Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:1999:AA3956

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
01-04-1999
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
98/839 WW L1 A
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK ALMELO

Sector Bestuursrecht - Enkelvoudige Kamer

Registratienummer: 98/839 WW L1 A

UITSPRAAK

in het geschil tussen:

A. te B, eiser,

gemachtigde: mevrouw mr. C.W. Langereis, advocaat en procureur te Almelo,

en

het Landelijk instituut sociale verzekeringen, verweerder,

vertegenwoordigd door GAK Nederland BV, districtskantoor Hengelo.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder d.d. 27 augustus 1998.

2. De feiten en het verloop van de procedure

Bij besluit van 23 maart 1998 heeft verweerder eiser medegedeeld dat hij over de perioden van 28 oktober 1996 tot en met 23 februari 1997, 6 januari 1997 tot en met 4 mei 1997 en van 16 juni 1997 tot en met 26 oktober 1997 ten onrechte uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) heeft ontvangen. Als reden daarvoor heeft verweerder aange- geven dat eiser over die perioden werkzaamheden heeft verricht zonder de uren op de betreffende werkbriefjes te vermelden. Verweerder vordert een bedrag van F 15.767,55 terug.

Eiser heeft tegen dit besluit bezwaar aangetekend, welk bezwaar hij op 20 juli 1998 in aanwezigheid van zijn gemachtigde mondeling heeft toegelicht. Bij besluit van 27 augustus 1998 heeft verweerder eisers bezwaar ongegrond verklaard.

Blijkens het namens hem ingediende beroepschrift kan eiser zich niet met dit besluit verenigen.

Het beroep is behandeld ter openbare zitting van de rechtbank van 23 maart 1999, waar eiser in persoon is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde voornoemd, terwijl verweerder zich heeft doen vertegenwoordigen door mevrouw mr. A.M.S. Kuipers, werkzaam bij GAK Nederland BV, districtskantoor Hengelo.

3. Overwegingen

In geschil is de vraag of het besluit van verweerder van 27 augustus 1998, waarbij verweerder het bezwaar van eiser tegen het terugvorderingsbesluit van 23 maart 1998 ongegrond heeft verklaard, in rechte in stand kan blijven.

De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

Artikel 36, eerste lid van de WW bepaalt dat het Lisv gehouden is een onverschuldigd betaalde uitkering terug te vorderen, waarbij in het tweede lid van dit artikel is opgenomen dat indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn het Lisv kan besluiten om geheel of gedeeltelijk af te zien van de terugvordering.

Niet in geschil is de intrekking van eisers uitkering met terugwerkende kracht over de onder de feiten genoemde perioden. Evenmin is in geschil dat eiser door de intrekking van zijn WW-uitkering achteraf bezien ten onrechte de uitkeringsbedragen heeft ontvangen zoals genoemd in het besluit van 23 maart 1998. Verweerder was derhalve gelet op artikel 36, eerste lid gehouden tot integrale terugvordering van het ten onrechte betaalde bedrag van F 15.767,55 tenzij zou moeten worden gezegd dat verweerder op grond van de in het tweede lid van artikel 36 van de WW genoemde dringende redenen geheel of gedeeltelijk van de terugvordering had moeten afzien. Dit is hetgeen van eisers zijde is gesteld.

Van dergelijke dringende redenen is echter niet gebleken. Wat er ook moge zijn van de gestelde trage afhandeling van eisers aanvraag om een WW-uitkering, waardoor eiser zich in de schulden zou hebben moeten steken (verweerder bestrijdt dit), voor eiser kon dit nooit een argument zijn om over te gaan tot het plegen van uitkeringsfraude, door het bewust verzwijgen van inkomsten. Voor het wegwerken van schulden staan geheel andere wegen open.

Bovendien heeft eiser - ook ter zitting - niet duidelijk kunnen maken waarom hij, als de gemaakte schuld inderdaad verband hield met de vertraagde uitbetaling van de WW-uitkering, die schuld niet heeft kunnen afbetalen op het moment van daadwerkelijke uitbetaling van die WW-uitkering na de toekenningsbeslissing van eind mei 1996.

Met betrekking tot de subsidiaire beroepsgrond, het feit dat door verweerders stilzitten na een eerste signaal dat ten onrechte zou worden betaald, de terugvordering is opgelopen overweegt de rechtbank het volgende. De rechtbank laat in het midden of onder de werking van de Wet Boeten en Maatregelen de rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep dienaangaande nog onverkort van toepassing is, maar is van oordeel dat verweerder in casu niet kan worden verweten dat niet adequaat is gehandeld. In de eerste plaats geldt de genoemde jurisprudentie niet in gevallen waarbij er sprake is van opzettelijk verzwijgen van inkomsten zoals daarvan in eisers geval sprake is. Daarnaast heeft eiser weliswaar al in een werkbriefje van 14 februari 1997 melding gemaakt van contractbesprekingen over optredens met zijn orkest, maar het feit dat er vervolgens in de werkbriefjes - op een uitzondering na - geen optredens zijn vermeld, had verweerders administratie niet hoeven te nopen tot het instellen van een onderzoek. Juist waar het gaat om die orkest-optredens blijkt uit het ter zake opgestelde rapport werknemersfraude van 2 maart 1998, dat eiser na 14 februari 1997 nog maar twee keer heeft opgetreden. De na 14 februari 1997 verzwegen inkomsten zien bijna uitsluitend op eisers werkzaamheden voor twee uitzendbureaus en van daarvan heeft eiser nimmer op werkbriefjes melding gemaakt. Toen verweerder daar in oktober 1997 achter kwam is adequaat gehandeld door vrijwel onmiddellijke de uitbetaling van de WW-uitkering stop te zetten.

Verweerder heeft derhalve terecht geen dringende reden aanwezig geacht op grond waarvan had moeten worden afgezien van een integrale terugvordering van de te veel betaalde uitkering.

Nu het besluit ook overigens niet in strijd is met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur of met enig algemeen verbindend voorschrift kan het in rechte in stand worden gelaten.

Beslist wordt dan ook als volgt.

4. Beslissing

De Arrondissementsrechtbank te Almelo.

Recht doende:

verklaart het beroep ongegrond.

Tegen deze uitspraak staat binnen zes weken na verzending hoger beroep open bij de Centrale Raad van beroep te Utrecht.

Gewezen en in het openbaar uitgesproken op 1 april 1999

door mr. J.H.M. Hesseling,

in tegenwoordigheid van M.W. Hulsman, griffier.

Afschrift verzonden op ta