Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2012:BY5421

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
06-12-2012
Datum publicatie
06-12-2012
Zaaknummer
14.701048-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Adolescentenstrafzaken. Op 6 december heeft de rechtbank Alkmaar uitspraak gedaan in de zaken van 11 verdachten in de leeftijd van 16 tot 22 jaar. Een twaalfde verdachte was reeds eerder vrijgesproken.

5 uitspraken, betreffende 4 verdachten, worden op deze site gepubliceerd.

In déze zaak is een 18-jarige man veroordeeld wegens het medeplegen van de voorbereiding van een gewapende overval en het medeplegen van een woningdiefstal onder misbruik van vertrouwen.

De rechtbank heeft niet overgenomen het verzoek van de verdediging, inhoudende toepassing van het sanctierecht voor jeugdigen. Veroordeling tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden, waarvan 5 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren waaraan verbonden de bijzondere voorwaarde van reclasseringstoezicht en deelname aan een intake bij de Divisie Forensische Psychiatrie van de GGZ Noord-Holland.

Samenhang met de heden onder nummer BY5419 gepubliceerde zaak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FJR 2013/89.2

Uitspraak

RECHTBANK ALKMAAR

Sector straf

Parketnummer: 14.701048-12 (P)

Datum uitspraak: 6 december 2012

TEGENSPRAAK

VONNIS van de rechtbank Alkmaar, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak van het

OPENBAAR MINISTERIE

tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum]1994,

ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens op het adres [adres, postcode, woonplaats],

thans gedetineerd te P.I. Noord Holland Noord - HvB Zwaag te Zwaag.

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 13 september 2012, 13 november 2012 en 22 november 2012.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen door de raadsman van verdachte, mr. M. de Geest, advocaat te Heerhugowaard, en door verdachte naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat

1.

Zaak 45:

hij op of omstreeks 30 maart 2012 te Zuid-Scharwoude, gemeente Langedijk, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, ter voorbereiding van het misdrijf/de misdrijven diefstal met geweld en/of afpersing (bij en/of van een [naam benzinestation] benzinestation), opzettelijk een hamer en/of een masker en/of een (op een) pistool (gelijkend voorwerp) en/of een mes en/of één of meer bivakmutsen bestemd tot het begaan van dat misdrijf/die misdrijven, heeft verworven en/of vervaardigd en/of ingevoerd en/of doorgevoerd en/of uitgevoerd en/of voorhanden heeft gehad;

2.

Zaak 18:

Primair

hij in of omstreeks de periode van 4 februari 2012 tot en met 11 april 2012 in de gemeente Langedijk, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een grijze kluis heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij en/of zijn mededader(s) ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van die kluis wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden, dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;

Subsidiair

hij in of omstreeks de periode van 4 februari 2012 tot en met 11 april 2012 in de gemeente Langedijk, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, van een voorwerp, te weten een grijze kluis, de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld, althans heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op dat voorwerp was, of wie bovenomschreven voorwerp voorhanden had, terwijl hij en/of zijn mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden, dat dat voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf;

3.

Zaak 34:

Primair

hij op of omstreeks 18 maart 2012 te 't Veld, gemeente Hollands Kroon, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit de woning [adres] heeft weggenomen een Seiko horloge en/of een Samsung chat 355 telefoon en/of een geldbedrag van 20,- euro, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s);

Subsidiair

[medeverdachte 4] (geboren op [geboortedatum] 1990) en/of één of meer anderen op of omstreeks 18 maart 2012 te 't Veld, gemeente Hollands Kroon, tezamen en in vereniging met elkaar of met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit de woning [adres] heeft/hebben weggenomen een Seiko horloge en/of een Samsung chat 355 telefoon en/of een geldbedrag van 20,- euro, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),

tot en/of bij het plegen van welk misdrijf/welke misdrijven verdachte op of omstreeks 18 maart 2012 te 't Veld, gemeente Hollands Kroon, en/of elders in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft, hebbende verdachte en/of (één van) verdachtes mededader(s) (terwijl de/een bewoonster van die woning in een jacuzzi-bad zat)

* de voordeur van die woning van het slot afgehaald en/of geopend en/of

* die bewoonster (zo lang mogelijk) in het bad aan de praat gehouden en/of

* één of meer berichten doorgegeven naar die [medeverdachte 4] en/of die ander(en) omtrent de bevindplaats van die bewoonster.

Voor zover in de tenlastelegging taal- of schrijffouten voorkomen, worden deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet geschaad in de verdediging.

3. De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4. Overweging ten aanzien van het bewijs

4.1 Inleiding

Door de politie is onder de naam 10Hert een onderzoek gestart naar aanleiding van een grote toename van het aantal woninginbraken in de regio Noord-Holland Noord. De verdenking bestaat dat een aantal jongemannen van de familie [familienaam] – waaronder verdachte – samen met enkele anderen, in wisselende samenstellingen, daarvoor verantwoordelijk is.

Verdachte wordt in de onderhavige zaak, kort gezegd, verweten dat hij zich – telkens met een ander of anderen – schuldig heeft gemaakt aan het voorbereiden van een gewapende overval, de heling subsidiair het witwassen van een kluis en de diefstal in een woning subsidiair medeplichtigheid daaraan.

4.2 Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat alle aan verdachte ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend kunnen worden bewezen, met dien verstande dat de officier van justitie het onder 2 primair en 3 primair tenlastegelegde bewezen acht.

4.3 Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het onder 2 primair en subsidiair en 3 primair tenlastegelegde. Ten aanzien van de overige feiten heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

4.4 Beoordeling van de tenlastelegging door de rechtbank

Feit 1 [zaak 45]

Op grond van:

- de bekennende verklaring van verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering, ter terechtzitting van 13 november 2012 afgelegd;

- het ambtsedig opgemaakte proces-verbaal van verhoor van de medeverdachte [medeverdachte 11], gedateerd 9 mei 2012, Map B dossierpagina 661 tot en met 664;

- het ambtsedig opgemaakte proces-verbaal van verhoor van de medeverdachte [medeverdachte 2], gedateerd 18 april 2012, Map B dossierpagina 54 en 55;

- het ambtsedig opgemaakte proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [naam verbalisant], gedateerd 8 mei 2012, Map Z dossierpagina 1012;

heeft de rechtbank de overtuiging bekomen dat verdachte op 30 maart 2012 te Zuid-Scharwoude, gemeente Langedijk, tezamen en in vereniging met anderen voorbereidingen heeft getroffen voor het plegen van een gewapende overval op een [naam benzinestation] benzinestation.

Feit 2 [zaak 18]

Uit het dossier blijkt dat de kluis bij een woninginbraak op 24 januari 2012 te Noord-Scharwoude, gemeente Langedijk, is weggenomen. De kluis is op 11 april 2012 bij de doorzoeking van de woning van verdachte gelegen aan de [adres verdachte], aangetroffen op zolder. Verdachte heeft op de terechtzitting van 13 november 2012 verklaard dat zijn zus [naam zus] en zijn vader de kluis op zolder in de kamer van zijn broer [medeverdachte 11] hebben gevonden. Verder heeft verdachte verklaard dat hij de kluis al eerder heeft gezien. Toen hij aan zijn broer [medeverdachte 11] vroeg waar de kluis vandaan kwam, zei zijn broer dat hij zich er niet mee moest bemoeien.

De rechtbank is van oordeel dat uit het onderzoek ter terechtzitting niet blijkt dat verdachte de feitelijke zeggenschap over de kluis heeft gehad. Het enkele feit dat de kluis in de woning van het gezin van verdachte en op de kamer van een van zijn broers, is aangetroffen, is daarvoor niet voldoende. Evenmin kan op basis van de voorhanden bewijsmiddelen worden vastgesteld dat verdachte de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing van de kluis heeft verborgen en/of verhuld dan wel dat verdachte heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op die kluis was.

Gelet op het voorgaande zal de rechtbank verdachte vrijspreken van het onder 2 primair en subsidiair tenlastegelegde.

Feit 3 primair [zaak 34]

Op grond van:

- de bekennende verklaring van verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering, ter terechtzitting van 13 november 2012 afgelegd;

- het ambtsedig opgemaakte proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer], gedateerd 20 april 2012, Map Z dossierpagina 569 en 570;

- het ambtsedig opgemaakte proces-verbaal van verhoor van de getuige [naam getuige), gedateerd 5 mei 2012, Map Z dossierpagina 590 tot en met 592;

heeft de rechtbank de overtuiging bekomen dat verdachte op 18 maart 2012 te 't Veld, gemeente Hollands Kroon, tezamen en in vereniging met anderen, in de woning van [slachtoffer] een horloge, een telefoon en geld hebben weggenomen.

5. Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van voornoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

[zaak 45]

hij op 30 maart 2012 te Zuid-Scharwoude, gemeente Langedijk, tezamen en in vereniging met anderen, ter voorbereiding van de misdrijven diefstal met geweld en/of afpersing bij een [naam benzinestation], opzettelijk een hamer en een masker en een op een pistool gelijkend voorwerp en een mes en een bivakmuts bestemd tot het begaan van dat misdrijf/die misdrijven, voorhanden heeft gehad;

3.

[zaak 34]

Primair

hij op 18 maart 2012 te 't Veld, gemeente Hollands Kroon, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in de woning [adres] heeft weggenomen een Seiko horloge en een Samsung chat 355 telefoon en een geldbedrag van 20,- euro, toebehorende aan een ander of anderen dan aan verdachte en zijn mededaders.

6. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Er zijn geen feiten en omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten, zodat dit strafbaar is.

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1:

Voorbereiding van afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;

en/of

voorbereiding van diefstal vergezeld van geweld gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

Ten aanzien van feit 3 primair:

Diefstal door twee of meer verenigde personen.

7. De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar nu niet gebleken is van enige omstandigheid die de strafbaarheid uitsluit.

8. De strafoplegging

8.1 Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 2,5 jaar met aftrek van voorarrest. De officier van justitie heeft daarbij opgemerkt dat de bijzondere voorwaarden, die de reclassering heeft geadviseerd op te leggen, in het kader van de voorwaardelijke invrijheidsstelling aan verdachte kunnen worden opgelegd.

8.2 Standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft verzocht rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte die blijken uit de over verdachte opgemaakte rapporten. Op basis daarvan verzoekt de raadsman het jeugdstrafrecht toe te passen.

De raadsman is van mening dat de oplegging van een onvoorwaardelijke jeugddetentie gelijk aan de duur die verdachte in voorarrest heeft gezeten passend is. De jeugddetentie kan aangevuld worden met een voorwaardelijk gedeelte met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarde dat verdachte zich houdt aan de aanwijzingen die hem door de reclassering zullen worden gegeven.

8.3 Oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon van verdachte. De rechtbank heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De feiten

Verdachte heeft samen met anderen voorbereidingen getroffen voor het plegen van een gewapende overval gepleegd op een tankstation. Verdachte en zijn mededaders zijn daarbij, getooid met gezichtsbedekkend materiaal en wapens, naar het tankstation gegaan. Dat het bij voorbereidingshandelingen is gebleven is te danken aan de onverwachte aanwezigheid van een krantenbezorger. Een feit als een gewapende overval, zoals door verdachte en zijn mededaders beraamd en voorbereid, heeft niet alleen een hevige impact op de slachtoffers, maar veroorzaakt tevens gevoelens van angst en onveiligheid binnen de samenleving in het algemeen.

Voorts heeft verdachte samen met anderen, terwijl zij door een vriendin van verdachte waren uitgenodigd om gebruik te maken van de jacuzzi, diverse goederen weggenomen in de woning van deze vriendin. Verdachte en zijn mededaders zijn met het vooropgezet plan om te gaan stelen naar de woning van die vriendin gegaan. Terwijl zij en haar aanwezige vriendin aan de praat werden gehouden, is het huis doorzocht en zijn diverse goederen gestolen. Verdachte heeft hierdoor ernstig misbruik gemaakt van de geboden gastvrijheid en van het vertrouwen dat deze vriendin in hem had gesteld.

De persoon van verdachte

Uit het op naam van verdachte staande Uittreksel Justitiële Documentatie, gedateerd 12 april 2012, blijkt dat verdachte in 2011 door de Kinderrechter eerder is veroordeeld wegens een vermogensdelict. Dat verdachte ten tijde van de onderhavige feiten nog in de proeftijd van die eerdere veroordeling liep heeft hem er kennelijk niet van weten te weerhouden te recidiveren.

Voorts heeft de rechtbank acht geslagen op het rapport van Reclassering Nederland gedateerd 11 juli 2012 opgesteld door mevrouw M. Helderman. Uit dit rapport blijkt dat bij verdachte sprake is van een matig probleembesef. Hij kan een aantal problemen goed benoemen, maar zijn probleemhantering is slecht. Op vrijwel alle leefgebieden heeft hij zijn zaken onvoldoende op orde. Hierbij lijkt hij externe structuur, stimulering en motivatie nodig te hebben. Verdachte heeft bij de reclassering aangegeven mee te willen werken aan de sanctie ook als dit inhoudt een reclasseringstoezicht. Verdachte heeft aangegeven niet meer met justitie in aanraking te willen komen maar zal dit in zijn gedrag moeten laten zien. Verdachte heeft een pro criminele houding doordat hij met en zonder anderen gestolen heeft, zelfs op meerdere stageplaatsen.

Vanuit de volwassenenreclassering is contact opgenomen met mevrouw F. Sout van Bureau Jeugdzorg, die verdachte ook thans nog begeleidt. Zij heeft aangegeven aan dat tijdens het toezicht is ingezet op scholing en werk. Verdachte heeft een doel voor ogen nodig om gemotiveerd te blijven. Zelf heeft verdachte aangegeven aan graag iets met sport te willen doen, maar helaas heeft hij ook bij een stage op een sportschool gestolen waardoor dit is mislukt. De reclassering acht het risico op recidive hoog.

De reclassering heeft een plan van aanpak opgesteld dat met genoemde jeugd-reclasseerder is besproken. Mevrouw Sout heeft opgemerkt dat zij denkt dat behandeling bij de FPA (een afdeling van de Divisie Forensische psychiatrie, hierna ook te noemen: DFP) wenselijk is om meer inzicht te krijgen in het (vermogens)delictgedrag van verdachte. Gelet op het voorgaande heeft Reclassering Nederland geadviseerd om, bij een veroordeling, verdachte een (gedeeltelijk) voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen met als bijzondere voorwaarden dat hij zich dient te houden aan een meldplicht bij Reclassering Nederland en dat hij zal meewerken aan een intake bij de DFP van de GGZ Noord-Holland, of soortgelijke instelling, en aan een eventueel daaruit voortvloeiende behandeling.

Toepassing volwassenenstrafrecht of jeugdstrafrecht

Verdachte was ten tijde van het plegen van de bewezen verklaarde feiten 18 jaar oud. In beginsel wordt ten aanzien van meerderjarige daders het volwassenenstrafrecht toegepast. De raadsman heeft verzocht conform artikel 77c van het Wetboek van Strafrecht (Sr) het sanctierecht voor jeugdigen toe te passen. In dit kader heeft de rechtbank het volgende in beschouwing genomen.

De rechtbank stelt vast dat aan het standpunt van de raadsman geen rapportages ten grondslag liggen waaruit kan worden opgemaakt dat de persoon van verdachte grond kan zijn voor toepassing van het jeugdstrafrecht. Integendeel heeft mevrouw Sout voornoemd op de terechtzitting van 13 november 2012 te kennen gegeven dat verdachte volgens haar leeftijdsadequaat functioneert.

De rechtbank zal verdachte derhalve berechten volgens het volwassenenstrafrecht.

Gevangenisstraf

De rechtbank is op grond van de aard en de ernst van het bewezenverklaarde van oordeel dat slechts een straf die vrijheidsbeneming met zich brengt, passend is. Met betrekking tot de duur van de op te leggen gevangenisstraf overweegt de rechtbank het volgende.

Blijkens het vonnis van deze rechtbank van heden met parketnummer 14.810163-12 heeft verdachte zich op 22 december 2010 schuldig gemaakt aan het plegen van een poging tot een gewapende overval met gebruikmaking van twee messen. Ruim een jaar later treft verdachte vervolgens voorbereidingen tot het plegen van wederom een gewapende overval. Daarbij wordt ditmaal niet alleen een mes meegenomen, maar ook een hamer en een op een pistool gelijkend voorwerp. Evenals de vorige overval heeft ook deze overval geen doorgang gevonden vanwege een omstandigheid buiten de wil van verdachte en zijn mededaders om. De rechtbank heeft bij de strafoplegging in aanmerking genomen de omstandigheden waaronder de overval zou hebben plaatsgevonden indien de overval wel doorgang had gevonden, waaronder het samenwerkingsverband tussen verdachte en zijn mededaders en aard van de diverse wapens die zij hadden meegenomen.

Ten aanzien van het onder 3 bewezenverklaarde acht de rechtbank bewezen dat verdachte een groter aandeel heeft gehad in de diefstal dan hij zelf heeft doen voorkomen. Blijkens de verklaringen in het dossier is het namelijk verdachte geweest die de deur voor zijn medeverdachten heeft opengezet, vanuit de jacuzzi heeft gepingd naar zijn mededaders dat de deur open was en dat zij naar binnen konden gaan om geld en/of goederen weg te nemen. Hoewel bij de diefstal geen sprake is geweest van braak, verbreking of inklimming is de rechtbank van oordeel dat deze vorm van diefstal zeker niet als minder ernstig moet worden dan een woninginbraak.

Voorts heeft de rechtbank bij het bepalen van de hoogte van de straf als uitgangspunt genomen de oriëntatiepunten straftoemeting, zoals deze zijn vastgesteld in het Landelijk overleg van voorzitters van de strafsectoren van de gerechtshoven en rechtbanken. Volgens deze oriëntatiepunten is de oplegging een gevangenisstraf met een duur van twee jaar voor een voltooide overval onder bedreiging passend. Daarnaast is volgens deze oriëntatiepunten voor een woninginbraak de oplegging van een gevangenisstraf van 3 maanden passend voor een first offender en een gevangenisstraf van 5 maanden passend bij recidive.

Gelet op de feiten die de rechtbank van bij vonnis heden met parketnummer 14.810163-12 bewezen heeft verklaard alsmede zijn documentatie, kan verdachte naar het oordeel van de rechtbank niet als first offender worden gezien. Gelet echter op datzelfde vonnis, waarbij de rechtbank verdachte heeft veroordeeld tot een onvoorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van 12 maanden, is artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de oplegging van een gevangenisstraf van langere duur passend en geboden is. Daar staat tegenover dat de rechtbank het van groot belang acht dat verdachte zal worden begeleid door de reclassering en, indien geïndiceerd, de behandeling zal volgen bij de DFP, zoals door zowel de jeugdreclassering als door Reclassering Nederland wordt geadviseerd. Derhalve zal de rechtbank volstaan met het opleggen van een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden waarvan 5 maanden voorwaardelijk, met aftrek van voorarrest, met een proeftijd van twee jaren. Aan de proeftijd wordt de bijzondere voorwaarde gekoppeld dat verdachte zich zal houden aan de aanwijzingen van Reclassering Nederland, met een meldplicht, en dat verdachte zal meewerken aan een intake bij de DFP van de GGZ Noord-Holland, of soortgelijke instelling, en aan een eventueel daaruit voortvloeiende behandeling.

9. Vordering van de benadeelde partij

9.1 De vordering

De benadeelde partij [slachtoffer], heeft vóór aanvang van de terechtzitting in het geding over de strafzaak bij de officier van justitie opgave gedaan van de inhoud van de vordering tot vergoeding van € 109,19 wegens materiële schade die verdachte en zijn mededaders met betrekking tot het onder 3 tenlastegelegde aan de benadeelde partij hebben toegebracht.

9.2 Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie is van mening dat de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] hoofdelijk dient te worden toegewezen, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

9.3 Standpunt van de verdediging

De raadsman refereert zich ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] aan het oordeel van de rechtbank.

9.4 Oordeel van de rechtbank

Uit het onderzoek op de terechtzitting is gebleken dat de behandeling van de vordering van de benadeelde partij geen onevenredige belasting van het strafgeding oplevert zodat deze zich leent voor behandeling in deze strafzaak.

Nu voorts is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor in de rubriek BEWEZENVERKLARING onder 3 bewezen verklaarde strafbare feit, door de handelingen van verdachte, ook al zijn daar andere daders bij betrokken, rechtstreeks schade heeft geleden tot het gevorderde bedrag, kan de vordering worden toegewezen.

Verdachte en zijn mededaders dienen daarnaast te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak moet maken.

10. Schadevergoeding als maatregel

De rechtbank heeft tot het opleggen van de hierna te noemen maatregel besloten omdat verdachte naar het oordeel van de rechtbank jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door de in de rubriek BEWEZENVERKLARING onder 3 bewezen verklaarde strafbare feiten is toegebracht aan de benadeelde. De toepassing van hechtenis, bij gebreke van voldoening van de verschuldigde bedragen, heft de opgelegde verplichtingen niet op.

11. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 36f, 46, 57, 63, 310, 311, 312 en 317 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

12. Beslissing

De rechtbank:

• Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 2 primair en subsidiair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij.

• Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 en onder 3 primair tenlastegelegde, zoals hierboven in de rubriek BEWEZENVERKLARING aangeduid, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven in de rubriek BEWEZENVERKLARING bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het bewezenverklaarde oplevert de hierboven in de rubriek STRAFBAARHEID VAN HET BEWEZENVERKLAARDE vermelde strafbare feiten.

Verklaart verdachte voor het bewezenverklaarde strafbaar.

• Veroordeelt verdachte voor het bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 (vijftien) maanden.

Beveelt dat van deze straf een gedeelte, groot 5 (vijf) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij later anders wordt beslist.

Stelt daarbij een proeftijd van twee jaren vast.

Stelt als algemene voorwaarden dat verdachte:

- zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Stelt als bijzondere voorwaarden dat verdachte:

- zich zal houden aan de aanwijzingen die verdachte zullen worden gegeven door of namens Reclassering Nederland, zolang deze instelling dit, in overleg met de officier van justitie te Alkmaar noodzakelijk oordeelt, ook indien inhoudende een meldplicht. Daartoe moet verdachte zich zo spoedig mogelijk na zijn detentie melden bij de reclassering te Alkmaar op het adres: Rubenslaan 2-6, 1816 MB Alkmaar. Hierna moet hij zich gedurende de proeftijd blijven melden zo frequent als de Reclassering te Alkmaar gedurende deze periode nodig acht;

- zal deelnemen aan een intake bij de Divisie Forensische Psychiatrie van de GGZ Noord-Holland, of soortgelijke instelling, en aan een eventueel daaruit voortvloeiende behandeling;

waarbij de reclassering opdracht wordt gegeven toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden, zolang deze instelling dit, in overleg met de officier van justitie te Alkmaar noodzakelijk oordeelt.

Bepaalt dat de tijd die door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke gedeelte van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.

• Wijst toe de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] tot het volgende bedrag.

Veroordeelt verdachte tot het betalen van een bedrag van € 109,19 (honderdnegen euro en negentien cent) als schadevergoeding.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten die de benadeelde partij tot op heden heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak moet maken.

De tot heden gemaakte kosten begroot de rechtbank op nihil.

Bepaalt dat verdachte niet tot betaling gehouden is indien en voor zover de verschuldigde bedragen reeds door zijn mededader zijn voldaan.

• Legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer] te betalen een som geld ten bedrage van € 109,19 (honderdnegen euro en negentien cent), bij gebreke van betaling en van verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 1 (één) dag.

Bepaalt dat betalingen door verdachte en/of zijn mededaders aan de benadeelde partij in mindering strekken op de betaling aan de Staat.

Bepaalt dat betalingen door verdachte en/of zijn mededaders aan de Staat in mindering strekken op de betaling aan de benadeelde partij.

Dit vonnis is gewezen door

mr. P.H.B. Littooy, voorzitter,

mr. A.S. van Leeuwen en mr. L. Boonstra, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. N.J. Ros, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 6 december 2012.