Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2012:BY8422

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
27-12-2012
Datum publicatie
15-01-2013
Zaaknummer
10-2910
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

In geschil is het antwoord op de vraag of de Verordening 2010 en de daarbij behorende tarieventabel van de gemeente Hoorn verbindende kracht heeft. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2013/79
Belastingblad 2013/112
V-N 2013/12.22.10

Uitspraak

RECHTBANK ALKMAAR

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 10/2910

uitspraak van de meervoudige kamer van 27 december 2012 in de zaak tussen

de naamloze vennootschap [naam N.V.], te [vestigingsplaats], eiseres

(gemachtigde: mr. J.P. Groen),

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Hoorn, verweerder

(gemachtigden: mr. E.G. Borghols en N.J.J. Rood).

Procesverloop

Bij besluit van 31 mei 2010 heeft verweerder aan eiseres voor het belastingjaar 2010 een aanslag reclamebelasting van € 498 opgelegd voor vier uitingen met een gezamenlijke oppervlakte van 3,2 m² aan het pand aan de [adres] te [vestigingsplaats].

Bij uitspraak op bezwaar van 11 oktober 2010 (de bestreden uitspraak) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen de bestreden uitspraak beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 april 2012.

Op 25 april 2012 heeft de rechtbank het onderzoek heropend teneinde de zaak te verwijzen naar een meervoudige kamer.

Het onderzoek ter zitting van de meervoudige kamer heeft plaatsgevonden op 14 juni 2012.

In overleg met partijen is bepaald dat het nader onderzoek ter zitting van de meervoudige kamer op een nader te bepalen datum wordt voortgezet.

Het nadere onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 oktober 2012. Eiseres is verschenen bij haar gemachtigde. Verweerder is verschenen in de persoon van [naam 1], vergezeld door beide gemachtigden en [naam 2].

Met toepassing van het bepaalde in artikel 8:66, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht, heeft de rechtbank de termijn voor het doen van uitspraak met zes weken verlengd.

Overwegingen

1.1 De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.2 Bij raadsbesluit van 16 december 2008 heeft de raad van de gemeente Hoorn op verzoek van een aantal ondernemers in de gemeente Hoorn, verenigd in de Hoornse Ondernemers Federatie (hierna: de HOF), met ingang van 2009 reclamebelasting ingevoerd door de Verordening Reclamebelasting 2009 (hierna: de Verordening 2009) en bijbehorende tarieventabel vast te stellen.

De opbrengst van de met ingang van 2009 ingevoerde reclamebelasting heeft de gemeente

– na aftrek van de perceptiekosten en de gederfde precariobelasting – ter uitvoering van het partijen bekende Convenant Stimulering Economie Hoorn (hierna: het convenant), ter beschikking gesteld aan de Stichting Lokaal Ondernemers Fonds (hierna: LOF) te Hoorn. Het bestuur van deze stichting vormt een personele unie met het bestuur van de HOF.

1.3 Bij uitspraak van 25 november 2010 met LJN: BO8986 heeft deze rechtbank de Verordening 2009 en bijbehorende tarieventabel onverbindend verklaard.

Bij uitspraak van 24 november 2011 met kenmerk 10/00935 (ongepubliceerd) heeft het gerechtshof Amsterdam deze uitspraak van de rechtbank vernietigd. De beoordeling van het geschil in de uitspraak van het gerechtshof is gelijk aan de beoordeling van het geschil in een wel gepubliceerde zaak met LJN: BU5999.

Het door de belastingplichtige tegen de uitspraak van het gerechtshof Amsterdam ingestelde cassatieberoep heeft de Hoge Raad met toepassing van artikel 81 van de Wet op de Rechterlijke Organisatie afgedaan bij arrest van 28 september 2012 met LJN: BX8388.

1.4 Op 16 december 2009 heeft de raad van de gemeente Hoorn de Verordening Reclamebelasting 2010 (hierna: de Verordening 2010) vastgesteld. De Verordening 2010 is op 18 december 2009 bekendgemaakt. De Verordening 2010 is niet wezenlijk veranderd ten opzichte van de Verordening 2009.

1.5 Ter zitting van 18 oktober 2012 heeft de gemachtigde van eiseres een pleitnota overgelegd. De gemachtigde van eiseres heeft aangegeven dat de in eerdere stadia genoemde – en niet in de pleitnota opgenomen – beroepsgronden geen bespreking behoeven. De stelling dat de LOF een bestuursorgaan is, heeft de gemachtigde van eiseres wel gehandhaafd.

2. Niet in geschil is dat de aanslag, uitgaande van de verbindendheid van de Verordening 2010 en de tariefstelling, uiteindelijk niet tot een te hoog bedrag is opgelegd.

In geschil is het antwoord op de vraag of de Verordening 2010 en de daarbij behorende tarieventabel verbindende kracht heeft. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend en overweegt daartoe het volgende.

3.1 Eiseres stelt dat op verzoek van een aantal ondernemers de reclamebelasting is ingevoerd en dat daarmee alle ondernemers in Hoorn worden belast. Volgens eiseres levert dit détournement de pouvoir op.

3.2 De rechtbank stelt voorop dat de gemeenteraad op grond van de Gemeentewet bevoegd is reclamebelasting in te voeren. De rechtbank is niet gebleken dat de vaststelling van de Verordening 2010 – door de democratisch gekozen gemeenteraad – in strijd met de wet heeft plaatsgevonden. De omstandigheid dat – zoals eiseres stelt – het initiatief om reclamebelasting in te voeren afkomstig is van een aantal ondernemers doet hieraan niet af. Daarbij bestaat er geen wettelijke verplichting om vóór de vaststelling van de reclamebelasting de zienswijze van alle toekomstige belastingplichtigen te vragen of ze van de invoering op de hoogte te stellen. Mede gelet op het oordeel van het gerechtshof Amsterdam ten aanzien van de verbindendheid van de op gelijke wijze tot stand gekomen Verordening 2009, onderschrijft de rechtbank niet de stelling van eiseres dat er sprake is van détournement de pouvoir.

4.1 Eiseres stelt dat nu de opbrengsten van reclamebelasting in de gemeente Hoorn zijn bestemd voor een bepaald doel, het mogelijke profijt dat een ondernemer kan hebben van zijn betaalde reclamebelasting relevant is voor de beoordeling of er sprake is van een objectieve en redelijke rechtvaardiging voor de gebieds- en tariefdifferentiatie. Eiseres stelt dat het feit dat niet is uit te sluiten dat sommige ondernemers in het geheel geen profijt hebben van de bij hen geïnde reclamebelasting niet in overeenstemming is met het oordeel van de Hoge Raad in zijn arrest van 11 november 2011 met LJN: BR4564. In dit verband wijst eiseres erop dat in de Verordening 2010 de Korenbloem als vierde tariefgebied is toegevoegd en dat de ondernemers in dat gebied een directe tegenprestatie krijgen voor de geïnde reclamebelasting terwijl ondernemers in andere tariefgebieden mogelijk geen profijt hebben.

4.2 Hieromtrent overweegt de rechtbank als volgt. De Hoge Raad heeft in het arrest van 11 november 2011 overwogen dat de reclamebelasting in artikel 227 van de Gemeentewet is voorzien als een algemene belasting, hetgeen meebrengt dat een gemeente vrij is in de besteding van de opbrengst van die belasting en derhalve ook de vrijheid heeft om die opbrengst te besteden aan activiteiten en voorzieningen binnen een bepaald gedeelte van haar grondgebied. Verder heeft de Hoge Raad geoordeeld dat vooropgesteld dient te worden dat het karakter van de algemene belasting er evenmin aan in de weg staat dat een gemeente de heffing van deze belasting beperkt tot een gedeelte van haar grondgebied, mits voor die beperking een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat. Uit het arrest blijkt voorts dat in het geval een gemeente besluit de opbrengst van de reclamebelasting te besteden binnen een bepaald gedeelte van haar grondgebied en zij het object van de heffing heeft beperkt tot openbare aankondigingen in het desbetreffende gedeelte van haar grondgebied, er sprake is van een objectieve en redelijke rechtvaardiging van die beperking, indien de gemeente in redelijkheid heeft mogen uitgaan van de veronderstelling dat op deze wijze degenen die profijt kunnen hebben van de opbrengst van de belasting in de heffing worden betrokken. De rechtbank maakt hieruit op dat in geval er sprake is van een heffing van reclamebelasting in het gehele gebied van de gemeente, waarvan in de gemeente Hoorn sprake is, een relatie tussen de opbrengst uit de reclamebelasting en de besteding niet vereist is. De stelling van eiseres dat een en ander niet in overeenstemming is met het arrest van de Hoge Raad van 11 november 2011 kan de rechtbank dan ook niet onderschrijven.

4.3 Verder wijst de rechtbank op de uitspraak van 3 mei 2012 van het gerechtshof Amsterdam met LJN: BW5876 ten aanzien van de Verordening 2009. Daarin is geoordeeld dat de Verordening 2009 niet onverbindend is en dat dit, nu er sprake is van een algemene belasting, niet anders is indien een betrokkene geen profijt heeft van de reclame of van de besteding van de opbrengst daarvan. Uit deze uitspraak volgt dat de omstandigheid dat een ondernemer al dan niet profijt heeft van de geïnde reclamebelasting niet relevant is. Deze beroepsgrond van eiseres slaagt dus niet.

5. Voor zover eiseres stelt dat de Korenbloem in de Verordening 2010 ten onrechte als vierde tariefgebied is toegevoegd overweegt de rechtbank als volgt. Uit de uitspraak van het gerechtshof Amsterdam van 24 november 2011 volgt dat een indeling in drie tariefgebieden niet tot onverbindendheid van de Verordening 2009 heeft geleid. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om hierover bij een indeling in vier tariefgebieden anders te oordelen. Daarbij heeft de gemachtigde van verweerder ter zitting verklaard dat er een voldoende rechtvaardiging is voor de tariefdifferentiatie nu in de Korenbloem meer budget nodig is. De rechtbank heeft geen reden om aan de juistheid van deze verklaring te twijfelen.

6.1 Eiseres stelt dat er sprake is van een belastingheffing voor het doen van niet overheidsuitgaven en dat het gerechtshof Amsterdam en de Hoge Raad niet op dit argument zijn ingegaan. Eiseres stelt dat de belastingplicht afhankelijk is van het convenant en dat er in feite sprake is van subsidie. Bovendien ontbreken waarborgen aan de stichting die de reclamebelasting ontvangt en is er sprake van verboden delegatie van een verordende bevoegdheid. Eiseres wijst in dit verband op de uitspraak van het gerechtshof Arnhem van

11 september 2012 met LJN: BX7756.

6.2 De rechtbank is van oordeel, gelet op de ruime vrijheid van de gemeente om te beslissen over haar bestedingen, dat niet relevant is dat de gemeenteraad door middel van een convenant de opbrengst van de belasting geheel of gedeeltelijk uitkeert aan de LOF. Hierin is de gemeenteraad vrij. In dit verband wijst de rechtbank op rechtsoverweging 6.4 van de uitspraak van 24 november 2011 van het gerechtshof Amsterdam, waarin dit aspect, anders dan eiseres stelt, wel degelijk aan de orde is geweest. Het gerechtshof heeft geoordeeld dat het feit dat de gemeenteraad heeft besloten de opbrengst te bestemmen voor het Fonds Stimulering Economie Hoorn en ter uitvoering van het convenant ter beschikking te stellen aan een lokale ondernemersorganisatie, niet afdoet aan de verbindende kracht van de Verordening. Deze uitspraak is door de Hoge Raad met het arrest van 28 september 2012 in stand gelaten. De verwijzing van eiseres naar de uitspraak van het gerechtshof Arnhem van 11 september 2012, derhalve van een eerdere datum dan het arrest van de Hoge Raad, baat eiseres niet. Bovendien heeft ook verweerder belang bij een florerende middenstand en een economisch sterke binnenstad. Deze beroepsgrond slaagt derhalve niet.

7.1 Eiseres stelt dat de van tevoren bepaalde wijze van besteding, los van het doel van de besteding, leidt tot een onredelijke en willekeurige belastingheffing. Verder stelt eiseres dat indien een ondernemer invloed wil hebben op de besteding van de gelden uit de reclamebelasting, die ondernemer ook lid moet worden van de HOF. Volgens eiseres komt uit de door verweerder overgelegde stukken naar voren dat er alleen aanvragen kunnen worden ingediend door ondernemersverenigingen die zijn aangesloten bij de HOF, zodat er sprake is van een schending van het gelijkheidsbeginsel.

7.2 Zoals de rechtbank meermalen in deze uitspraak heeft overwogen is de gemeente vrij in de wijze van besteding van de door haar geïnde gelden afkomstig van de reclamebelasting. Er kan dan ook niet staande worden gehouden dat er van een onredelijke en willekeurige belastingheffing sprake is wanneer van tevoren de wijze van besteding is bepaald. Bovendien is in dit geval niet zonder meer sprake van een van tevoren bepaalde wijze van besteding. De LOF dient immers volgens het convenant jaarlijks een activiteitenplan en een begroting met het oog op de te ondernemen activiteiten en te realiseren voorzieningen ter instemming aan het college van burgemeester en wethouders van Hoorn voor te leggen. Daarbij komt dat de gemachtigde van verweerder ter zitting heeft verklaard dat het ondernemers, die geen lid zijn van een bij de HOF aangesloten ondernemersvereniging, vrijstaat om een activiteitenplan met begroting in te dienen en dat de beoogde activiteiten kunnen worden gefinancierd uit de opbrengst van de reclamebelasting. De rechtbank heeft geen aanleiding om aan de juistheid van deze verklaring te twijfelen. Ook in zoverre is geen sprake van een van tevoren bepaalde wijze van besteding. Evenmin is er sprake van schending van het gelijkheidsbeginsel. Hetgeen eiseres naar voren heeft gebracht volgt de rechtbank dus niet.

8.1 Eiseres stelt dat in artikel 4, aanhef en onder sub f, van de Verordening 2010 in verbinding met artikel 1, eerste lid, onder a, van de Verordening 2010 een vrijstellingsbepaling is opgenomen. Volgens eiseres kunnen exploitanten die op grond van een overeenkomst een vergoeding aan de gemeente Hoorn verplicht zijn, worden vrijgesteld van de reclamebelasting. In dit verband wijst eiseres op de eerder genoemde uitspraak van het gerechtshof Arnhem, waarin is geoordeeld dat een uitzondering op de reclamebelastingplicht in strijd is met artikel 217 van de Gemeentewet en moet leiden tot onverbindendheid van de verordening.

8.2 Naar het oordeel van de rechtbank is in de Verordening 2010, anders dan eiseres stelt, geen sprake van een uitzondering op de voor ieder gelijk geldende belastingplicht. Immers, op grond van artikel 3, derde lid, van de Verordening 2010 is de belastingplicht voor een exploitant als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder a, van de Verordening 2010 opgenomen. Wel is het zo dat de openbare aankondigingen die worden aangebracht, in stand gehouden of verwijderd door de exploitant op grond van artikel 4, aanhef en onder sub f, van de Verordening 2010 buiten de heffing van de reclamebelasting blijven indien de gemeente Hoorn van de exploitant een vergoeding ontvangt, voortvloeiend uit een overeenkomst tussen de gemeente en een exploitant. De rechtbank acht in deze door de gemeente met de exploitant afgesproken vergoeding een voldoende rechtvaardiging gelegen om een openbare aankondiging buiten de heffing te houden, omdat de openbare aankondiging in wezen al op andere wijze is belast. Verder is de rechtbank van oordeel dat, anders dan in de zaak die aan het gerechtshof Arnhem ter toetsing is voorgelegd, in deze voldoende overzienbaar en controleerbaar is wanneer al dan niet reclamebelasting dient te worden geheven ten behoeve van een openbare aankondiging die wordt aangebracht, in stand gehouden of verwijderd bij een exploitant. De bedoelde overeenkomst is immers gesloten tussen de gemeente Hoorn en een exploitant, terwijl er in de zaak die heeft geleid tot de uitspraak van 11 september 2012 sprake was van tussenkomst en betrokkenheid van derden waardoor een en ander onoverzichtelijk werd. De verwijzing naar de uitspraak van het gerechtshof Arnhem van 11 september 2012 gaat dan ook niet op. Deze beroepsgrond slaagt evenmin.

9.1 Eiseres stelt dat de LOF, doordat zij bepaalt welke aanvragen er worden gehonoreerd, dient te worden aangemerkt als bestuursorgaan. Dit maakt volgens eiseres dat de LOF zal moeten voldoen aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.

9.2 De rechtbank is van oordeel dat in een zaak als de onderhavige, waarbij de rechtmatigheid van een aanslag moet worden beoordeeld, het antwoord op de vraag of de LOF al dan niet een bestuursorgaan is buiten de omvang van het geding valt. Hetgeen eiseres dienaangaande heeft aangevoerd, laat de rechtbank buiten beschouwing.

10. Gelet op voorgaande is het beroep ongegrond.

11. Bij deze beslissing is er geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. W.P. van der Haak, voorzitter, en mr. drs. C.M. van Wechem en mr. D.M. de Feijter, leden, in aanwezigheid van mr. S.C. Jacobs, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 december 2012.

griffier voorzitter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam.