Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2012:BZ2728

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
20-12-2012
Datum publicatie
28-02-2013
Zaaknummer
AWB-12_1300
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Besluit waarbij het college geweigerd heeft aan eiseres een omgevingsvergunning te verlenen voor het oprichten en het in werking hebben van een inrichting voor, onder meer, het houden van paarden. Verweerder stelt zich in het bestreden besluit op het standpunt dat het bepaalde in art. 4 van de Wav, gelet op de ligging van een tot de veehouderij behorend dierenverblijf in een zone van 250 meter rond een zeer kwetsbaar gebied, aan verlening van de gevraagde omgevingsvergunning in de weg staat.

Tussen partijen is uitsluitend in geschil of verweerder - in afwijking van art. 4 van de Wav – art. 5, lid 1 van de Wav had moeten toepassen. De Rb. overweegt dat als oprichting van een veehouderij in de zin van art. 5 van de Wav (ook) moet worden aangemerkt de situatie waarin een bestaande veehouderij die onder een amvb op grond van art. 8.40 Wm valt, buiten de reikwijdte van die amvb komt te vallen en daardoor (weer) vergunningplichtig wordt (Kamerstukken II, 2000–2001, 27 836, nr. 3, p. 32). De Wav is op 8 mei 2002 in werking getreden, zodat in deze zaak ter beoordeling voorligt of voor die datum sprake is geweest van het oprichten van een veehouderij, als bedoeld in de Wav, en voorts of die veehouderij, voor zover hier van belang, onder de werkingssfeer van het Besluit akkerbouwbedrijven viel. Is niet aan (een van) die eisen voldaan, dan mist art. 5 van de Wav reeds om die reden toepassing. (…) De Rb. kan om de navolgende reden in het midden laten of er voor 8 mei 2002 daadwerkelijk paarden aanwezig waren in de inrichting van eiseres. Immers, als verweerder wordt gevolgd in zijn stelling, moet worden geoordeeld dat er voor 8 mei 2002 geen sprake was van een feitelijk en juridisch opgerichte veehouderij. Art. 5 van de Wav mist in dat geval toepassing, zodat de omgevingsvergunning in dat geval terecht is geweigerd vanwege het bepaalde in art. 4 van de Wav. Indien de Rb. evenwel eiseres volgt in haar stelling dat er wel bedrijfsmatig paarden werden gehouden voor 8 mei 2002, waarvoor overigens enige aanknopingspunten zijn te vinden in de gedingstukken, komt de Rb. tot het oordeel dat voor 8 mei 2002 geen sprake was van een inrichting die viel onder de werkingssfeer van het Besluit akkerbouwbedrijven, als gevolg waarvan evenmin toepassing kan worden gegeven aan het bepaalde in art. 5 van de Wav. De Rb. overweegt daartoe dat ten tijde van belang het uitgangspunt van de Wm was dat een inrichting vergunningplichtig was, tenzij de inrichting onder de werkingssfeer van een amvb viel. Dat kon worden volstaan met het doen van een melding op grond van een amvb, mits de inrichting binnen de reikwijdte daarvan viel, was de uitzondering op de hoofdregel van de vergunningsplicht. (…) In de nota van toelichting bij het Besluit akkerbouwbedrijven (Staatsblad 1994, 107) is ten aanzien van art. 1, lid 1, onder a, het volgende vermeld: “De zinsnede “uitsluitend of in hoofdzaak” betekent dat in de inrichting in beperkte mate ook andere activiteiten mogen plaatsvinden, waarbij met name dient te worden gedacht aan het kweken, fokken, mesten, houden, verhandelen, verladen of wegen van dieren. Deze activiteiten moeten dan wel plaats vinden binnen de in het eerste lid, onder a, aangegeven grenzen.”

In art. 1, lid 1, onder a, sub 1 tot en met 23, van het Besluit akkerbouwbedrijven is een limitatieve opsomming gegeven van het aantal en type dieren dat mag worden gehouden en waarvoor naast het verbouwen van akkerbouwprodukten of tuinbouwprodukten op of in de open grond ruimte bestaat. In de limitatieve opsomming is het houden van paarden niet genoemd. De Rb. is van oordeel dat er geen ruimte is voor een extensieve uitleg van het bepaalde in het eerste lid van art. 1 van het Besluit akkerbouwbedrijven. Een inrichting waar bedrijfsmatig paarden worden gehouden, kan, nu deze dieren niet zijn genoemd in de opsomming van art. 1, lid 1, onder a, van het Besluit akkerbouwbedrijven, naar het oordeel van de Rb. niet onder de werkingssfeer van die amvb vallen, waardoor moet worden teruggevallen op de algemene regel van de vergunningplicht. Voorts acht de Rb. van belang dat, waar het gaat om het houden van paarden, in de toelichting behorende bij het Besluit akkerbouwbedrijven evenmin aanknopingspunten zijn te vinden voor de door eiseres voorgestane extensieve uitleg, nu daarin niet expliciet over het houden van paarden wordt gesproken. Daarnaast volgt uit een tweetal uitspraken van de Afdeling (23 maart 2005 (LJN: AT1983) en 28 januari 2004 (LJN: AO2408)) dat een inrichting waar bedrijfsmatig dieren worden gehouden die niet zijn genoemd in art. 1, lid 1, onder a, van het Besluit akkerbouwbedrijven niet onder de werkingssfeer van die amvb valt.

Niet in geschil is dat de inrichting voor 8 mei 2002 (ook) niet onder de werkingssfeer van een andere amvb viel, zodat, indien wordt uitgegaan van de juistheid van de stelling van eiseres, destijds al sprake was van een vergunningplichtige inrichting.

Gesteld noch gebleken is evenwel dat voor 8 mei 2002 aan eiseres een vergunning op grond van het destijds geldende art. 8.1 van de Wm is verleend, zodat ook in dit geval geen sprake is van een juridisch opgerichte veehouderij. Het feitelijk oprichten en in werking hebben van een veehouderij zonder dat de daartoe vereiste vergunning is aangevraagd of verleend, kan naar het oordeel van de Rb. niet als het oprichten van een veehouderij in de in art. 5, lid 1 van de Wav bedoelde zin worden beschouwd. De Rb. komt gelet hierop niet (meer) toe aan een beoordeling van de vraag of zich een of meer van de situaties als bedoeld in de onderdelen a tot en met f behorende bij het eerste lid van art. 5 van de Wav voordoen. Het voorgaande leidt de Rb. tot de conclusie dat verweerder bij het primaire besluit de omgevingsvergunning terecht heeft geweigerd op grond van art. 4 van de Wav.

Wetsverwijzingen
Besluit akkerbouwbedrijven milieubeheer 1, geldigheid: 2012-12-20
Wet ammoniak en veehouderij 1, geldigheid: 2012-12-20
Wet ammoniak en veehouderij 3, geldigheid: 2012-12-20
Wet ammoniak en veehouderij 4, geldigheid: 2012-12-20
Wet ammoniak en veehouderij 5, geldigheid: 2012-12-20
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht 2.1, geldigheid: 2012-12-20
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Milieurecht Totaal 2013/3729

Uitspraak

RECHTBANK ALKMAAR

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 12/1300

uitspraak van de meervoudige kamer van 20 december 2012 in de zaak tussen

de vennootschap onder firma [naam], waarvan de vennoten zijn [naam] en [naam1], te [woonplaats], eiseres

(gemachtigde: ing. B.H. Wopereis),

en

het dagelijks bestuur van Milieudienst IJmond, verweerder

(gemachtigden: mr. M. Dur en drs. E. Petersen).

Procesverloop

Bij besluit van 20 april 2012 (het bestreden besluit) heeft verweerder geweigerd aan eiseres een omgevingsvergunning te verlenen voor het oprichten en het in werking hebben van een inrichting voor, onder meer, het houden van paarden gelegen aan de [adres] te [woonplaats] (hierna: de inrichting).

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 november 2012, waar eiseres is vertegenwoordigd door drs. ing. B.A.S. Domhof, kantoorgenoot van ing. B.H. Wopereis, bijgestaan door de vennoten. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende, door partijen niet betwiste, feiten.

Met betrekking tot de inrichting is op 31 juli 1994 een melding gedaan als bedoeld in het Besluit akkerbouwbedrijven milieubeheer (hierna: Besluit akkerbouwbedrijven).

Bij brieven van 3 mei 1995 en 7 maart 2000 heeft verweerder aan eiseres meegedeeld dat de inrichting (nog steeds) valt onder de werkingssfeer van dat besluit.

In het kader van het project “Akkerbouw 2009” heeft verweerder op 1 november 2009 een bedrijfsbezoek bij de inrichting afgelegd. Tijdens dit bezoek zijn in de inrichting onder meer tien paardenboxen met tien paarden waargenomen, waarvan zeven pensionpaarden.

Naar aanleiding van dit bedrijfsbezoek heeft verweerder [naam] (hierna: eiser) bij besluit van 14 april 2010 een last onder dwangsom opgelegd wegens het zonder vergunning op grond van de Wet milieubeheer (hierna: Wm) in werking hebben van de inrichting.

Bij besluit van 3 mei 2011 heeft verweerder het hiertegen door eiser gemaakte bezwaar gegrond verklaard en een nieuwe last onder dwangsom opgelegd.

Bij uitspraak van 30 september 2011 (LJN: BT6655) heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) het door eiser tegen het besluit van 3 mei 2011 ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Op 18 oktober 2011 heeft eiseres – ter legalisatie – een aanvraag om een omgevingsvergunning ingediend ten behoeve van de inrichting.

Verweerder heeft vervolgens het bestreden besluit genomen.

2. Voor de beoordeling is de volgende regelgeving met name van belang.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wet ammoniak en veehouderij (hierna: Wav) betrekt het bevoegd gezag bij beslissingen inzake de omgevingsvergunning voor de oprichting of verandering van een veehouderij de gevolgen van ammoniakemissie uit de tot de veehouderij behorende dierenverblijven uitsluitend op de wijze die is aangegeven bij of krachtens de artikelen 4 tot en met 7.

Ingevolge artikel 4 van de Wav wordt een omgevingsvergunning voor het oprichten van een veehouderij geweigerd, indien een tot de veehouderij behorend dierenverblijf geheel of gedeeltelijk is gelegen in een zeer kwetsbaar gebied, dan wel in een zone van 250 meter rond een zodanig gebied.

Ingevolge artikel 5, eerste lid, aanhef, van de Wav, voor zover van belang, wordt in afwijking van artikel 4 een omgevingsvergunning niet geweigerd met het oog op de ammoniakemissie uit de tot de veehouderij behorende dierenverblijven, indien de veehouderij al was opgericht en onmiddellijk voorafgaand aan het ontstaan van de vergunningplicht onder de werking van een algemene maatregel van bestuur (hierna: amvb) krachtens artikel 8.40 van de Wm viel, en:

a. het aantal dieren per diercategorie niet hoger is dan overeenkomstig de betrokken algemene maatregel van bestuur onmiddellijk voorafgaand aan het ontstaan van de vergunningplicht aanwezig mocht zijn,

(…);

d. het aantal schapen of paarden hoger is dan bedoeld onder a (…).

Ingevolge artikel 1, eerste lid, van de Wav wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen verstaan onder veehouderij: inrichting, die tot een krachtens artikel 1.1, derde lid, van de Wm aangewezen categorie behoort en is bestemd voor het kweken, fokken, mesten, houden, verhandelen, verladen of wegen van dieren.

3. Verweerder stelt zich in het bestreden besluit op het standpunt dat het bepaalde in artikel 4 van de Wav, gelet op de ligging van een tot de veehouderij behorend dierenverblijf in een zone van 250 meter rond een zeer kwetsbaar gebied, aan verlening van de gevraagde omgevingsvergunning in de weg staat.

4. Tussen partijen is uitsluitend in geschil of verweerder - in afwijking van artikel 4 van de Wav - artikel 5, eerste lid, van de Wav had moeten toepassen.

5. De rechtbank overweegt dienaangaande als volgt. Als oprichting van een veehouderij in de zin van artikel 5 van de Wav moet (ook) worden aangemerkt de situatie waarin een bestaande veehouderij die onder een amvb op grond van artikel 8.40 van de Wm valt, buiten de reikwijdte van die amvb komt te vallen en daardoor (weer) vergunningplichtig wordt (Kamerstukken II, 2000–2001, 27 836, nr. 3, p. 32).

De Wav is op 8 mei 2002 in werking getreden, zodat in deze zaak ter beoordeling voorligt of voor die datum sprake is geweest van het oprichten van een veehouderij, als bedoeld in de Wav, en voorts of die veehouderij, voor zover hier van belang, onder de werkingssfeer van het Besluit akkerbouwbedrijven viel. Is niet aan (een van) die eisen voldaan, dan mist artikel 5 van de Wav reeds om die reden toepassing.

6. Verweerder stelt, kort samengevat en voor zover van belang, dat uit de bedrijfsbezoeken die hij bij eiseres heeft afgelegd niet is gebleken dat voor 8 mei 2002 paarden werden gehouden in de inrichting. Verweerder heeft ter zitting nog opgemerkt dat als er al paarden aanwezig waren, dat dan in ieder geval niet bedrijfsmatig was.

7. Eiseres stelt, kort samengevat en voor zover van belang, dat er voor 8 mei 2002 al bedrijfsmatig paarden werden gehouden in de inrichting. Volgens eiseres werden gemiddeld zeven paarden gehouden. Daaronder bevonden zich paarden van derden. Met de paarden werd ook gefokt en gehandeld.

8. De rechtbank kan om de navolgende reden in het midden laten of er voor 8 mei 2002 daadwerkelijk paarden aanwezig waren in de inrichting van eiseres. Immers, als verweerder wordt gevolgd in zijn stelling, moet worden geoordeeld dat er voor 8 mei 2002 geen sprake was van een feitelijk en juridisch opgerichte veehouderij. Artikel 5 van de Wav mist in dat geval toepassing, zodat de omgevingsvergunning in dat geval terecht is geweigerd vanwege het bepaalde in artikel 4 van de Wav.

9.1 Indien de rechtbank evenwel eiseres volgt in haar stelling dat er wel bedrijfsmatig paarden werden gehouden voor 8 mei 2002, waarvoor overigens enige aanknopingspunten zijn te vinden in de gedingstukken, komt de rechtbank tot het oordeel dat voor 8 mei 2002 geen sprake was van een inrichting die viel onder de werkingssfeer van het Besluit akkerbouwbedrijven, als gevolg waarvan evenmin toepassing kan worden gegeven aan het bepaalde in artikel 5 van de Wav. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

9.2 Ten tijde van belang was het uitgangspunt van de Wm dat een inrichting vergunningplichtig was, tenzij de inrichting onder de werkingssfeer van een amvb viel. Dat kon worden volstaan met het doen van een melding op grond van een amvb, mits de inrichting binnen de reikwijdte daarvan viel, was de uitzondering op de hoofdregel van de vergunningsplicht.

9.3 Ingevolge artikel 1, eerste lid, onder a, van het Besluit akkerbouwbedrijven, dat met ingang van 6 december 2006 is vervallen en voor zover van belang, wordt in dit besluit en de daarop berustende bepalingen verstaan onder een akkerbouw- of tuinbouwbedrijf met open grondsteelt: een inrichting die tot een krachtens artikel 1.1, derde lid, van de Wm aangewezen categorie behoort en die deel uitmaakt van een bedrijf dat uitsluitend of in hoofdzaak is bestemd voor het verbouwen van akkerbouwprodukten of tuinbouwprodukten op of in de open grond, voor zover:

1°. niet meer dan 15 stuks melkrundvee worden gehouden;

(…).

9.4 In de nota van toelichting bij het Besluit akkerbouwbedrijven (Staatsblad 1994, 107) is ten aanzien van artikel 1, eerste lid, onder a, het volgende vermeld: “De zinsnede “uitsluitend of in hoofdzaak” betekent dat in de inrichting in beperkte mate ook andere activiteiten mogen plaatsvinden, waarbij met name dient te worden gedacht aan het kweken, fokken, mesten, houden, verhandelen, verladen of wegen van dieren. Deze activiteiten moeten dan wel plaats vinden binnen de in het eerste lid, onder a, aangegeven grenzen.”

In artikel 1, eerste lid, onder a, sub 1 tot en met 23, van het Besluit akkerbouwbedrijven is een limitatieve opsomming gegeven van het aantal en type dieren dat mag worden gehouden en waarvoor naast het verbouwen van akkerbouwprodukten of tuinbouwprodukten op of in de open grond ruimte bestaat. In de limitatieve opsomming is het houden van paarden niet genoemd.

9.5 De rechtbank is van oordeel dat er geen ruimte is voor een extensieve uitleg van het bepaalde in het eerste lid van artikel 1 van het Besluit akkerbouwbedrijven. Een inrichting waar bedrijfsmatig paarden worden gehouden, kan, nu deze dieren niet zijn genoemd in de opsomming van artikel 1, eerste lid, onder a, van het Besluit akkerbouwbedrijven, naar het oordeel van de rechtbank niet onder de werkingssfeer van die amvb vallen, waardoor moet worden teruggevallen op de algemene regel van de vergunningplicht. Voorts acht de rechtbank van belang dat, waar het gaat om het houden van paarden, in de toelichting behorende bij het Besluit akkerbouwbedrijven evenmin aanknopingspunten zijn te vinden voor de door eiseres voorgestane extensieve uitleg, nu daarin niet expliciet over het houden van paarden wordt gesproken. Daarnaast volgt uit een tweetal uitspraken van de Afdeling

(23 maart 2005 (LJN: AT1983) en 28 januari 2004 (LJN: AO2408)) dat een inrichting waar bedrijfsmatig dieren worden gehouden die niet zijn genoemd in artikel 1, eerste lid, onder a, van het Besluit akkerbouwbedrijven niet onder de werkingssfeer van die amvb valt.

9.6 Niet in geschil is dat de inrichting voor 8 mei 2002 (ook) niet onder de werkingssfeer van een andere amvb viel, zodat, indien wordt uitgegaan van de juistheid van de stelling van eiseres, destijds al sprake was van een vergunningplichtige inrichting.

Gesteld noch gebleken is evenwel dat voor 8 mei 2002 aan eiseres een vergunning op grond van het destijds geldende artikel 8.1 van de Wm is verleend, zodat ook in dit geval geen sprake is van een juridisch opgerichte veehouderij. Het feitelijk oprichten en in werking hebben van een veehouderij zonder dat de daartoe vereiste vergunning is aangevraagd of verleend, kan naar het oordeel van de rechtbank niet als het oprichten van een veehouderij in de in artikel 5, eerste lid, van de Wav bedoelde zin worden beschouwd.

10. De rechtbank komt gelet hierop niet (meer) toe aan een beoordeling van de vraag of zich een of meer van de situaties als bedoeld in de onderdelen a tot en met f behorende bij het eerste lid van artikel 5 van de Wav voordoen.

11. Het voorgaande leidt de rechtbank tot de conclusie dat verweerder bij het primaire besluit de omgevingsvergunning terecht heeft geweigerd op grond van artikel 4 van de Wav.

12. Aan het vorenstaande doet niet af dat de Natuurbeschermingswet 1998, die een ander te beschermen belang en ander toetsingskader hanteert dan de Wav, zich niet verzet tegen het houden van negen paarden en twee veulens op de voornoemde locatie, zoals eiseres heeft betoogd.

13. Gelet op het voorgaande zal het beroep ongegrond worden verklaard.

14. Voor een proceskostenveroordeling of vergoeding van het griffierecht bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.H.A. Knol, voorzitter, mr. B. Liefting-Voogd en

mr. A.C. Terwiel-Kuneman, leden, in aanwezigheid van mr. W.I.K. Baart, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 december 2012.

griffier voorzitter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.