Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2012:BZ5885

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
12-07-2012
Datum publicatie
29-03-2013
Zaaknummer
14/701153-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

grooming. vrijspraak, onderdeel wetenschap leeftijd niet bewezen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALKMAAR

Sector Straf

Parketnummer: 14/701153-11

Datum uitspraak : 12 juli 2012

TEGENSPRAAK

VONNIS van de rechtbank Alkmaar, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak van het

OPENBAAR MINISTERIE

tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboorteplaats],

ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens op het adres

[adres].

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van

28 juni 2012.

1. Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd, dat

hij in of omstreeks de periode van 1 september 2010 tot en met 7 oktober 2010 op een of meer verschillende tijdstippen in de gemeente Heerhugowaard, in elk geval in Nederland, (telkens) door middel van een geautomatiseerd werk en/of met gebruikmaking van een communicatiemiddel (te weten via (chat)gesprekken op de site Haboo en/of sms-gesprekken) een persoon van wie hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat deze de leeftijd van zestien jaren nog niet heeft bereikt (te weten [slachtoffer], geboren op [geboortedatum]) een of meer ontmoeting(en) heeft voorgesteld met het oogmerk ontuchtige handelingen met die [slachtoffer] te plegen, terwijl hij (telkens) enige handeling heeft ondernomen gericht op het verwezenlijken van die ontmoeting(en), immers heeft hij, verdachte, met die [slachtoffer] concrete afspraken gemaakt om elkaar op 4 oktober 2010 en/of op 7 oktober 2010 op (een) van te voren afgesproken plaats(en) en tijdstip(pen) te ontmoeten;

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Overwegingen ten aanzien van het bewijs

Verhoren bij de rechter-commissaris.

De verdediging heeft bij brief van 15 juni 2012 van mr. I.E. Leenhouwers het verzoek gedaan om twee getuigen te horen, [slachtoffer] en haar broer [getuige 1]. Duidelijk was dat die beide verhoren niet op de zitting van 28 juni 2012 zouden kunnen plaatsvinden; niet in verband met het zittingsrooster, maar ook niet in verband met de leeftijd van [slachtoffer]. Op voorstel van de rechtbank hebben de raadsvrouw en de officier van justitie ingestemd met de benoeming van een lid van de meervoudige kamer tot rechter-commissaris, die de inhoudelijke behandeling op 28 juni 2012 zou gaan doen.

De raadsvrouw van verdachte, de officier van justitie en de rechtbank hebben onder ogen gezien dat het onderzoek op de terechtzitting nog niet was aangevangen, zoals artikel 316 lid 2 Wetboek van Strafvordering veronderstelt. Zij achtten het echter in overeenstemming met de strekking van die bepaling, in het belang van het slachtoffer, in het belang van verdachte en in het belang van een goede procesorde dat de verhoren zouden zijn gehouden voordat de inhoudelijke behandeling zou plaatsvinden. Het alternatief zou immers zijn dat bedoeld verzoek op de zitting van 28 juni 2012 zou zijn behandeld, daar zijn toegestaan en dat de verhoren vervolgens later zouden zijn gehouden. Daarna zou dan weer op enige termijn een inhoudelijke behandeling moeten worden gepland. De inhoud van de verklaringen bij de rechter-commissaris wordt daarom betrokken bij de volgende overwegingen.

Geloofwaardigheid van de verklaringen

Op 10 oktober 2010 heeft er op het politiebureau een informatief gesprek plaatsgevonden met [slachtoffer], op dat moment 14 jaar. [slachtoffer] vertelde dat ze via een internetsite “Badoo” in contact was gekomen met een man, genaamd [verdachte], die 30 jaar zou zijn. Daarna was het contact via sms- en telefoongesprekken verder gegaan. Die gesprekken werden later seksueel van aard. Op 4 en 7 oktober 2010 zou [slachtoffer] met [verdachte] hebben afgesproken om elkaar te ontmoeten. De eerste keer was uiteindelijk niet doorgegaan, omdat [slachtoffer] ervan had afgezien. De tweede afspraak ging op het laatste moment niet door, omdat [slachtoffer] toevallig haar broer was tegengekomen.

Op 21 november 2010 heeft [slachtoffer] aangifte van ‘grooming’ gedaan. In deze aangifte heeft [slachtoffer] nog eens gedetailleerd verklaard hoe de contacten en gesprekken met [verdachte] zijn verlopen.

Voor een groot deel komt de verklaring van [slachtoffer] overeen met de verklaringen van de verdachte in zijn verhoren. Dat is niet zo voor zover het gaat om het maken en het niet doorgaan van de twee afspraken.

In tegenstelling tot de verklaring van [slachtoffer] stelt verdachte dat hij het was, die de eerste afspraak op 4 oktober 2010 heeft afgezegd, omdat hij niet kon in verband met zijn werk (zijn werkzaamheden waren uitgelopen ) en dat hij van heel ver weg kwam. De rechtbank acht de verklaring van [slachtoffer] geloofwaardig en die van verdachte niet.

Allereerst omdat de verklaring van verdachte slecht valt te rijmen met het feit dat hij rond het afgesproken tijdstip en in de buurt van de afgesproken plaats toch in Heerhugowaard zijn telefoon heeft gebruikt. Daarnaast heeft [slachtoffer] verklaard dat zij aan verdachte als reden voor het niet op de afspraak komen te kennen heeft gegeven dat zij zich toch te jong vond voor een ontmoeting met hem. Dat komt overeen met de verklaring van verdachte dat hij na de eerste, maar voor de tweede afspraak wist dat [slachtoffer] jonger dan 18 jaar was.

Over de tweede afspraak op 7 oktober 2010 verklaarde verdachte ter zitting dat hij die had gemaakt, omdat hij aan de broer van [slachtoffer] wilde laten zien dat zijn jongere zusje met oudere mannen afspraken maakte. Bij de politie had verdachte eerder verklaard dat hij om 19.00 uur in de snackbar was waar de broer van [slachtoffer] op dat moment werkte en dat hij toen aan die broer had gevraagd of hij een zus had. Voor zover deze verklaringen van verdachte zelf al niet tegenstrijdig zijn, heeft de broer van [slachtoffer] bij de politie verklaard dat hij die avond niet heeft gewerkt. Hij heeft bovendien – geconfronteerd met de verklaring van verdachte – uitdrukkelijk ontkend dat hij verdachte die avond heeft gesproken. Bij de rechter-commissaris heeft [getuige 1] als getuige zijn eerdere verklaring bevestigd. [getuige 1] heeft ook verklaard dat hij zijn zusje toevallig zag fietsen op het industrieterrein, in haar volleybalkleren, met een vestje eroverheen en dat hij haar toen heeft proberen aan te spreken. Vervolgens heeft hij zijn ouders gebeld, die naar de volleybaltraining van [slachtoffer] zijn gegaan. Die verklaring wordt bevestigd door de verklaring van de vader van [slachtoffer], die als getuige door de politie is gehoord. Hij verklaart dat zijn zoon hem belde met de mededeling dat hij zijn zusje toevallig had zien fietsen op weg naar zijn werk. Op dit punt acht de rechtbank de verklaringen van [getuige 2], [getuige 1] en [slachtoffer] wel geloofwaardig en die van verdachte niet.

Voorstel(len) ontmoetingen

[slachtoffer] heeft verklaard dat verdachte op een gegeven moment op de site tegen haar zei dat hij het wel leuk zou vinden om haar eens te zien. Zij stemde ermee in en heeft verdachte haar telefoonnummer gegeven. Verdachte heeft verklaard dat hij met [slachtoffer] op de site van een normaal gesprek op seksueel getinte gesprekken overging, dat ze het toen over afspreken hadden gehad en dat hij haar nummer heeft gekregen. Hierna volgde een periode dat verdachte en [slachtoffer] contact hadden per telefoon en per sms. Verdachte en [slachtoffer] verklaren beide dat verdachte voorstelde om elkaar bij station Heerhugowaard te ontmoeten.

Hierdoor heeft verdachte handelingen ondernomen, die gericht waren op het tot stand komen van een ontmoeting.

Oogmerk ontuchtige handelingen

[slachtoffer] verklaart in haar aangifte:

“Hij vroeg aan mij of ik al eerder seks had gehad en of ik aan de pil was. Ik zei dat ik niet aan de pil was. Toen ging het over anaal, met de handen en pijpen en dat soort dingen en “dan neem ik je wel in je kontje” of zoiets. Ik werd niet echt geil van die seksuele sms’jes, maar op een of andere manier deden ze me iets. Hij vroeg ook aan mij om iets korts aan te trekken, een kort rokje. Iets wat makkelijk uit kon. Om toch te neuken.”

Verdachte verklaart dat zijn gesprekken met [slachtoffer] over de meest waanzinnige soorten seks gingen. “Toen ik wist dat ze 16 jaar was, stond ik in tweestrijd. Kijk nu eens naar mij. Zo’n pens, zo’n hoofd, tanden die scheef staan en dan komt er zo’n mens en die wil dat allemaal met me doen. De strekking was gewoon dat het er op neer kwam dat we alletwee seks wilden hebben.”

Verdachte heeft hiermee het oogmerk gehad op het plegen van ontuchtige handelingen met [slachtoffer].

Wetenschap leeftijd

Verdachte ontkent nadrukkelijk dat [slachtoffer] ooit tegen hem heeft gezegd dat ze 14 jaar was. Wel wist hij kort vóór de afspraak van 7 oktober 2010 dat [slachtoffer] jonger dan 18 was. Volgens de verklaring van verdachte zou zij tegen hem hebben gezegd dat ze 16 jaar was.

[slachtoffer] heeft zowel bij de politie als bij de rechter-commissaris verklaard dat zij in alle chatgesprekken op de site Badoo en ook tegen verdachte haar leeftijd van 14 jaar heeft vermeld. Als antwoord op een vraag van de advocaat van verdachte verklaarde ze als getuige bij de rechter-commissaris: “Ik heb in elk geval gezegd dat ik veertien was. Misschien een enkele keer niet, maar zeker tegen [verdachte] wel. De chatgesprekken op Badoo heb ik verwijderd.”

Met de raadsvrouw is de rechtbank van oordeel dat het onderdeel “jonger dan 16 jaar” in de tenlastelegging zo essentieel is, dat het niet slechts door één bewijsmiddel kan worden bewezen.

De stellige verklaring van [slachtoffer] dient daarom te worden ondersteund door ander bewijs.

Dat ondersteunend bewijs zou gevonden kunnen worden in de geschiedenis van de gesprekken of vermeldingen op de site. Vaststaat dat het eerste contact tussen [slachtoffer] en verdachte plaatsvond via chatgesprekken op de site Badoo. Verder staat vast dat [slachtoffer] zich daar als 18-jarige had ingeschreven, de minimum leeftijd voor inschrijving . Op het profiel van [slachtoffer] op de Badoo-site staat te lezen:

“Wilt een praatje maken met een man, 18-25 jaar

7 foto’s

[slachtoffer]

18 jaar oud vrouw, [woonplaats], Nederland.”

Verder staat in het profiel, onder het kopje “over mijzelf” vermeld:

“14!!! jaar oud xxx”

Volgens zijn verklaring heeft verdachte op de site nooit gezien of gelezen dat daar stond vermeld dat ze 14 jaar zou zijn. Volgens verdachte moet dat na zijn contacten met haar op de site zijn toegevoegd of gewijzigd.

Bij het verhoor bij de rechter-commissaris heeft [slachtoffer] verklaard dat het klopt dat zij haar echte leeftijd niet direct bij de inschrijving, maar twee of drie weken later erbij heeft gezet. [slachtoffer] heeft ook verklaard dat zij zelf de geschiedenis van alle chats heeft verwijderd. De print van de site was pas een dag voor de aangifte uitgedraaid, dus op 20 november 2010. Onderzoek bij bijvoorbeeld de webbeheerder van de Badoo-site heeft kennelijk niet plaatsgevonden. Hierdoor staat voor de rechtbank onvoldoende vast dat verdachte vóór het maken van de afspraken al op de site had kunnen lezen dat het meisje 14 jaar was.

Verder onderzoek

Onder de verdachte zijn een gsm-telefoon, een laptop, 3 usb-sticks en 2 memorycards in beslag genomen. Deze zijn onderzocht door de politie. Uit dit onderzoek is gebleken dat er geen gegevens zijn aangetroffen van [slachtoffer] of contacten met andere minderjarigen.

Conclusie

Op grond van het voorgaande komt de rechtbank tot het oordeel dat één onderdeel van de tenlastelegging niet wettig en overtuigend bewezen is. De verdachte zal daarom worden vrijgesproken.

4. Benadeelde partij

De benadeelde partij [benadeelde partij] hebben in hun hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordigers (ouders) van [slachtoffer], via hun gemachtigde, mr. M.R. Bruins vóór aanvang van de terechtzitting in het geding over de strafzaak bij de officier van justitie opgave gedaan van hun civiele vordering. Het betreft een vordering tot vergoeding van € 606,-, bestaande uit € 500,- aan immateriële schade en € 106,00 aan materiële schade die verdachte zou hebben veroorzaakt.

Hiervoor heeft de rechtbank overwogen dat de verdachte zal worden vrijgesproken. Dat betekent ook dat de rechtbank de vordering van de benadeelde partij in deze strafzaak niet mag beoordelen. Daarom zal de rechtbank bepalen dat de benadeelde partij niet ontvankelijk is in de vordering.

5. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij] in hun hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordigers (ouders) van [slachtoffer], niet ontvankelijk in de vordering.

Dit vonnis is gewezen door

mr. A.S. van Leeuwen, voorzitter,

mr. W.C. Oosterbroek en mr. L.J. Saarloos, rechters,

in tegenwoordigheid van J.K. Krijnen, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 12 juli 2012.