Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2000:AA4814

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
08-02-2000
Datum publicatie
22-12-2003
Zaaknummer
08/035624-98
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK ALMELO

Parketnummer: 08/035624-98

STRAFVONNIS

Uitspraak: 8 februari 2000

De arrondissementsrechtbank te Almelo, meervoudige economische strafkamer, rechtdoende in de zaak van de officier van justitie in het arrondissement Almelo, tegen de vereniging:

[VERDACHTE],

gevestigd te [VESTIGINGSPLAATS VERDACHTE], [ADRES VERDACHTE],

terechtstaande terzake dat:

verdachte in of omstreeks de periode van 25 februari 1998 tot en met 26 juni

1998, althans in of omstreeks de periode van 1 mei 1998 tot en met 26 juni

1998, in de gemeente [VESTIGINGSPLAATS VERDACHTE], althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, in perceel [ADRES VERDACHTE] te [VESTIGINGSPLAATS VERDACHTE], althans in een aan de [STRAAT VERDACHTE] te [VESTIGINGSPLAATS VERDACHTE] gelegen perceel, meermalen, althans eenmaal, (telkens) al dan niet

opzettelijk gelegenheid heeft gegeven om door middel van het (kans)spel

Dromus-24 en/of Euro Pirouette, zijnde/althans een variant van het Golden

Ten-spel en/of door middel van het (kans)spel Caribbean Stud Poker en/of door

middel van het (kans)spel Texas Hold 'em, zijnde/althans (een) variant(en) van

het pokerspel, althans door middel van een of meer kansspel(en) mede te dingen

naar prijzen en/of premies, waarbij de aanwijzing der winnaars geschiedde door

enige kansbepaling waarop de deelnemers in het algemeen geen overwegende

invloed konden uitoefenen, terwijl daarvoor (telkens) geen vergunning

ingevolge de Wet op de kansspelen was verleend;

Gezien de stukken;

Gelet op het onderzoek ter terechtzitting;

Gehoord de vordering van de officier van justitie;

(geldboete f. 40.000,=; stillegging van de onderneming voor de tijd van 1 jaar, verbeurdverklaring van het beslag en ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel van f. 222.500,=)

Gelet op de verdediging namens verdachte in het midden gebracht;

De rechtbank heeft de eventueel in de tenlastelegging begane kennelijke schrijffouten verbeterd.

Verdachte wordt daardoor in haar verdediging niet geschaad.

Door de raadsman van verdachte is bij wijze van verweer aangevoerd dat de officier van justitie niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Dit omdat deze vereniging het leven heeft gelaten op 27 juni 1998. Zulks zou blijken uit een zich bij de stukken bevindend uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel te Veluwe en Twente met als stempeldatum 6 juli 1998.

Naar aanleiding van dit verweer overweegt de rechtbank als volgt:

Vast staat dat deze vereniging rechtsgeldig is opgericht op 25 februari 1998. Bij de stukken bevinden zich de statuten van de vereniging zoals die per die datum zijn vastgesteld. Aangevoerd noch gebleken is dat die statuten nadien zijn gewijzigd.

In het door de raadsman aangeduide uittreksel staat onder “Rechtspersoonsgegevens” bij “ Ontbinding, reden ontbinding” vermeld: “27-06-1998 door BESLUIT VAN DE ALGEMENE VERGADERING”. Ook staat daar bij “Einde liquidatie” vermeld: “27-06-1998”.

Ondanks de inschrijving van deze gegevens bij de Kamer van Koophandel is de rechtbank van oordeel dat deze vereniging is blijven bestaan. Dit allereerst omdat niet is komen vast te staan dat deze vereniging op rechtsgeldige (zie artikel 23 van de statuten) wijze is ontbonden en vereffend. Uit niets blijkt dat een ledenvergadering is bijeengeroepen en dat de procedure is bewandeld zoals is aangeduid in voormeld artikel van de statuten. Dit klemt temeer nu namens verdachte is aangevoerd dat de vereniging vele leden moet hebben gekend. Een omstandigheid die bij gebrek aan een ledenadministratie niet gecontroleerd kan worden . Evenmin zijn namen genoemd van leden die al dan niet aanwezig zouden (kunnen) zijn geweest bij de voor een opheffing benodigde algemene vergadering.

Daarbij komt dan nog dat ter terechtzitting door Dhr. [X] is verklaard dat hij nog steeds heeft te gelden als voorzitter van deze vereniging. Gelet op hetgeen diverse getuigen ter terechtzitting daarover hebben verklaard kan zelfs worden aangenomen dat deze vereniging inmiddels onder een andere naam (te weten [ANDERE NAAM]) doorleeft met thans echte leden die dat met een kleurig geplastificeerd pasje aannemelijk kunnen maken. De slotsom moet dan ook zijn dat voormeld verweer faalt.

Door de raadsman is verder aangevoerd dat het bewijs in deze zaak niet is geleverd. De raadsman komt tot die conclusie door -zakelijk weergegeven- te stellen dat de uitgevoerde observaties ten aanzien van de spelverrichtingen niet toereikend zijn om in casu een oordeel te geven over wat een gemiddelde speler ten aanzien van de betrokken spelen wel of niet vermag te presteren.

De raadsman beroept zich hierbij op hetgeen de ter terechtzitting gehoorde getuige-deskundige Prof.Dr. Van Genugten heeft gepubliceerd en verklaard, waaruit zou blijken dat het aantal waarnemingen voldoende groot moet zijn voordat een statistisch oordeel gevormd kan worden of een speler daadwerkelijk zijn winstkansen kan verhogen. Het blijkt dat hiervoor tenminste 460 spelronden van een dergelijke speler geobserveerd moeten worden.

De raadsman heeft in het geding gebracht een afschrift van een arrest van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch d.d. 29 februari 1996, waarbij een verdachte terzake feiten als in casu zijn telastegelegd is vrijgesproken.

De rechtbank overweegt omtrent vorenstaande als volgt:

Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad is voor de vraag of een spel een kansspel of een behendigheidsspel is, bepalend of het resultaat dat de grote meerderheid der spelers in de praktijk bij het spel behaalt van het toeval afhangt.

Tot het bewijs van een dergelijk feit kan de rechtbank, blijkens de opvatting van de Hoge Raad, komen op grond van verklaringen van verdachten, getuigen en deskundigen over de spelen en de wijze waarop deze in het algemeen in de praktijk plegen te worden gespeeld.

In casu zijn op acht verschillende data observaties uitgevoerd door de politie in het betreffende pand.

Daarnaast is ter terechtzitting een aantal getuigen en getuigen-deskundigen gehoord, waaronder Prof.Dr. Van Genugten.

De rechtbank baseert zich, om tot het bewijs van het telastegelegde te komen, mede op de ter terechtzitting afgelegde verklaring van de getuige-deskundige Prof.Dr. Van Genugten, voornoemd, welke verklaring, verkort en zakelijk weergegeven, ondermeer inhoudt:

"Als je enige kennis van het spel hebt, zoals wij, dan denk ik dat Dromus 24 een kansspel is. Observatie is niet zo hard nodig. In Dromus 24 zit weinig behendigheid.

De loop van de baan speelt een rol, maar ook hoelang het duurt. Bij een draaiende getallenkrans verschilt dit steeds. De binnenring bij Dromus 24 is vrij laag. Het is onvoorspelbaarder hoe het balletje zich gedraagt. Voorspellen bij Dromus 24 is moeilijker dan bij Golden Ten.

Ik heb drie processen-verbaal van de politie ontvangen, om te kijken hoe door de politie geobserveerd is. Er is door de politie consistent geobserveerd. Er is mij niets bijzonders opgevallen.

Het leereffekt en het toevalseffekt moeten tegen elkaar worden afgewogen. Het spel Black Jack zou hierbij onder de grens van de behendigheid komen. Dromus 24 kwam erg laag uit, veel lager dan Black Jack. Het leereffekt bij Black Jack is hoger dan bij Dromus 24.

De manier om Dromus 24 te spelen is het kiezen van een vast punt op de baan. Daar maak je een tabel van. De betreffende speler, die zegt dat hij behendig speelt, zou tenminste 460 speelronden moeten observeren.

De rechtbank is ten aanzien van de observaties van oordeel dat deze voldoende in aantal en in tijdsduur zijn geweest om te kunnen vaststellen dat het merendeel der deelnemers in het geheel niet, danwel onvoldoende observeerde.

De door Prof.Dr. Van Genugten aangehaalde ondergrens van 460 keer observeren door een speler die zegt dat hij behendig speelt, is hierbij geen enkele keer gehaald.

Het door de raadsman overgelegde afschrift van het arrest van het gerechtshof in

's-Hertogenbosch kan de verdediging niet baten, aangezien uit rechtsoverweging 5 van dat arrest blijkt dat in die zaak, anders dan hier, "door de verbalisanten niet, danwel slechts gedurende een zeer korte periode de daarvoor noodzakelijke observaties zijn gedaan".

De rechtbank is door de inhoud van vorenstaande bewijsmiddelen, waarop na te melden beslissing steunt, tot de overtuiging gekomen en acht wettig bewezen dat verdachte het telastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

verdachte in de periode van 25 februari 1998 tot en met 26 juni 1998

in de gemeente [VESTIGINGSPLAATS VERDACHTE], tezamen en in vereniging met anderen, in perceel [ADRES VERDACHTE] te [VESTIGINGSPLAATS VERDACHTE], meermalen, telkens opzettelijk gelegenheid heeft gegeven om door middel van het (kans)spel Dromus-24 mede te dingen naar prijzen waarbij de aanwijzing der winnaars geschiedde door enige kansbepaling waarop de deelnemers in het algemeen geen overwegende invloed konden uitoefenen, terwijl daarvoor telkens geen vergunning ingevolge de Wet op de kansspelen was verleend;

Tot deze beslissing geven reden de in die bewijsmiddelen voorkomende feiten en omstandigheden, waarbij de inhoud van die bewijsmiddelen telkens alleen is gebezigd tot bewijs van het telastegelegde feit, waarop die inhoud bijzonderlijk betrekking heeft.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd, zodat zij daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Het bewezene levert op het economisch delict:

"Overtreding van het voorschrift gesteld bij artikel 1 in aanhef en onder a van

de Wet op de kansspelen, opzettelijk begaan door een rechtspersoon",

strafbaar gesteld bij art. 6 van de Wet op de economische delicten jo. art. 51 van het Wetboek van Strafrecht, meermalen gepleegd;

De verdachte is deswege strafbaar aangezien van geen haar strafbaarheid uitsluitende omstandigheid is gebleken.

De rechtbank overweegt voor wat de straf betreft, dat op grond van de aard van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn gepleegd, zoals één en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, aan verdachte de straf en bijkomende straf behoren te worden opgelegd, zoals deze hierna zullen worden bepaald.

Bij het bepalen van de hoogte van na te melden geldboete heeft de rechtbank rekening gehouden met de draagkracht van verdachte, alsmede met het resultaat van de de verdachte betreffende procedure ex artikel 36E van het Wetboek van Strafrecht (de ontnemingszaak).

Een stillegging van de onderneming als door de officier van justitie is gevorderd is niet mogelijk, aangezien de onderneming binnen de vereniging inmiddels is geliquideerd.

De rechtbank overweegt dat de inbeslaggenomen goederen vatbaar zijn voor verbeurdverklaring, aangezien deze goederen aan verdachte toebehoren en door middel van de strafbare feiten zijn verkregen, danwel met betrekking tot deze voorwerpen de strafbare feiten zijn begaan.

Bij de verbeurdverklaring heeft de rechtbank rekening gehouden met de draagkracht van verdachte.

De na te noemen straf en bijkomende straf zijn gegrond, behalve op voormelde artikelen, op de artikelen 23,24,33,33a,57 en 91 van het Wetboek van Strafrecht; artikel 31 van de Wet op de kansspelen en de artikelen 1 en 2 van de Wet op de economische delicten;

R E C H T D O E N D E:

Verklaart bewezen, dat het telastegelegde in voege als boven omschreven door verdachte is begaan;

Verstaat, dat het aldus bewezen verklaarde oplevert de strafbare feiten zoals hierboven vermeld;

Verklaart verdachte deswege strafbaar;

Veroordeelt haar te dier zake tot een geldboete van fl. 40.000,=.

Verklaart verbeurd de inbeslaggenomen goederen vermeld op de aan dit vonnis gehechte lijst van inbeslaggenomen goederen.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt haar daarvan vrij;

Aldus gewezen door mr. Koopmans, voorzitter, mrs. Bückmann en Lunenborg, rechters, in tegenwoordigheid van Last, griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting op 8 februari 2000.