Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:1999:AA3774

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
29-07-1999
Datum publicatie
20-01-2003
Zaaknummer
98/1071 WW V1 A
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft eiseres meegedeeld dat zij met ingang van 6 juli 1998 geen recht heeft op WW-uitkering, aangezien zij niet als werkloos kan worden beschouwd in de zin van de WW. Vervolgens heeft verweerder bij besluit van 4 augustus 1998 eiseres meegedeeld dat over de periode van 6 juli 1998 tot en met 19 juli 1998 ten onrechte voorschotten aan haar zijn betaald en

dat het onverschuldigd betaalde bedrag ad ƒ 686,25 van haar zal worden teruggevorderd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK ALMELO

Sector Bestuursrecht –

Enkelvoudige Kamer

Registratienummer: 98/1071 WW V1 A

UITSPRAAK

in het geschil tussen:

A te B, eiseres, gemachtigde: mr. M.G. van der Werf, advocaat te Utrecht,

en

het Landelijk instituut sociale verzekeringen, verweerder, in dezen vertegenwoordigd door de uitvoeringsinstelling Gak Nederland B.V.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder d.d. 20 november 1998.

2. De feiten en het verloop van de procedure

Op 27 augustus 1997 is eiseres met haar werkgeefster CPM Nederland Fieldmarketing B.V. te Utrecht een arbeidsovereenkomst aangegaan voor onbepaalde tijd. Daarin is bepaald dat eiseres jaarlijks als volgt wordt ingeroosterd: in week 35 t/m week 51 gemiddeld 32 uur per week in week 52 en week 1 van het nieuwe jaar 2 uur per week in week 2 t/m 26 gemiddeld 32 uur per week in week 27 t/m week 34 2 uur per week. Daarbij worden de 2 uur per week omgezet in een verplicht op te nemen vakantie. Op 12 juni 1998 heeft eiseres bij verweerder een aanvraag ingediend om in aanmerking te worden gebracht voor een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW), aangezien zij in de periode 6 juli 1998 tot en met 31 augustus 1998 (week 27 t/m week 34) in verband met de zomerstop geen werkzaamheden kan verrichten. Bij besluit van 24 juli 1998 heeft verweerder eiseres meegedeeld dat hij nog geen beslissing heeft kunnen nemen over het recht op WWuitkering. Daarin is voorts meegedeeld dat in afwachting van een definitieve beslissing aan eiseres met ingang van 7 juli 1998 voorschotten zullen worden verstrekt ad f. 75,-bruto per dag, welke voorschotten later zullen worden verrekend of (gedeeltelijk) teruggevorderd.

Bij besluit van 31 juli 1998 heeft verweerder eiseres meegedeeld dat zij met ingang van 6 juli 1998 geen recht heeft op WW-uitkering, aangezien zij niet als werkloos kan worden beschouwd in de zin van de WW. Vervolgens heeft verweerder bij besluit van 4 augustus 1998 eiseres meegedeeld dat over de periode van 6 juli 1998 tot en met 19 juli 1998 ten onrechte voorschotten aan haar zijn betaald en dat het onverschuldigd betaalde bedrag ad f 686,25 van haar zal worden teruggevorderd. Namens eiseres is op 1 september 1998, respectievelijk 14 september 1998 bezwaar gemaakt tegen voormelde besluiten van 31 juli 1998, respectievelijk 4 augustus 1998. Eiseres is in de gelegenheid gesteld haar bezwaren ter hoorzitting mondeling nader toe te lichten. Van deze gelegenheid is geen gebruik gemaakt. Bij het bestreden besluit van 20 november 1998 heeft verweerder vervolgens de bezwaren van eiseres ongegrond verklaard en de besluiten van 31 juli 1998 en 4 augustus 1998 gehandhaafd. Blijkens het ingediende beroepschrift kan eiseres zich niet verenigen met dit besluit. Verweerder heeft op 15 maart 1999 de op de zaak betrekking hebbende gedingstukken overgelegd, alsmede een verweerschrift ingediend. Het beroep is behandeld ter openbare zitting van de rechtbank van 14 juli 1999, waar eiseres noch haar gemachtigde zijn verschenen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mevrouw L.A.P. ter Laak.

3. Overwegingen

In geschil is de vraag of het besluit van 20 november 1998, waarbij de bezwaren van eiseres tegen verweerders besluiten van 31 juli 1998 en 4 augustus 1998 ongegrond zijn verklaard, in rechte in stand kan blijven.

In artikel 16, lid 1, van de WW is bepaald dat de werknemer die ten minste vijf of ten minste de helft van zijn arbeidsuren per kalenderweek heeft verloren, alsmede het recht op onverminderde doorbetaling van zijn loon over die uren en beschikbaar is om arbeid te aanvaarden, werkloos is.

In artikel 16, lid 2, van de WW is onder meer bepaald dat onder het aantal arbeidsuren per kalenderweek wordt verstaan het aantal uren waarin de werknemer in de 26 kalenderweken onmiddellijk voorafgaande aan het intreden van het verlies van arbeidsuren gemiddeld per week als werknemer arbeid heeft verricht.

In artikel 16, lid 7, onderdeel b, van de WW is bepaald dat het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv) (voorheen het Tica en daarvoor de SVR) bevoegd is regels te stellen voor de berekening van het verlies aan arbeidsuren met betrekking tot wisselende arbeidspatronen.

Deze regels zijn neergelegd in het SVR-besluit van 18 december 1986, nr. 86/8052, Stcrt 1986, 248 (hierna: besluit gelijkstelling met arbeidsuren).

In artikel 4b van het besluit gelijkstelling met arbeidsuren is onder meer het volgende bepaald:

Lid 1: Voor de beoordeling van het arbeidsurenverlies van de werknemer die in een wisselend arbeidspatroon werkzaam is of is geweest dan wel aansluitend aan het intreden van de werkloosheid in wisselend arbeidspatroon gaat werken neemt het Lisv de kalenderweken waarover de cyclus van dat arbeidspatroon zich uitstrekt in aanmerking.

Lid 2: Onder cyclus wordt verstaan de periode die wordt doorlopen tot het wisselend arbeidspatroon zich herhaalt, waarbij maximaal 52 kalenderweken in aanmerking worden genomen.

Lid 4: Vastgesteld wordt het aantal uren waarin de werknemer gelet op het arbeidspatroon in een voor hem gebruikelijk te achten omvang gemiddeld per kalenderweek werkzaam is geweest alsmede het aantal uren dat voor de werknemer gelet op het arbeidspatroon aansluitend aan het intreden van de werkloosheid als de voor hem gebruikelijk te achten omvang gemiddeld per kalenderweek kan worden aangemerkt. Het arbeidsurenverlies bedraagt het verschil tussen beide aantallen.

Lid 6: Dit artikel is niet van toepassing op de werknemer die seizoenmatige arbeid heeft verricht. Onder seizoenmatige arbeid wordt verstaan arbeid, die slechts gedurende een of meer bepaalde jaarlijks terugkerende periodes beschikbaar is of verricht wordt.

In artikel 36, lid 1, van de WW is bepaald dat de uitkering die als gevolg van een besluit als bedoeld in artikel 22a of 27 onverschuldigd is betaald, alsmede hetgeen anderszins onverschuldigd is betaald, door het Lisv van de betrokken werknemer wordt teruggevorderd.

Verweerder heeft aan het bestreden besluit de overweging ten grondslag gelegd dat eiseres jaarlijks werkzaam is volgens een vastgesteld arbeidspatroon, namelijk van week 35 tot en met week 51 en van week 2 tot en met 26 gedurende 32 uur per week en week 52 en 1 en 27 tot en met 34 gedurende 2 uur per week, welke 2 uur worden omgezet in verplicht op te nemen vakantie. Deze cyclus blijft zich herhalen. Gelet op het bepaalde in de leden 1, 2 en 4 van artikel 4b van bovengenoemd besluit gelijkstelling met arbeidsuren is verweerder van mening dat er in de onderhavige situatie geen sprake is van verlies aan arbeidsuren. Het gemiddeld aantal uren dat eiseres werkzaam is geweest is immers gelijk aan het aantal uren dat zij werkzaam zal blijven. Hierdoor voldoet eiseres niet aan het gestelde in artikel 16, lid 1, van de WW en kan derhalve niet als werkloos worden beschouwd. Voorts is overwogen dat in de onderhavige situatie geen sprake is van seizoenmatige arbeid. Daarvan kan pas worden gesproken als het werk uitsluitend gedurende een bepaalde periode van het jaar wordt verricht, waarvoor speciaal werknemers plegen te worden aangenomen, die na afloop ervan weer worden ontslagen. Volgens verweerder behoeven de werkzaamheden die eiseres als verkoopadviseur verricht ook niet om seizoenmatige redenen stil te liggen. Hiernaast is overwogen dat in de onderhavige situatie geen sprake kan zijn van schending van het vertrouwensbeginsel nu eiseres van 14 oktober 1996 tot en met 30 juni 1997 werkzaam is geweest op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd. Er was derhalve sprake van een contractloze periode per 1 juli 1997. Sedert 27 augustus 1997 is eiseres echter werkzaam op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd, waarbij tevens gedurende de weken dat er niet wordt gewerkt sprake is van loondoorbetaling. Tenslotte is overwogen dat eiseres geen rechten kan ontlenen uit het feit dat door verschillende uitvoeringsinstellingen in den lande in gelijke omstandigheden wel een WW-uitkering is verstrekt. Verweerder acht zich niet gebonden aan onjuiste beslissingen hieromtrent van andere regiokantoren.

Eiseres is van mening dat er wel sprake is van een relevant arbeidsurenverlies, omdat haar arbeid dient te worden aangemerkt als seizoenmatige arbeid in de zin van artikel 4b, lid 6, van het besluit gelijkstelling met arbeidsuren. Voorts is eiseres van mening dat het bestreden besluit is genomen in strijd met het vertrouwensbeginsel, het gelijkheidsbeginsel en het verbod van willekeur. Daartoe is aangevoerd dat verweerder ten aanzien van andere werknemers die onder dezelfde omstandigheden werkzaam zijn wel heeft besloten dat er recht op WW-uitkering bestaat omdat er sprake is van seizoenmatige arbeid. Tevens heeft verweerder in een aantal zaken waar in gelijke omstandigheden ook geen WWuitkering was toegekend de daartegen ingediende bezwaarschriften gegrond verklaard. Daarbij is overwogen dat gelet op vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep het strikt navolgen van een rechtsplicht in een concreet geval geen rechtsplicht meer kan zijn voor het bestuursorgaan als het bestuursorgaan door dat strikte naleven in strijd handelt met het beginsel dat gelijke gevallen gelijk behandeld moeten worden. Tenslotte is aangevoerd dat verweerder heeft beslist in strijd met de interne instructie die is opgesteld in afwachting van een beleidsregel van verweerder inzake invulling geven aan het begrip seizoenmatige arbeid in het kader van de toepassing van de bepaling in het besluit gelijkstelling met arbeidsuren. Volgens eiseres houdt deze instructie in dat werkzaamheden die op cyclische wijze worden onderbroken door perioden waarin het werk niet beschikbaar is zoals in casu over het algemeen kunnen worden beschouwd als seizoenmatige arbeid in de zin van artikel 4b, lid 6, van het besluit gelijkstelling met arbeidsuren.

Verweerder heeft in het verweerschrift aangegeven dat het gestelde in het beroepschrift geen aanleiding geeft tot het formuleren van een inhoudelijke reactie. Verweerder volstaat met te verwijzen naar de in het kader van deze beroepszaak ingediende stukken in de mening dat zijn standpunt daarin voldoende is verwoord.

De rechtbank overweegt als volgt.

Eiseres heeft ter onderbouwing van haar beroepschrift een aantal primaire toekenningsbeslissingen van verweerder overgelegd die betrekking hebben op collega's van eiseres die onder vergelijkbare omstandigheden wel een WW-uitkering hebben ontvangen. Daarnaast zijn er tal van beslissingen op bezwaar overgelegd waaruit blijkt dat verweerder eveneens een WW-uitkering in vergelijkbare gevallen aan collega's van eiseres heeft toegekend door een beroep op het gelijkheidsbeginsel dan wel het vertrouwensbeginsel te honoreren. Ter zitting naar deze weinig consistente toepassingspraktijk gevraagd heeft de gemachtigde van verweerder zakelijk weergegeven verklaard dat verweerder ermee bekend is dat andere uitvoeringsinstellingen anders beslissen, dat men (nog steeds) in afwachting is van een landelijke richtlijn om alle uitvoeringsinstellingen op één lijn te krijgen maar dat verweerder van oordeel blijft dat zijn beslissing en de argumenten die daaraan ten grondslag liggen juist zijn.

De rechtbank heeft in hetgeen door verweerder is aangevoerd onvoldoende aanknopingspunten aangetroffen om aan te nemen dat in voormelde beslissingen van andere uitvoeringsinstellingen dan verweerder een rechtens relevante andere situatie aan de orde was dan in het onderhavige geval. Zij komt dan ook tot de conclusie dat de uitvoeringspraktijk van verweerder niet spoort met die van andere uitvoeringsinstellingen terwijl men dat van elkaar weet. Voor dat verschil in behandeling is geen andere reden te vinden dan dat de uitvoeringsinstellingen het kennelijk niet eens zijn over de interpretatie van de toepasselijke regelgeving op rechtens vergelijkbare gevallen en de betekenis van beginselen van behoorlijk bestuur in dat verband. Het resultaat daarvan is dat de ene werknemer van CPM Nederland Fieldmerking BV onder dezelfde omstandigheden wel een WWuitkering krijgt en de andere niet. Door na te laten dit probleem tijdig te onderkennen en te zorgen voor uniformerende richtlijnen heeft verweerder gehandeld in strijd met het beginsel van behoorlijk bestuur dat verweerder de verplichting oplegt ervoor te zorgen dat in gelijke gevallen gelijk kan worden beslist. Dat heeft tot gevolg dat de beslissing waarvan beroep wegens strijd met het gelijkheidsbeginsel niet in stand kan blijven en voor vernietiging in aanmerking komt. Bij deze stand van zaken komt de rechtbank niet toe aan een oordeel of verweerders interpretatie van de toepasselijke regelgeving en richtlijnen de juiste is. Het beroep is mitsdien gegrond.

Op grond van het vorenoverwogene acht de rechtbank het, gelet op het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht, billijk verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van dit beroep, zijnde de kosten van rechtsbijstand ad f. 710,-en het griffierecht.

Beslist wordt derhalve als volgt.

4. Beslissing

De Arrondissementsrechtbank Almelo,

Recht doende:

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

- veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten, welke kosten worden bepaald op f. 710,--, door verweerder te betalen aan eiseres;

- verstaat dat verweerder aan eiseres het griffierecht ad f. 55,-vergoedt.

Tegen deze uitspraak staat binnen zes weken na verzending hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep te Utrecht.

Gewezen en in het openbaar uitgesproken op 29 juli 1999 door mr. R.J. Jue,

in tegenwoordigheid van J. Wenniger als griffier.

Afschrift verzonden op kr