Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2012:BY6516

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
24-10-2012
Datum publicatie
18-12-2012
Zaaknummer
383759 \ CV EXPL 11-5706
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Tussenvonnis en eindvonnis in een verklaringprocedure. B heeft ten laste C derdenbeslag gelegd onder O. O heeft een verklaring derdenbeslag afgelegd en B betwist de inhoud daarvan.

Hangende de procedure gaat C failliet. Welke gevolgen heeft dit faillissement voor deze procedure? Terugkomen op bindende eindbeslissingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALKMAAR

Sector Kanton - locatie Alkmaar

Zaaknr/rolnr.: 383759 \ CV E[X]PL 11-5706 WD

Uitspraakdatum: 24 oktober 2012 (bij vervroeging)

Vonnis in de zaak van:

[naam], wonende te [plaats],

eisende partij,

verder ook te noemen: [B],

gemachtigde: mr. E.J. Bink, advocaat te Amsterdam,

tegen

de besloten vennootschap IJZERWERF OVERDIE BEHEER B.V., statutair gevestigd en kantoorhoudende te Alkmaar,

gedaagde partij,

verder ook te noemen: Overdie,

gemachtigde: B.J.H. Kesnich, advocaat te Alkmaar.

1. Het verdere procesverloop

De kantonrechter heeft op 11 april 2012 een tussenvonnis gewezen. Voor het verloop van de procedure tot dat moment wordt naar dat tussenvonnis verwezen.

Overdie heeft vervolgens gediend van een akte overlegging producties tevens houdende verzoek tot heroverweging eindbeslissingen.

Hierop heeft [B] gediend van antwoordakte.

Naar aanleiding van een namens Overdie gedaan verzoek heeft de kantonrechter bij tussenvonnis van 12 september 2012, bepaald dat pleidooi zal worden gehouden ter terechtzitting van 5 oktober 2012.

Op 24 september 2012 is ten behoeve van de zitting van 5 oktober 2012 ter griffie binnengekomen van de zijde van Overdie een akte overlegging producties.

Op 1 oktober 2012 is vervolgens ten behoeve van de zitting van 5 oktober 2012 ter griffie binnengekomen van de zijde van Overdie een nadere akte overlegging producties voor de zitting van 5 oktober 2012, binnengekomen op 1 oktober 2012.

Ter terechtzitting van 5 oktober 2012 hebben partijen hun standpunten doen bepleiten aan de hand van pleitnotities, die ter zitting zijn overgelegd.

Op 9 oktober 2012 is ter griffie binnengekomen een brief van de gemachtigde van Overdie.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De verdere feiten

2.1. Gezien de ontwikkelingen na 11 april 2012 ziet de kantonrechter aanleiding om in aanvulling op het tussenvonnis van laatstgenoemde datum de volgende feiten vast te stellen.

2.2. Bij koopovereenkomst van 29 december 2007 en van 19 februari 2009 heeft Overdie een perceel grond, plaatselijk bekend [adres], kadastraal bekend gemeente [plaats], sectie [X], nummer [nummer], aan Chranita N.V. verkocht voor een koopsom van € 4.500.000,00. De juridische levering heeft nog niet plaatsgevonden. De in het tussenvonnis van 11 april 2012 genoemde huurovereenkomst tussen Overdie en Chranita B.V. heeft op dit perceel grond betrekking.

2.3. De koopsom is in twee delen voldaan. Het eerste deel is gefinancierd door middel van een door de ING aan Chranita B.V. verstrekte lening van € 2.400.000,00. ING heeft dit bedrag aan Overdie voldaan. ING heeft ter zekerheid van deze lening een recht van hypotheek bedongen op het verkochte maar nog steeds niet geleverde perceel grond (derdenhypotheek).

2.4. Het resterende deel van de koopsom, € 2.100.000,00, is gefinancierd door middel van een lening van Overdie aan Chranita B.V. Overdie en ING zijn overeengekomen dat deze lening is achtergesteld bij de lening van de ING.

2.5. Op 21 mei 2012 schrijft de raadsman van Overdie aan Chranita B.V. de volgende brief:

“Om aan alle twijfel op dit moment een einde te maken, verzoek en voor zover nodig sommeer ik namens IJzerwerf Overdie Beheer B.V. Chranita B.V. - onder voorbehoud van alle rechten - hierbij om bedoeld bedrag van € 2.100.000,-- aan IJzerwerf Overdie Beheer B.V. terugbetaald te hebben binnen twee dagen na heden, bij gebreke waarvan IJzerwerf Overdie Beheer BV. alle rechten voorbehoudt.”

2.6. ING bericht Overdie op 2 augustus 2012 als volgt:

“Met betrekking tot het door IJzerwerf Overdie Beheer B.V. (“Overdie”) op 19 februari 2009 aan ING Bank N.V. (“ING”) verstrekte recht van hypotheek (…) op het perceel grond te [adres] berichten wij u als volgt.

Het hypotheekrecht is verstrekt tot zekerheid van al hetgeen wij te eniger tijd van Chranita

B.V. (“Chranita”) te vorderen hebben.

Chranita voldoet al sinds enige tijd niet aan haar verplichtingen uit hoofde van de met ING

gesloten kredietovereenkomst.

De aan Chranita beschikbaar gestelde kredietlimiet is per 1 april 2012 komen te vervallen. Per heden registreren wij een ongeoorloofde debetstand ad € 2.879.637,45, welke wij vermeerderen met achterstallige rente, per direct opeisbaar hebben gesteld.

Wij zijn ertoe overgegaan om genoemd totaal bedrag tegen 10 augustus 2012 op te eisen.

Wordt de vordering van ING op of voor 10 augustus 2012 niet of niet geheel voldaan, dan zijn wij genoodzaakt onze zekerheden, waaronder het door Overdie verstrekte hypotheekrecht, uit te winnen.

Eerder hebben wij van u begrepen dat Overdie de executoriale verkoop van het perceel grond graag zou voorkomen. Dit kan op grond van art. 3:269 BW door de vordering van ING op Chranita integraal te voldoen.”

2.7. Op 8 augustus 2012 bericht ING het volgende aan (de raadsman van) Overdie:

“In reactie op uw brief d.d. 7 augustus jl. delen wij u mede dat wij bereid zijn tot algeheel royement van de d.d. 19 februari 2009 gevestigde hypotheek (…) t.l.v. het registerg[plaats] ten behoeve van de verplichtingen uit hoofde van de kredietfaciliteiten t.n.v. Chranita B.V. tegen ontvangst van € 2.400.000,00 op uiterlijk

24 augustus 2012.”

2.8. De raadsman van Overdie stuurt op 7 september 2012 aan ING de volgende email:

“Naar ik begreep zal cliënte, te weten lJzerwerf Overdie Beheer B.V., akkoord gaan met het

kredietvoorstel als vervat in de offerte van ING Bank van 15 augustus 2012 en zal deze vandaag voor akkoord worden ondertekend. Onderdeel van het voorstel en de afspraken tussen partijen is dat het te verstrekken krediet voor een bedrag van 2.400.000 euro zal worden aangewend ter voldoening van de vordering van ING Bank N.V. op van Chranita B.V., teneinde te voorkomen dat de door cliënte verstrekte derde-hypotheek zal worden uitgewonnen (…).”

2.9. ING beantwoordt deze email op 10 september 2012 als volgt:

“Na overleg met onze adviseurs (…), bevestig ik u dat ING inderdaad zal meewerken aan een royement van onze hypotheek op de door Overdie Beheer ondergezette onroerende zaak ten behoeve van onze kredietverlening aan Chranita BV, tegen ontvangst van euro 2,4 mln.”

2.10. Op 10 september 2012 bericht ING aan Vos Geerse Reijntje Notarissen te Alkmaar, voor zover van belang, als volgt:

“Naar aanleiding van uw verzoek treft u hierbij de aflosnota aan per 10 september 2012

Wij zijn bereid:

ons hypotheekrecht algeheel op te zeggen op de onroerende zaak aan de [adres], kadastraal bekend gemeente [plaats], sectie [X], nummer [nummer], na ontvangst van een bedrag van € 2.400.00,00.”

2.11. ING heeft bij het hiervoor weergegeven bericht gevoegd een volmacht die er, kort gezegd, toe strekt dat iedere medewerker van voornoemd notariskantoor bevoegd is ING te vertegenwoordigen bij de doorhaling van de ten behoeve van ING verstrekte derdenhypotheek.

2.12. De op 21 september 2012 gedateerde aflosnota van Vos Geerse Reijntjes Notarissen bevat de volgende passages:

“Referentie: 2011.1925/ (…)

(…)

Aktedatum: 24 september 2012 om 13:00 uur

Betreft: Hypotheekverlening ten behoeve van ING Bank N.V.

Afrekening

Te ontvangen Te voldoen

Te ontvangen hypotheek € 4.500.000,00

Kredietruimte € 2.100.000,00-

Netto bedrag lening

Aflossing hypotheek

Algehele aflossing hypothecaire lening van ING Bank N.V.

€ 2.400.000,00

€ 2.4000.000,00

2.13. De op 24 september 2012 tussen Overdie en ING verleden notariële akte luidt, voor zover van belang, als volgt:

“Ref:20111925(…)

Hypotheekstelling en verpanding

Terzake de vordering is door de onderzetter casu quo de kredietnemer met de bank overeengekomen dat ten behoeve van de bank recht van hypotheek en pandrecht worden gevestigd op de in deze akte omschreven goederen, tot zekerheid als hierna vermeld.

Tot meerdere zekerheid voor de betaling van:

- de vordering tot een bedrag ter grootte van maximaal vier miljoen vijfhonderdduizend euro (€ 450.000,00), dat bedrag hierna te noemen: “de hoofdsom”

(…)

Onderpand en titel

Het recht van eerste hypotheek wordt verleend op:

Het woonhuis met bergplaatsen, loodsen erf, tuin en verdere aanhorigheden plaatselijk bekend [adres], kadastraal bekend gemeente [plaats], sectie [X], nummer [nummer], (…).”

2.14. De raadsman van Overdie stuurt op 28 september 2012 de volgende brief aan Chranita B.V.:

“Zoals u weet treed ik op namens de besloten vennootschap IJzerwerf Overdie Beheer B.V. Cliënte heeft ten behoeve van Chranita B.V. een derdenhypotheek verstrekt aan ING Bank. Naar cliënte heeft begrepen heeft ING Bank een financiering opgezegd ter zake waarvan het hypotheekrecht tot zekerheid strekt.

Per 24 september 2012 heeft cliënte een bedrag van € 2.400.000,00 aan ING Bank voldaan ter voldoening van de vordering van ING Bank op Chranita B.V. teneinde te voorkomen dat de door cliënte verstrekte derdenhypotheek zal worden uitgewonnen en ter vrijgave van de achterstelling van de door cliënte aan Chranita B.V. verstrekte lening van € 2.100.000,00, een en ander zoals bedoeld in artikel 6:150 BW.

Hierbij verzoek en voor zover mogelijk sommeer ik namens cliënte Chranita B.V. en/of Chranita N.V. tot betaling tegen behoorlijk bewijs van kwijting uiterlijk binnen drie dagen na heden van een bedrag van € 2.400.000,00 plus p.m. aan rente en kosten (…).”

2.15. Bij vonnis van deze rechtbank van 9 oktober 2012 is Chranita B.V. in staat van faillissement verklaard.

3. De verdere beoordeling van het geschil

De door Overdie voorafgaande aan het pleidooi ingediende producties

3.1. Overdie heeft voorafgaand aan het pleidooi op 24 september 2012 en op 1 oktober 2012 nieuwe producties ingediend. De op 24 september 2012 ingediende stukken (productie 40, 41 en 42) betreffen een dagvaarding d.d. 1 augustus 2012 en andere processtukken inzake een tussen Overdie als eiseres en Chranita N.V. en Chranita B.V. als gedaagden aanhangige gerechtelijke procedure. Overdie heeft bij pleidooi aangegeven dat zij de gronden van haar verweer wenst te wijzigen, althans nader te preciseren of nuanceren. Meer concreet houdt deze wijziging in dat voor zover hetgeen zij tot op heden in onderhavige procedure heeft aangevoerd, afwijkt van hetgeen zij thans in de tegen Chranita N.V. en B.V. gevoerde procedure naar voren brengt, het in laatstgenoemde procedure namens Overdie naar voren gebrachte standpunt, prevaleert. Overdie verwijst kortheidshalve naar de inhoud van haar op 1 augustus 2012 uitgebrachte dagvaarding, welke inhoud volgens Overdie als in onderhavige procedure herhaald en ingelast zou moeten worden beschouwd.

De op 1 oktober 2012 door Overdie overgelegde producties 43 tot en met 48 betreffen de gang van zaken tussen Overdie, ING en Chranita B.V. vanaf 2 augustus 2012, het moment dat ING zich met een beroep op de ter haar behoeve gevestigde derdenhypotheek tot Overdie heeft gewend.

3.2. [B] heeft bij pleidooi bezwaar gemaakt tegen de indiening van productie 40 tot en met 42 alsmede 43 tot en met 48. Voorts heeft [B] bezwaar gemaakt tegen de door Overdie voorgestane wijziging van de grondslag van haar verweer. De kantonrechter overweegt als volgt.

3.3. Van belang is dat Overdie in haar begeleidende akte waarbij zij op 24 september 2012 de producties 40, 41 en 42 heeft ingediend, in het geheel geen toelichting heeft gegeven over de inhoud van deze producties en de relevantie daarvan voor onderhavige procedure. Hier was alle aanleiding toe, aangezien deze producties zien op een tussen Overdie en Chranita N.V. en B.V. aanhangige juridische procedure, die [B] in beginsel niet regardeert. Dat onderhavige zaak betrekking heeft op de rechtsverhouding tussen Overdie en Chranita B.V. doet hier niet aan af. Dit ontslaat Overdie niet van haar verplichting om deze producties voldoende toe te lichten. Te meer gezien de aanzienlijke omvang van de producties en de relatief korte periode tussen het moment van indiening en de voor het pleidooi bepaalde datum.

3.4. Nu pas bij pleidooi is gebleken waarom Overdie deze producties heeft ingediend, heeft [B] onvoldoende tijd en gelegenheid gehad om behoorlijk van de inhoud van deze producties kennis te nemen en zich aldus deugdelijk op het pleidooi voor te bereiden. Reden waarom deze producties bij de verdere beoordeling terzijde zullen worden geschoven. Dat het gevolg hiervan is dat de kantonrechter geen kennis heeft kunnen nemen van het nieuwe “meer genuanceerde” standpunt van Overdie, komt voor rekening van laatstgenoemde.

3.5. Anders ligt het met de op 1 oktober 2012 ingediende producties. Overdie stelt zich hierover terecht op het standpunt dat zij niet eerder in de gelegenheid is geweest deze stukken in te dienen. Daar komt bij dat Overdie de inhoud van deze producties wel direct bij indiening voldoende heeft toegelicht. Bovendien bouwen deze producties voort op reeds eerder in deze procedure door Overdie ingenomen standpunten. Deze producties zullen wel in de verdere beoordeling worden meegenomen.

Het faillissement van Chranita B.V. en de gevolgen daarvan

3.6. Thans ligt voor de vraag welke gevolgen het faillissement van Chranita B.V. heeft voor deze procedure. Partijen verschillen hierover van mening.

3.7. In tegenstelling tot onder het oude recht het geval was (HR 28 mei 1915, NJ 1915 p. 882, herhaald in HR 16 december 1988, NJ 1989, 363), leidt het faillissement er niet toe dat deze procedure van rechtswege eindigt. Dit gevolg is niet te rijmen met het in het huidige procesrecht geldende uitgangspunt dat een civiele procedure slechts eindigt door middel van een eindvonnis of door royement door partijen. Daar komt bij dat dit gevolg evenmin goed verenigbaar is met de per 1992 geldende inhoud van artikel 33 van de Faillissementswet, volgens welke inhoud het door [B] gelegde beslag herleeft, zodra het faillissement van Chranita B.V. een einde neemt ten gevolge van vernietiging of opheffing van het faillissement, mits de beslagen vordering nog tot de boedel behoort.

Omdat het faillissement ingevolge artikel 33 van de Faillissementswet met zich brengt dat het door [B] onder Overdie gelegde derdenbeslag is komen te vervallen, kan [B] geen aanspraak meer maken op afdracht door Overdie van de eventueel onder het beslag vallende gelden. Gezien de huidige stand van zaken komen de hierop ziende vorderingen, weergegeven in het tussenvonnis van 11 april 2012 in r.o 3.1. onder I, III en IV, niet voor toewijzing in aanmerking.

3.8. Anders dan Overdie voorstaat, komt hiermee niet te ontvallen ieder belang van [B] bij zijn vordering tot veroordeling van Overdie tot het doen/ aanvullen van een gerechtelijke verklaring (zie r.o. 3.1. onder II van voormeld tussenvonnis). Ook andersoortige belangen dan de afdracht van de onder het beslag vallende gelden, worden gediend door deze vordering, die er mede toe strekt dat wordt bepaald in hoeverre de door Overdie gelegde verklaring juist is geweest.

De in het tussenvonnis van 11 april 2012 genomen eindbeslissing en de beoordeling van het verzoek van Overdie om hierop terug te komen

3.9. In het tussenvonnis van 11 april 2012 is, kort gezegd, overwogen dat:

a.[B] in zijn vordering kan worden ontvangen; (4.1.)

b.in ieder geval onder het beslag valt een bedrag van € 30.603,90, zijnde het saldo van de tot 6 september 2011 verschuldigde huurpenningen; (4.3.)

c.daarnaast onder het beslag valt de vanaf 6 september 2011 tot aan de rechtsgeldige beëindiging van de huurovereenkomst verschuldigd geworden huurpenningen; (4.3.)

d.de huurovereenkomst nog steeds bestaat; (4.3.)

e.de vrees van Overdie dat Chranita B.V. in de toekomst zal tekortschieten in de nakoming van de met Overdie gesloten overeenkomsten geen beroep op opschorting rechtvaardigt; (4.5-4.7)

f.op Overdie de verplichting rust het genoemde bedrag van € 30.603,90 af te dragen; (4.8.)

g.Overdie geen beroep toekomt op verrekening van haar toekomstige vorderingen op Chranita B.V.; (4.9.)

h.Overdie wel een beroep toekomt op verrekening van de lopende aan Chranita B.V. verschuldigde huurtermijnen met de over dezelfde periode door Chranita B.V. aan Overdie verschuldigde rente inzake de leningovereenkomst, zij het vanaf september tot en met oktober 2011, de beëindigingdatum van de leningovereenkomst; (4.10-4.11)

i.in deze procedure geen rekening zal behoeven te worden gehouden met eventueel door Chranita B.V. aan Overdie verschuldigde wettelijke rente over het na beëindiging van de leningovereenkomst nog openstaande bedrag; (4.11)

j.uitgegaan kan worden van een maandelijks door Overdie aan Chranita B.V. verschuldigde huursom van € 16.594,96. (4.12)

3.10. Overdie heeft de kantonrechter verzocht terug te komen op de hierboven onder d, e en i weergegeven bindende eindbeslissingen.

3.11. Ten aanzien van de hierboven onder d weergegeven eindbeslissing wordt, zo nodig, in aanvulling op het tussenvonnis van 11 april 2011 het volgende overwogen.

Overdie stelt dat zij bij brief van 24 november 2011 (productie 24 bij conclusie van antwoord) de ontbinding van de huurovereenkomst heeft ingeroepen. Deze ontbinding volgt op een daaraan voorafgaande brief van Chranita B.V. (productie 23 bij conclusie van antwoord), waarin deze zegt niet meer aan de verplichtingen uit de koopovereenkomst en de financieringsovereenkomst te zullen voldoen.

3.12. De mededelingen van Chranita B.V. rechtvaardigen naar het oordeel van de kantonrechter niet dat Overdie de met Chranita B.V. gesloten huurovereenkomst ontbindt. Daargelaten dat Overdie de koopovereenkomst met Chranita N.V. en niet met Chranita B.V. (zie 2.2.) heeft gesloten en Chranita B.V. om deze reden niet met de nakoming van deze overeenkomst in gebreke kan komen, is niet duidelijk geworden van welke uit de koopovereenkomst ten behoeve van Overdie aangegane verplichting de nakoming in gevaar zou zijn geraakt. [B] heeft namelijk bij repliek onweersproken naar voren gebracht dat aan alle uit de koopovereenkomst voortvloeiende financiële verplichtingen is voldaan, zij het deels door middel van een door Overdie aan Chranita B.V. verstrekte financiering.

3.13. Ten aanzien van de financieringsovereenkomst wordt overwogen dat ontbinding daarvan niet noodzakelijkerwijs hoeft te leiden tot ontbinding van de huurovereenkomst. Hiervoor is vereist dat deze overeenkomsten zozeer met elkaar zijn verbonden dat de ontbinding van de leningovereenkomst tot gevolg heeft dat de huurovereenkomst evenmin in stand kan blijven. Of die verbondenheid in dit geval dient te worden aanvaard, is afhankelijk van de uitleg van de rechtsverhouding in de gegeven omstandigheden van het geval. Niet kan worden ontkend dat beide overeenkomsten in enige mate met elkaar samenhangen. De leningovereenkomst is namelijk gesloten om Chranita B.V. in staat te stellen om te voldoen aan de op Chranita N.V. rustende verplichting om de in de koopovereenkomst bepaalde koopsom aan Overdie te voldoen. Echter kon ten medio november 2011 nog niet worden uitgesloten de mogelijkheid dat Chranita B.V., na het wegvallen van de financiering door Overdie, die slechts een gedeelte van de totale financiering voor de verkrijging van het perceel betrof, elders aanvullende financiering zou verkrijgen.

Derhalve blijft bij de verdere beoordeling overeind staan het uitgangspunt dat de huurovereenkomst nog steeds bestaat.

3.14. Ten aanzien van de hierboven onder e. weergegeven eindbeslissing heeft het volgende te gelden. Overdie stelt dat in het tussenvonnis van 11 april 2012 ten onrechte is voorbijgegaan aan het aan Overdie toekomende beroep op opschorting. Overdie zou bevoegd zijn geweest tot opschorting van de op haar rustende uit de huurovereenkomst voortvloeiende verplichtingen. Dit vanwege een op dat moment toekomstige regresvordering die Overdie op Chranita B.V. zou verkrijgen als gevolg van de uitwinning door ING van de ten behoeve van haar gevestigde derdenhypotheek.

3.15. De kantonrechter overweegt als volgt.

Reeds in het tussenvonnis van 11 april 2012 onder 4.9. is al geoordeeld dat verrekening slechts aan de orde is bij opeisbare vorderingen en niet bij mogelijke toekomstige vorderingen. Dit uitgangspunt geldt ook bij de beoordeling van de door Overdie aangevoerde bevoegdheid tot opschorting. Op dit uitgangspunt zijn enkele uitzonderingen, welke zijn opgesomd in artikel 6:80 BW, maar geen van deze uitzonderingen zijn hier destijds van toepassing geweest, ook niet de onder sub a van dit artikel weergegeven uitzondering. Hiervoor is namelijk vereist dat op het moment van de opschorting vast heeft gestaan dat nakoming zonder tekortkoming door Chranita B.V. onmogelijk zal zijn.

3.16. In dat kader wordt voorbijgegaan aan de in de pleitnota onder 11 geponeerde stelling van Overdie dat het voor haar destijds onmiddellijk duidelijk was dat Chranita B.V. in gebreke zou zijn met de voldoening van haar verplichtingen jegens Overdie en ING. Deze stelling, die iedere mogelijkheid dat Chranita B.V. wel aan haar verplichtingen zou blijven voldoen, uitsluit, is op dit essentiële punt namelijk in tegenspraak met hetgeen Overdie eerder in deze procedure heeft betoogd. Zo spreekt zij onder 22 van de conclusie van antwoord van “een reële kans” dat ING de derdenhypotheek gaat executeren als gevolg waarvan Overdie een vordering op Chranita B.V. zal verkrijgen. Daarnaast meldt Overdie onder 15 in haar conclusie van dupliek dat ING medio januari 2012 nog bereid was het krediet aan te houden, mits alle huidige problemen worden opgelost, hetgeen aldus Overdie in haar conclusie, nog “een hele dobber” zal worden.

3.17. De omstandigheid dat de vrees van Overdie inmiddels bewaarheid is geworden, in die zin dat ING zich tot Overdie heeft gewend, omdat Chranita B.V. niet in staat was om aan de op haar rustende financiële verplichtingen aan ING te voldoen, leidt niet tot een ander oordeel. Op de gevolgen hiervan wordt hierna onder 3.21. e.v. nader ingegaan.

3.18. Ten aanzien van de hierboven onder i. weergegeven eindbeslissing wordt het volgende overwogen. De kantonrechter ziet in het door Overdie gestelde geen aanleiding om hierop terug te komen, behoudens het navolgende. Ook de inhoud van de namens Overdie op 21 mei 2012 aan Chranita B.V. verzonden brief (zie 2.5.) leidt niet tot een ander oordeel. Dat sprake is van een wijziging van de omstandigheden die aan de betreffende eindbeslissing ten grondslag hebben gelegen, leidt op zich nog niet tot een gehoudenheid van de kantonrechter om deze beslissing te herzien. De kantonrechter is immers in beginsel gebonden aan deze beslissing, welke gebondenheid voortkomt uit het belang om het processuele debat in de lopende procedure te beperken tot die aangelegenheden waarover nog niet bindend is geoordeeld. Om deze reden kan pas een uitzondering op de gebondenheid aan deze beslissing worden gemaakt indien de wijziging van die omstandigheden waarop Overdie zich beroept (in dit geval de inhoud van de brief van 21 mei 2012) ertoe leidt dat onverkorte handhaving van deze eindbeslissing naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Van een dergelijke onaanvaardbaarheid is geen sprake. Hieraan staat in de weg dat Overdie, naar aanleiding van de inhoud van het tussenvonnis van 11 april 2012, aanleiding heeft gezien tot verzending van deze brief. Hiermee heeft zij zelf de hand gehad in de wijziging van de omstandigheden waarop de bindende eindbeslissing berust, kennelijk met als doel om het inmiddels afgesloten onderdeel van het processuele debat over de verrekening te heropenen.

De verdere beoordeling/ verrekening van contractuele rente over het door Overdie aan Chranita B.V. geleende bedrag

3.19. Ter vaststelling van het rentebedrag dat in mindering op de na 6 september 2011 verschuldigde huurtermijnen dient te worden gebracht, heeft de kantonrechter partijen in de gelegenheid gesteld zich hierover uit te laten, hetgeen partijen hebben gedaan. Gelet op de inhoud van de over en weer hierover gedane mededelingen is niet in geschil dat de rentebetalingen die Chranita B.V. aan Overdie diende te voldoen, voor zover deze in mindering strekken op de huurtermijnen moeten worden begroot op € 6.484,50 respectievelijk € 6.570,67. Blijkens de hiertoe door Overdie aan Chranita B.V. verzonden facturen, door Overdie als productie 39 bij haar op 23 mei ingediende “akte overlegging producties tevens houdende verzoek tot heroverweging eindbeslissingen” in het geding gebracht en door [B] niet bestreden, zijn deze bedragen verrekend met de na de datum van de beslaglegging verschuldigd geworden huurtermijnen.

3.20. [B] heeft zich bij pleidooi nog op het standpunt gesteld dat verrekening van de rente niet mogelijk is, omdat de lening van Overdie aan Chranita B.V. is achtergesteld bij de lening van ING aan Chranita B.V. Hieraan wordt voorbijgegaan. Deze achterstelling berust op een overeenkomst tussen Overdie en ING, waaraan [B], zijnde een derde niet bij deze overeenkomst betrokken partij, geen rechten aan kan ontlenen.

Verrekening ingevolge de betaling van Overdie aan ING ter voorkoming van uitwinning derdenhypotheek

3.21. Overdie heeft gemotiveerd gesteld dat ING zich met een beroep op de derdenhypotheek tot Overdie heeft gewend en dat Overdie daarna zich genoodzaakt heeft gezien om het door Chranita B.V. aan ING verschuldigde bedrag van € 2.400.000,00 te voldoen. Deze stelling heeft Overdie daarnaast gestaafd door middel van het overleggen van documenten, waarvan de kern hierboven is opgenomen onder 2.6. tot en met 2.13.. Uit deze stukken blijkt dat Overdie het ter voorkoming van de uitwinning van de derdenhypotheek aan ING te betalen bedrag heeft gefinancierd door middel van een lening bij ING, ter zekerheid waarvoor zij een hypotheek op het nog steeds aan haar toebehorende perceel te [plaats] heeft gevestigd. Gelet op één en ander is de kale betwisting bij gebrek aan wetenschap door [B], zoals gedaan bij pleidooi, onvoldoende gemotiveerd. Derhalve kunnen deze stellingen van Overdie als vaststaand worden aangenomen.

3.22. Overdie stelt zich dus terecht op het standpunt dat zij een opeisbare vordering op Chranita B.V. verkrijgt, welke vordering zij vanaf 24 september 2012 met de verschuldigde huurtermijnen kan verrekenen.

3.23. Het tegen de verrekening door [B] gedane beroep op artikel 6:135 sub b faalt, omdat geen van de te verrekenen vorderingen van Overdie en Chranita B.V. zien op vergoeding van schade.

Resumé van hetgeen onder het beslag valt

3.24. Uit hetgeen in het tussenvonnis van 11 april 2012 en hiervoor is overwogen valt het volgende af te leiden:

(i)Onder het beslag valt een bedrag van € 30.603,90, zijnde het saldo van de tot 6 september 2011 verschuldigde huurpenningen. Bij gebrek aan nadere informatie kan ervan uit worden gegaan dat dit inclusief de tot en met september 2011 verschuldigde huur is.

(ii)Daarnaast valt onder het beslag een bedrag van € 16.3594,96 per maand bij vooruitbetaling vanaf 1 oktober 2011 tot 9 oktober 2012, waarbij wordt aangetekend dat de over oktober 2012 verschuldigde huur geheel onder het beslag valt, nu de gehele huur maandelijks bij vooruitbetaling verschuldigd is.

(iii)Dat op het onder (ii) bepaalde bedrag ter verrekening eenmalig in mindering mag worden gebracht € 6.484,50 en € 6.570,67.

(iv)Dat vervolgens de vanaf 24 september 2012 opeisbaar geworden huurtermijnen mogen worden verrekend met de regresvordering van Overdie op Chranita B.V. van € 2.400.000,00.

3.25. Nu hierboven reeds is vastgesteld welke gelden onder het derdenbeslag vallen, heeft [B] geen belang meer bij zijn vordering tot veroordeling van Overdie tot het doen/aanvullen van een verklaring. De hiertoe strekkende vordering van [B] ligt voor afwijzing gereed.

3.26. Alle door [B] ingestelde vorderingen liggen voor afwijzing gereed. Desondanks zal Overdie in de proceskosten van [B] worden veroordeeld. Hieraan ligt ten grondslag dat Overdie een onjuiste verklaring derdenbeslag heeft afgegeven en tot op heden heeft volhard in haar weigering om deze verklaring op deugdelijke wijze aan te vullen en om de onder het beslag liggende gelden af te dragen. Deze handelwijze heeft [B] genoodzaakt tot het entameren van deze procedure, met alle kosten van dien.

3.27. Geen grond bestaat echter voor de door [B] gevorderde vergoeding van Overdie in de nakosten. De gevorderde veroordeling in de nakosten wordt afgewezen. Dergelijke kosten dienen na afloop van de procedure te worden begroot volgens de bijzondere procedure die is voorgeschreven in artikel 237 lid 4 Rv.

3.28. Overdie heeft verzocht om een eventueel veroordelend vonnis niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren of om Overdie uitsluitend te veroordelen tot betaling na een deugdelijke zekerheidsstelling door [B].

Nu uit het voorgaande volgt dat de veroordeling van Overdie slechts betrekking heeft op de proceskosten van [B], heeft Overdie onvoldoende belang hierbij. [B] wordt vermoed belang te hebben bij de uitvoerbaar bij voorraadverklaring van de veroordeling van Overdie in de proceskosten. Overdie heeft een eventueel restitutierisico dat tegenover het belang van [B] kan worden gesteld, onvoldoende geconcretiseerd. Aan het verzoek van Overdie zal niet worden voldaan.

4. De beslissing

De kantonrechter:

Wijst de vorderingen af.

Veroordeelt Overdie in de proceskosten, die tot heden voor [B] worden vastgesteld op een bedrag van € 2.561,81 (€ 101,81 aan dagvaardingskosten, € 426,00 aan griffierecht en een bedrag van € 2.034,00 (4,5x € 452,00) voor salaris van de gemachtigde van [B]).

Verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.M. van der Linde, kantonrechter, bijgestaan door

mr. W.Th.Delleman als griffier en bij vervroeging op 24 oktober 2012 in het openbaar uitgesproken.