Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2012:BY8844

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
20-12-2012
Datum publicatie
18-01-2013
Zaaknummer
12/1420
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft het bezwaar terecht op grond van artikel 6:6 van de Algemene wet bestuursrecht niet-ontvankelijk verklaard vanwege het ontbreken van een machtiging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2013-0191
V-N Vandaag 2013/136
Belastingblad 2013/121
V-N 2013/22.5

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 12/1420

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 december 2012 in de zaak tussen

[naam eiser], te [woonplaats], eiser

(gemachtigde: G. Gieben),

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Huizen, verweerder

(gemachtigden J. van Beek en C. van Unen).

Procesverloop

Bij beschikking van 29 februari 2012 heeft verweerder ter uitvoering van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) de waarde van eisers onroerende zaak aan de [adres] te [woonplaats] (hierna: eisers woning) voor het belastingjaar 2012 vastgesteld op € 240.000, waarbij is uitgegaan van 1 januari 2011 als waardepeildatum.

Bij uitspraak op bezwaar van 24 april 2012 (de bestreden uitspraak) heeft verweerder het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard.

Eiser heeft tegen de bestreden uitspraak beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 november 2012. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door M. Uijen, kantoorgenoot van eisers gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

1. De rechtbank moet in deze zaak beoordelen of verweerder het bezwaar van eiser terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.

2. De volgende regelgeving is van belang bij deze beoordeling.

Op grond van artikel 2:1, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan het bestuursorgaan van een gemachtigde een schriftelijke machtiging verlangen.

Op grond van artikel 6:6, aanhef en onder a, van de Awb kan, indien niet is voldaan aan een bij de wet gesteld vereiste voor het in behandeling nemen van het bezwaar of beroep, dit niet-ontvankelijk worden verklaard, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.

3. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Bij brief van 4 april 2012 heeft Previcus Vastgoed (Previcus) namens eiser een bezwaarschrift ingediend tegen de beschikking van 29 februari 2012. Verweerder heeft Previcus bij brief van 5 april 2012 verzocht om een machtiging waaruit blijkt dat namens eiser wordt gehandeld. Previcus wordt de gelegenheid geboden om binnen twee weken na dagtekening van de brief een machtiging toe te sturen. Bij brief van 13 april 2012 heeft verweerder Previcus erop gewezen dat de termijn van twee weken op 19 april 2012 zal vervallen. Tevens staan in deze brief vermeld dat het bezwaarschrift niet ontvankelijk zal worden verklaard indien niet voor deze datum een machtiging wordt overgelegd. Verweerder heeft het bezwaar in de bestreden uitspraak niet ontvankelijk verklaard vanwege het ontbreken van een machtiging. De machtiging is pas als bijlage meegestuurd met het beroepschrift.

4. De rechtbank stelt vast dat Previcus bij het indienen van het bezwaarschrift geen machtiging van eiser heeft overgelegd. Verweerder mocht naar het oordeel van de rechtbank op grond van artikel 2:1, tweede lid, van de Awb een machtiging verlangen om zich ervan te vergewissen dat Previcus gerechtigd was namens eiser bezwaar te maken. Bij brief van

5 april 2012 heeft verweerder Previcus verzocht om deze machtiging binnen twee weken na dagtekening van de brief toe te sturen. Tussen partijen is niet in geschil dat Previcus de machtiging niet binnen deze termijn aan verweerder heeft toegestuurd.

5.1. Eiser stelt dat verweerder het bezwaar op grond van artikel 6:6 van de Awb pas niet ontvankelijk kan verklaren indien Previcus de gelegenheid is geboden het verzuim te herstellen. Volgens eiser heeft verweerder Previcus deze mogelijkheid ten onrechte niet geboden nadat niet was gereageerd op de brief van 5 april 2012. In dit verband wijst eiser op het arrest van het gerechtshof Leeuwarden van 24 maart 2009 (LJN: BJ4960). Hierin is overwogen dat in artikel 2:1, tweede lid, van de Awb staat vermeld dat een bestuursorgaan een machtiging kan verlangen van een gemachtigde. Gelet hierop is er geen grond om aan te nemen dat er een verplichting bestaat om direct bij het indienen van het bezwaar een machtiging te overleggen. De brief van een bestuursorgaan waarin wordt verzocht om een machtiging dient als een eerste verzoek te worden aangemerkt. Indien niet wordt voldaan aan dit verzoek moet de betrokkene vervolgens in de gelegenheid worden gesteld om het verzuim te herstellen. Op grond van deze rechtspraak is eiser van mening dat verweerders brief van 5 april 2012 als een eerste verzoek moet worden aangemerkt. Toen geen machtiging werd ontvangen had verweerder Previcus in de gelegenheid moeten stellen dit verzuim te herstellen. Dit is volgens eiser ten onrechte niet gebeurd.

5.2. De rechtbank maakt uit het arrest van het gerechtshof Leeuwarden van 9 maart 2010 (LJN: BN5045) op dat de door eiser aangehaalde rechtspraak is verlaten. Thans is het hof van oordeel dat reeds sprake is van een verzuim op het moment dat het bestuursorgaan, die oordeelt dat een machtiging is vereist, vaststelt dat een dergelijke machtiging ontbreekt. Dat verzuim ontstaat niet eerst nadat de termijn waarbinnen de machtiging moet worden overgelegd ongebruikt is verstreken. Dit betekent dat Previcus reeds in verzuim was op het moment dat geen machtiging van eiser werd overgelegd bij het indienen van het bezwaar.

Bij brief van 5 april 2012 heeft verweerder Previcus vervolgens de gelegenheid geboden om deze machtiging alsnog toe te sturen. Met deze brief heeft verweerder Previcus naar het oordeel van de rechtbank in de gelegenheid gesteld om het verzuim te herstellen.

6.1. Voorts is eiser van mening dat de door verweerder in de brief van 5 april 2012 geboden hersteltermijn van twee weken geen redelijke termijn is. Het is in de praktijk lastig om het verzuim binnen deze termijn te herstellen. Volgens eiser hanteert het merendeel van de gemeenten op advies van de VNG ook een hersteltermijn van vier weken na het verstrijken van de bezwaartermijn. Indien het verzuim niet binnen deze vier weken is hersteld dan wordt een herinnering verzonden waarin een termijn van nogmaals twee weken wordt gesteld.

6.2. Verweerder is van mening dat de geboden hersteltermijn in dit geval niet onredelijk kort is. Previcus is naar eigen zeggen een professionele dienstverlener met alle taxatietechnische en juridische kennis in één. Het feit dat een bezwaarschrift namens een derde moet worden voorzien van een machtiging moet dan ook bekend zijn bij Previcus.

Uit de werkwijze van Previcus is verweerder ook gebleken dat het de gewoonte is om pas bij ontvangst van de machtiging een bezwaarschrift in te dienen. Dat Previcus in dit geval is voorbijgegaan aan deze eigen werkwijze dient voor zijn rekening en risico te komen.

6.3. De rechtbank acht de door verweerder geboden hersteltermijn van twee weken voor het indienen van een machtiging niet onredelijk kort is. Dit temeer nu Previcus een professionele gemachtigde is en ervan op de hoogte is dat een bezwaarschrift namens een derde moet worden voorzien van een machtiging. Van een professionele gemachtigde mag worden verwacht dat het werkproces zodanig is ingericht dat binnen een hersteltermijn van twee weken een machtiging kan worden overgelegd. Indien de hersteltermijn onverhoopt tekort was voor Previcus dan lag het op zijn weg om tijdig verlenging van deze termijn te vragen. Dit heeft Previcus niet gedaan. In dit verband wijst de rechtbank er nog op dat verweerder met zijn brief van 13 april 2012 er nog een keer op heeft gewezen dat de hersteltermijn eindigde op 19 april 2012 en daarbij expliciet heeft gewezen op de gevolgen van het niet tijdig overleggen van de gevraagde machtiging.

7. De rechtbank komt op grond van het bovenstaande tot de conclusie dat verweerder het bezwaar terecht op grond van artikel 6:6 van de Awb niet-ontvankelijk heeft verklaard. Het beroep is ongegrond.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.B. Klaus, rechter, in aanwezigheid van mr. S.C. Horio, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 december 2012.

griffier rechter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam.