMELO

Parketnummer: 24509-99.

STRAFVONNIS

Uitspraak: 8 februari 2000.

De arrondissementsrechtbank te Almelo, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende in de zaak van de officier van justitie in het arrondissement Almelo, tegen:

[Verdachte],

geboren te [geboorteplaats verdachte] ([Geboorteland verdachte) op [geboortedatum verdachte],

thans verblijvende in PI Grittenborgh,

terechtstaande -na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting- terzake dat:

1. hij in of omstreeks de periode van 1 november 1998 tot en met 26 januari 1999 in de gemeente Almelo en/of in de gemeente Tilburg, in elk geval Nederland, tezamen en in vereniging met [Medeverdachte 1] en/of [Medeverdachte 2] en/of een of meer anderen, in elk geval alleen, er een beroep of een gewoonte van heeft gemaakt, (telkens) een of meer perso(o)n(en), te weten [Betrokkene] en/of (een) andere perso(o)n(en) uit winstbejag behulpzaam is/zijn geweest bij het zich verschaffen van toegang tot en/of verblijf in Nederland en/of enige staat welke gehouden is mede ten behoeve van Nederland grenscontrole uit te oefenen en/of (telkens) voornoemd(e) perso(o)n(en) uit winstbejag gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft/hebben verschaft, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) (telkens) wist(en) en/of ernstige reden had(den) te vermoeden dat toegang en/of dat verblijf te Nederland en/of enige staat welke gehouden was mede ten behoeve van Nederland grenscontrole uit te oefenen, (telkens) wederrechtelijk was, hierin bestaande dat verdachte en/of (een) mededader(s) toen aldaar (telkens) die perso(o)n(en) voornoemd

- in contact heeft/hebben gebracht met (een) mededader(s) en/of

- heeft/hebben voorzien van (valse en/of vervalste) (reis)documenten en/of

- (een) (traveller)cheque(s) en/of enig(e) geldbedrag(en) aan hem en/of zijn mededader(s) heeft/hebben laten afgeven en/of deze (traveller)cheque(s) heeft/hebben verzilverd en/of doen en/of laten verzilveren en/of

- in een door verdachte en/of zijn mededader(s) gehuurde en/of bestuurde auto naar de plaats van overnachting en/of een overige (tijdelijke) bestemming in Nederland en/of enige staat welke gehouden was mede ten behoeve van Nederland grenscontrole uit te oefenen, heeft/hebben vervoerd en/of doen en/of laten vervoeren en/of

- onderdak en/of etenswaren heeft/hebben verschaft;

2. hij in of omstreeks de periode van 1 november 1998 tot en met 26 januari 1999 in de gemeente Almelo, in elk geval in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie die werd gevormd door [Medeverdachte 1] en/of [Medeverdachte 2] en/of een of meer anderen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven (mensensmokkel) als bedoeld in artikel 197a Wetboek van Strafrecht, in elk geval (telkens) het plegen van enig misdrijf als vermeld in het Wetboek van Strafrecht;

Gezien de stukken;

Gelet op het onderzoek ter terechtzitting;

Gehoord de vordering van de officier van justitie

( 30 maanden gevangenisstraf met bevel dat de tijd, die door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht);

Gelet op de verdediging door en namens verdachte in het midden gebracht;

De rechtbank heeft de in de tenlastelegging begane kennelijke schrijffouten verbeterd.

Verdachte wordt daardoor in zijn verdediging niet geschaad.

De rechtbank is door de inhoud van vorenstaande bewijsmiddelen, waarop na te melden beslissing steunt, tot de overtuiging gekomen en acht wettig bewezen dat verdachte het telastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1. hij in de periode van 1 november 1998 tot en met 26 januari 1999 in de gemeente Almelo en elders in Nederland, tezamen en in vereniging met [Medeverdachte 1] en [Medeverdachte 2] en anderen, er een gewoonte van heeft gemaakt, telkens personen, te weten [Betrokkene] en andere personen uit winstbejag behulpzaam te zijn bij het zich verschaffen van toegang tot en/of verblijf in Nederland en/of enige staat welke gehouden is mede ten behoeve van Nederland grenscontrole uit te oefenen en telkens voornoemde personen daartoe uit winstbejag gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen, terwijl verdachte en zijn mededaders telkens wisten en/of ernstige reden hadden te vermoeden dat de toegang en/of dat verblijf te Nederland en/of enige staat welke gehouden was mede ten behoeve van Nederland grenscontrole uit te oefenen, telkens wederrechtelijk was, hierin bestaande dat verdachte en mededaders toen aldaar telkens die personen voornoemd

- in contact hebben gebracht met (een) mededader(s) en/of

- hebben voorzien van (valse en/of vervalste) reisdocumenten en/of

- travellercheques en enige geldbedragen aan hem of zijn mededaders hebben laten afgeven en/of

- in een door verdachte of zijn mededaders gehuurde en/of bestuurde auto naar de plaats van overnachting en/of een overige (tijdelijke) bestemming in Nederland en/of enige staat welke gehouden was mede ten behoeve van Nederland grenscontrole uit te oefenen, hebben vervoerd en/of doen en/of laten vervoeren en/of

- onderdak en/of etenswaren hebben verschaft;

2. hij in de periode van 1 november 1998 tot en met 26 januari 1999 in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie die werd gevormd door [Medeverdachte 1] en [Medeverdachte 2] en anderen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven (mensensmokkel) als bedoeld in artikel 197a Wetboek van Strafrecht;

Tot deze beslissing geven reden de in die bewijsmiddelen voorkomende feiten en omstandigheden, waarbij de inhoud van die bewijsmiddelen telkens alleen is gebezigd tot bewijs van het telastegelegde feit, waarop die inhoud bijzonderlijk betrekking heeft.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd, zodat hij daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Het bewezene levert op voor wat betreft sub 1 het misdrijf:

"Een ander uit winstbejag behulpzaam zijn bij het zich verschaffen van toegang tot en verblijf in Nederland of enige staat welke gehouden is mede ten behoeve van Nederland grenscontrole uit te oefenen en hem daarbij gelegenheid of middelen of inlichtingen verschaffen, terwijl hij weet of ernstige redenen heeft te vermoeden dat de toegang of dat verblijf wederrechtelijk is, terwijl het feit wordt begaan door een persoon die daarvan een gewoonte maakt en terwijl het feit in vereniging wordt begaan door meerdere personen",

strafbaar gesteld bij art. 197a lid 1 en lid 3 Wetboek van Strafrecht;

en voor wat betreft sub 2 het misdrijf:

"Deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven",

strafbaar gesteld bij art. 140 Wetboek van Strafrecht;

De verdachte is deswege strafbaar aangezien van geen zijn strafbaarheid uitsluitende omstandigheid is gebleken.

De rechtbank overweegt voor wat de straf betreft, dat op grond van de aard van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn gepleegd en de persoon van verdachte, zoals één en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, aan verdachte de straf behoort te worden opgelegd, zoals deze hierna zal worden bepaald, waarbij nog het volgende is overwogen:

Verdachte heeft een actieve rol gespeeld in een criminele organisatie die zich bezig hield met het op professionele wijze smokkelen van mensen.

Niet is gebleken dat bij verdachte andere motieven hebben gespeeld dat louter geldelijk gewin. Aldus heeft verdachte de belangen van mensen die zich in een afhankelijke en kwetsbare positie bevonden, ondergeschikt gemaakt aan zijn eigen belangen.

Verdachte heeft daardoor blijk gegeven verstoken te zijn van elementaire gevoelens van respect voor de menselijke waardigheid van personen die, om welke reden dan ook, hun huis en have hebben verlaten.

Dergelijke feiten worden zowel in Nederland als in de internationale rechtsorde als ernstig betiteld. Bovendien maken feiten als de onderhavige inbreuk op het Nederlandse vreemdelingenbeleid en de internationale rechtsorde.

Feiten als de onderhavige dienen door het opleggen van forse onvoorwaardelijke gevangenisstraffen ontmoedigd te worden.

De na te noemen straf is gegrond, behalve op voormelde artikelen, op de artikelen 10, 27 en 57 van het Wetboek van Strafrecht.

R E C H T D O E N D E:

Verklaart bewezen, dat het telastegelegde in voege als boven omschreven door verdachte is begaan;

Verstaat, dat het aldus bewezen verklaarde oplevert de strafbare feiten zoals hierboven vermeld;

Verklaart verdachte deswege strafbaar;

Veroordeelt hem te dier zake tot een gevangenisstraf voor de tijd van 18 maanden.

Beveelt dat de tijd, die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

Verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij;

Aldus gewezen door mr. Bossinga, voorzitter, mrs. Derks en Roelvink, rechters, in tegenwoordigheid van Veldhuis, griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting op

8 februari 2000.