Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:1999:AA6768

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
08-10-1999
Datum publicatie
19-08-2002
Zaaknummer
AWB 99/167 WW44 Q1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet op de Ruimtelijke Ordening 10
Woningwet 9
Woningwet 40
Woningwet 44
Woningwet 46
Woningwet 46
Woningwet 46
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK ALMELO

Sector Bestuursrecht - Enkelvoudige Kamer

Registratienummer: AWB 99/167 WW44 Q1

UITSPRAAK

in het geschil tussen:

A wonende te B, eiser,

gemachtigde: J.P.E. Baakman,

en

het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Haaksbergen, zetelend te Haaksbergen, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder d.d. 12 januari 1999, verzonden op 13 januari 1999.

2. De feiten en het verloop van de procedure

Bij formulier, ingekomen bij verweerder op 8 juni 1998, heeft eiser een bouwvergunning aangevraagd voor het verbouwen van een zomerhuis op het perceel kadastraal bekend gemeente [...], sectie [...], nr. [...] ([...]). Het zomerhuis, met een oorspronkelijk lengte van 10,5 meter, een breedte van 5,4 meter en een oppervlakte van 56,7 vierkante meter, moet volgens het bouwplan worden uitgebreid met 17,3 vierkante meter aan de voor-gevel en met 6,8 vierkante meter aan de achtergevel, waardoor de totale bebouwde oppervlakte van het zomerhuis 80,8 vierkante meter zal bedragen.

Bij beschikking van 1 oktober 1998 heeft verweerder aan eiser medegedeeld dat de bouwvergunning wordt geweigerd, omdat de door eiser voorgestane uitbreiding van het zomerhuis en tevens het voor het grootste deel inpandig zijn van de berging in strijd zou zijn met de ter plekke geldende seizoenwoonverblijvenverordening. Op 21 oktober 1998 is door een ambtenaar van het gemeentelijk Bouw- en Woningtoezicht geconstateerd dat eiser begonnen was met de bouw-activiteiten. De bouwactiviteiten zijn met onmiddellijke ingang stopgezet. Op 27 oktober 1998 heeft eiser bezwaar laten aantekenen tegen het besluit van 1 oktober 1998. De hoorzitting in het kader van de bezwaarschriftprocedure heeft plaatsgevonden op 27 november 1998. De Commissie voor de bezwaar- en beroepschriften heeft op 27 november 1998 advies uitgebracht, welk advies op 4 januari 1999 is verzonden.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder, overeenkomstig het uitgebrachte advies, onder verbetering van gronden de bezwaren van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft zich niet met dit besluit kunnen verenigen en heeft daartegen beroep doen instellen. Eiser zelf heeft bij brief van 11 februari 1999, ingekomen bij verweerder op 23 februari 1999, bezwaar gemaakt tegen het bestreden besluit. De brief bevindt zich bij de stukken. Zijn gemachtigde heeft op 23 februari 1999 een pro forma-beroepschrift ingediend. Gelet hierop zal de rechtbank de brief van eiser zelf d.d. 11 februari 1999 niet als beroepschrift aanmerken. De beroepsgronden zijn aangevuld bij schrijven van de gemachtigde van eiser van 22 maart 1999. Hierbij zijn vier produkties overgelegd. Het verweerschrift, vergezeld van de op het beroep betrekking hebbende stukken, is op 6 mei 1999 ter griffie ingekomen.

Het beroep is behandeld ter openbare zitting van de rechtbank van 27 september 1999, waar eiser is verschenen vergezeld van zijn gemachtigde J.P.E. Baakman, terwijl verweerder zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. drs. L.G. Hartman en R. ten Donkelaar.

3. Overwegingen

In geschil is de vraag of het besluit van verweerder van 12 januari 1999, verzonden op 13 januari 1999, waarbij de bezwaren van eiser tegen de weigering van een bouwvergunning ten behoeve van de verbouwing van het zomerhuis aan de [...] onder verbetering van gronden ongegrond zijn verklaard, in rechte in stand kan blijven.

De rechtbank overweegt dienaangaande als volgt.

wettelijk kader

Artikel 40, eerste lid van de Woningwet bepaalt dat het verboden is te bouwen zonder of in afwijking van een door burgemeester en wethouders te verlenen vergunning (bouwvergunning).

Op grond van het bepaalde in artikel 44 van de Woningwet mag alleen en moet de bouwvergunning worden geweigerd indien:

a. het bouwwerk, waarop de aanvraag betrekking heeft, niet voldoet aan de bij of krachtens het Bouwbesluit gegeven voorschriften;

b. het bouwwerk niet voldoet aan de voorschriften van de bouwverordening;

c. het bouwwerk in strijd is met een bestemmingsplan of de krachtens zodanig plan gestelde eisen;

d. het bouwwerk naar het oordeel van burgemeester en wethouders niet voldoet aan artikel 12, eerste lid (welstandseisen),

of

e. voor het bouwwerk een vergunning ingevolge de Monumentenwet 1988 of een provinciale of gemeentelijke monumentenverordening is vereist en deze is geweigerd.

Ingevolge artikel 46, eerste lid van de Woningwet dienen burgemeester en wethouders omtrent een aanvraag om bouwvergunning te beslissen binnen dertien weken na de dag waarop zij de aanvraag hebben ontvangen. Indien burgemeester en wethouders hieraan niet voldoen is de bouwvergunning van rechtswege verleend (vierde lid). In het derde lid is bepaald dat het eerste lid niet van toepassing is indien de aanvraag betrekking heeft op een bouwwerk, voor het bouwen waarvan slechts bouwvergunning kan worden verleend, nadat vrijstelling is verleend als bedoeld in de artikelen 15, 17, 18 of 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO).

Ten aanzien van het perceel aan de [...]weg Z-24 is van toepassing het bestemmingsplan "Plan van uitbreiding Haaksbergen, plan in onderdelen zomerhuisjes 2". Het perceel heeft daarin de bestemming "zomerhuisjes A". Krachtens het bestemmingsplan dient de afstand tot enig ander, niet op hetzelfde erf gelegen gebouw 30 meter te bedragen, mag ten hoogste tien procent van het terreinoppervlak worden bebouwd en dient de minimumafstand tot de Buurser Beek 20 meter te bedragen. Voor de toegelaten bebouwing wordt in het bestemmingsplan verwezen naar de Zomerhuisjes-verordening. Deze verordening is in 1970 vervallen met de inwerkingtreding van de Verordening op de seizoenwoonverblijven (verordening SWV), welke verordening is geïncorporeerd in de bouwverordening.

Artikel 1 van de verordening SWV bepaalt dat onder zomerhuis moet worden verstaan elk permanent ter plaatse aanwezig seizoenwoon-verblijf, waarvan de gebruikers hun woonverblijf elders hebben, en dat onder seizoenwoonverblijf moet worden verstaan een gebouw, geen woonkeet en geen caravan of ander bouwsel op wielen zijnde, bestemd om uitsluitend door een gezin of een daarmee gelijk te stellen groep gedurende het zomerseizoen te worden bewoond.

Ingevolge artikel 109, eerste lid en onder b. van de verordening SWV is het verboden een seizoenwoonverblijf in gebruik te nemen of te gebruiken anders dan als seizoenwoonverblijf. Lid 16 van dit artikel bepaalt dat het verboden is een seizoenwoonverblijf te gebruiken of te doen gebruiken buiten het zomerseizoen, met uitzondering van de schoolvakanties en de perioden van donderdag 18.00 uur tot dinsdag 9.00 uur.

Ingevolge artikel 27, eerste en tweede lid van de verordening SWV, zoals dat thans luidt, mag een zomerhuis geen grotere terreinoppervlakte beslaan dan 65 vierkante meter, een daartoe behorende aangebouwde of vrijstaande berging niet meegerekend, en mag ten dienste van een zomerhuis slechts één aangebouwde of vrijstaande bergplaats aanwezig zijn, waarvan de oppervlakte niet meer dan 15 vierkante meter mag bedragen.

Verweerder heeft in het bestreden besluit de afwijzing van de vergunningsaanvraag van eiser gebaseerd op het feit dat de bouwvergunning in strijd zou zijn met het bestemmingsplan of de krachtens zodanig plan gestelde eisen, te weten het bepaalde in de artikelen 109, zestiende lid, en artikel 27, eerste en tweede lid van de verordening SWV.

Eiser heeft zich erop beroepen dat, nu verweerder niet binnen dertien weken na de dag waarop de aanvraag om bouwvergunning is ingediend op de aanvraag heeft beslist, de bouwvergunning van rechtswege is verleend. Uit de stukken blijkt dat verweerder inderdaad niet tijdig heeft beslist omtrent de aanvraag om bouwvergunning van eiser. Dat kan echter slechts dan tot de conclusie leiden dat de bouwvergunning van rechtswege is verleend als de aanvraag betrekking heeft op een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een bouwvergunning kan worden verleend zonder dat een vrijstelling als bedoeld in de artikelen 15, 17, 18 of 19 van de WRO nodig zou zijn.

Dit betekent concreet dat, als het door eiser voorgestane bouwwerk in strijd zou zijn met bepalingen van het bestemmingsplan of de krachtens dat plan gestelde eisen, de vergunning niet door tijdsverloop van rechtswege is verleend.

De rechtbank constateert dat het geldende bestemmingsplan, dat stamt uit 1964, terzake van de toegelaten bebouwing verwijst naar de bepalingen van de Zomerhuisjesverordening. Deze verordening is weliswaar inmiddels vervallen en vervangen door de verordening SWV, maar het bestemmingsplan is op dit punt niet aangepast. Nu het bestemmingsplan niet verwijst naar de verordening SWV, welke verordening niet tot stand is gekomen in een procedure die de-zelfde waarborgen omvat als een bestemmingsplanprocedure, kunnen de bepalingen van de verordening SWV niet als "krachtens het bestemmingsplan gestelde eisen" worden beschouwd. Dit brengt met zich dat verweerder de bouwvergunning niet had mogen weigeren wegens strijd met het bestemmingsplan of de krachtens zodanig plan gestelde eisen. Het bestreden besluit kan om die reden reeds niet in stand blijven.

Indien de bepalingen van de verordening SWV waar het in dit geval om gaat, ook voorkwamen in de ten tijde van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan reeds geldende Zomerhuisjesverordening en identiek luidden, zou het wellicht aanvaardbaar zijn dat verweerder de bouwvergunning zou toetsen aan laatstgenoemde verordening. Het is de rechtbank echter niet gebleken dat beide verordeningen op de punten hier van belang, dezelfde regeling bevatten.

De rechtbank overweegt bovendien als volgt.

toetsing aan artikel 27 van de verordening SWV

De Zomerhuisjesverordening waarnaar in het bestemmingsplan is verwezen, is in 1970 vervallen. Dit betekent dat het geldende bestemmingsplan geen regels kent met betrekking tot de toegelaten bebouwing op percelen met bestemming "zomerhuisjes A". Gelet hierop verzet het bestemmingsplan zich niet tegen de door eiser voorgenomen bouw, tenzij (hetgeen overigens vooralsnog niet is gebleken) de bouwvergunning in strijd zou zijn met hetgeen omtrent de afstand tot andere zomerhuisjes en tot de Buurser Beek en omtrent het maximaal te bebouwen oppervlak is geregeld in het bestemmingsplan.

Ingevolge artikel 9, eerste lid van de Woningwet blijven, voor zover de voorschriften van een bestemmingsplan niet overeenstemmen met de bepalingen van de bouwverordening (en de daarin geïncorporeerde verordening SWV), deze bepalingen buiten toepassing. Vaststaat dat het bestemmingsplan "Plan van uitbreiding Haaksbergen, plan in onderdelen zomerhuisjes 2" zich voor wat de toegelaten bebouwing betreft niet verzet tegen de door eiser voorgenomen bouw. Naar het oordeel van de rechtbank kan de omstandigheid dat het bestemmingsplan geen uitdrukkelijk voorschrift bevat inzake de oppervlakte van zomerhuisjes en bergingen (anders dan de tien procents-norm en de afstanden tot andere zomerhuisjes en de Buurser Beek) niet leiden tot de conclusie dat dit onderwerp niet valt onder de werkingssfeer van het bestemmingsplan. Gelet ook op het bepaalde in artikel 10 van de WRO moet worden aangenomen dat wanneer voor een bepaald gebied een bestemmingsplan van kracht is dat op de voet van de WRO is vastgesteld, de daarbij getroffen regeling ten aanzien van de bouwmogelijkheden alomvattend is voor zover het betreft de planologische facetten van de toegelaten bebouwing, hetgeen meebrengt dat gelet op artikel 9, eerste lid van de Woningwet die bepalingen uit de bouwverordening (en de daarin geïncorporeerde verordening SWV), die voorschriften van planologische aard bevatten, wijken.

Naar het oordeel van de rechtbank moet het in artikel 27 van de verordening SWV vervatte voorschrift omtrent de maximale oppervlakte van zomerhuisjes en bergingen als een voorschrift van planologische aard worden aangemerkt. Gezien het vorenstaande moet worden geconcludeerd dat verweerder ten onrechte het onderhavige bouwplan aan voornoemd artikel heeft getoetst en ten onrechte heeft gemeend daaraan een grond te kunnen ontlenen om de gevraagde bouwvergunning te weigeren.

toetsing aan artikel 109 van de verordening SWV

Het bestemmingsplan "Plan van uitbreiding Haaksbergen, plan in onderdelen zomerhuisjes 2" bevat geen bepaling omtrent het gebruik van een perceel met de bestemming zomerhuisjes A".

Op grond van artikel 10, eerste en tweede lid van de WRO stelt de gemeenteraad voor het gebied, dat niet tot een bebouwde kom behoort, een bestemmingsplan vast (of, voor het gebied dat tot de bebouwde kom behoort, kan zij een bestemmingsplan vaststellen), waarbij zo nodig, in verband met de bestemming, voorschriften worden gegeven omtrent het gebruik van de in het plan begrepen grond en de zich daarop bevindende opstallen. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat het bij de bepaling van de gebruiks-bestemming van een perceel om een planologisch facet gaat, dat valt onder de werkingssfeer van het bestemmingsplan. Dat het hier aan de orde zijnde bestemmingsplan niet een dergelijke bepaling bevat doet daaraan niet af. Nu op grond van het bestemmingsplan permanente bewoning van een zomerhuisje niet is verboden, moet de daaraan afbreuk doende bepaling van artikel 109, zestiende lid van de verordening SWV wijken. Verweerder heeft derhalve de onderhavige aanvraag voor een bouwvergunning ten onrechte getoetst aan laatstgenoemd artikel.

Nu het bestreden besluit derhalve is genomen in strijd met artikel 44 van de Woningwet dient het te worden vernietigd. De rechtbank zal verweerder opdragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen, zulks met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is bepaald. Daarbij dient dan tevens aan de orde te komen de stelling van eiser dat de bouwvergunning reeds van rechtswege is verleend.

Gelet op het vorenstaande kan het ter zitting gedane verzoek van eiser tot aanhouding van de zaak buiten bespreking blijven.

De rechtbank acht het, gelet op het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb, billijk verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken, te weten de reiskosten (B-Almelo).

Beslist wordt derhalve als volgt:

4. Beslissing

De Arrondissementsrechtbank te Almelo,

recht doende:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit van verweerder van 12 januari 1999, verzonden op 13 januari 1999;

- draagt verweerder op om een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is bepaald;

- bepaalt dat verweerder aan eiser vergoedt het door hem gestorte griffierecht ad f 210,-, door de gemeente Haaksbergen te betalen aan eiser;

- bepaalt dat verweerder aan eiser vergoedt de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken, te weten de reiskosten ad f 11,75 door de gemeente Haaksbergen te betalen aan eiser.

Tegen deze uitspraak staat binnen zes weken na verzending hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State te 's-Gravenhage.

Gewezen en in het openbaar uitgesproken op 8 oktober 1999 door mr. K.J. Haarhuis in tegenwoordigheid van W.G.M. Nobbenhuis als griffier.

Afschrift verzonden op

kr