Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2012:BY5417

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
06-12-2012
Datum publicatie
12-12-2012
Zaaknummer
14.81022912
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Adolescentenstrafzaken. Op 6 december heeft de rechtbank Alkmaar uitspraak gedaan in de zaken van 11 verdachten in de leeftijd van 16 tot 22 jaar. Een twaalfde verdachte was reeds eerder vrijgesproken.

5 uitspraken, betreffende 4 verdachten, worden op deze site gepubliceerd.

In déze zaak is een 20-jarige man veroordeeld wegens opzetheling, meermalen gepleegd.

Overeenkomstig de eis van de officier van justitie en het standpunt van de verdediging is, gelet op de persoonlijkheid van de jong volwassene, ex artikel 77c Sr. het jeugdstrafrecht toegepast. De man is veroordeeld tot een gedeeltelijk voorwaardelijke jeugddetentie. Met het oog op een mogelijke tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk gedeelte is (reeds) aandacht besteed aan de mogelijke plaats van tenuitvoerlegging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FJR 2013/89.1

Uitspraak

RECHTBANK ALKMAAR

Sector straf

Parketnummer: 14.810229-12 + 14.811007-10 (tul) + 14.701963-10 (tul) (P)

Datum uitspraak: 6 december 2012

TEGENSPRAAK

VONNIS van de rechtbank Alkmaar, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak van het

OPENBAAR MINISTERIE

tegen:

[Verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens op het adres [adres en woonplaats].

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 13 september 2012, 16 november 2012 en 22 november 2012.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen door de raadsman van verdachte, mr. H. Blaauw, advocaat te Haarlem, dan wel diens waarnemer mr. M.A.J. van der Klaauw, advocaat te Haarlem, en door verdachte naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat

1.

Zaak 15:

Primair

hij in of omstreeks de periode van 31 december 2011 tot en met 1 januari 2012 te Zuid-Scharwoude, gemeente Langedijk, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit de woning [adres 1] heeft weggenomen een Ford autosleutel en/of een Panasonic fotocamera en/of een Mustek videocamera en/of een Lumix accu en/of een Nintendo DS en/of drie DS-spellen en/of een R4 card DS en/of een Nokia telefoontoestel en/of een Sony oplader en/of een ketting met oorbellen en/of een handgemaakte ketting en/of een djoeke ketting en/of een geldbedrag van (ongeveer) 95,- euro, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;

Subsidiair

hij in of omstreeks de periode van 31 december 2011 tot en met 7 februari 2012 in de gemeente(s) Langedijk en/of Alkmaar, in elk geval in Nederland, een Panasonic fotocamera heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van die camera wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;

2.

Zaak 24:

Primair

hij op of omstreeks 24 februari 2012 te Schoorl, gemeente Bergen (NH), tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit de woning [adres 2] heeft weggenomen een Htc DS telefoon en/of een Microsoft 360 spelcomputer en/of zes Microsoft computerspellen en/of vier dvd's en/of een HP Pavillion notebook en/of een Apple Nano MP-3-speler en/of een Specseavers bril en/of een horloge en/of een goudkleurige ring en/of twee Nokia telefoons en/of twee Samsung telefoons en/of een flatscreen televisie en/of een Samsung 10 fotocamera en/of een Eastpak rugzak en/of een Ti rekenmachine en/of twee studieboeken en/of een gele ketting en/of zes armbanden, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;

Subsidiair

hij in of omstreeks de periode van 24 februari 2012 tot en met 27 februari 2012 in de gemeente(s) Bergen (NH) en/of Alkmaar, in elk geval in Nederland, een HTC Desire S telefoon heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van die telefoon wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof.

Voor zover in de tenlastelegging taal- of schrijffouten voorkomen, worden deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet geschaad in de verdediging.

3. De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4. Overweging ten aanzien van het bewijs

4.1 Inleiding

Verdachte wordt in de onderhavige zaak, kort gezegd, verweten dat hij zich primair schuldig zou hebben gemaakt aan een tweetal woninginbraken. Indien niet bewezen wordt geacht dat verdachte de woninginbraken heeft gepleegd, dan luidt het verwijt dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan de opzetheling dan wel schuldheling van een fotocamera respectievelijk een mobiele telefoon, weggenomen bij die woninginbraken.

4.2 Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht niet bewezen dat verdachte de onder 1 primair en 2 primair ten laste gelegde woninginbraken heeft gepleegd en is van mening dat verdachte van die feiten dient te worden vrijgesproken. Wel acht de officier van justitie bewezen hetgeen verdachte onder 1 subsidiair en 2 subsidiair is ten laste gelegd, met dien verstande dat zij bewezen acht dat verdachte wist dat de goederen van misdrijf afkomstig waren.

4.3 Standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft eveneens bepleit verdachte vrij te spreken van het onder 1 primair en 2 primair tenlastegelegde. Daarnaast heeft de raadsman vrijspraak bepleit van de onder 1 subsidiair en 2 subsidiair tenlastegelegde opzethelingen.

Voor het overige heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

4.4 Beoordeling van de tenlastelegging door de rechtbank

Feit 1 [zaak 15]

Primair tenlastegelegde

Evenals de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat uit het onderzoek ter terechtzitting niet is gebleken dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder 1 primair tenlastegelegde woninginbraak. De rechtbank zal verdachte hiervan vrijspreken.

Subsidiair tenlastegelegde

Op 1 januari 2012 doet [slachtoffer 1] aangifte van een inbraak in zijn woning, gelegen aan de [adres 1] te Zuid-Scharwoude, waarbij onder andere een compact fotocamera, Panasonic, Dmct23 is weggenomen.

Op 7 februari 2012 controleert verbalisant [verbalisant 1] aan de hand van de serienummers de goederen op de inkooplijsten van de winkel [naam onderneming] te Alkmaar of deze van diefstal afkomstig zijn. Hieruit blijkt dat de camera, die door aangever [slachtoffer 1] als gestolen was opgegeven, op 18 januari 2012 door verdachte was ingeleverd.

Verdachte heeft op de terechtzitting van 16 november 2012 verklaard dat hij de camera voor zijn neef [medeverdachte 4] moest inleveren bij Naam onderneming] en hij daar geld voor zou krijgen. Verder heeft hij verklaard dat hij wist dat [medeverdachte 4] zich bezig hield met woninginbraken en dat hij eigenlijk wel wist dat het niet goed zat met de goederen. Omdat hij in geldnood zat heeft hij de camera toch aangenomen en ingeleverd.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan opzetheling van de camera.

Feit 2 [zaak 24]

Primair tenlastegelegde

Evenals de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat uit het onderzoek ter terechtzitting niet is gebleken dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder 2 primair tenlastegelegde woninginbraak. De rechtbank zal verdachte hiervan vrijspreken.

Subsidiair tenlastegelegde

Op 24 februari 2012 doet [slachtoffer 2] aangifte van een inbraak in zijn woning, gelegen aan de [adres 2] te Schoorl, waarbij onder andere een HTC DS telefoon is weggenomen.

Uit onderzoek blijkt dat de telefoon van aangever [slachtoffer 2] op 27 februari 2012 bij Naam onderneming] te Alkmaar is ingeleverd door verdachte in ruil voor € 60,-.

Verdachte heeft op de terechtzitting van 16 november 2012 verklaard dat hij de telefoon voor zijn neef [medeverdachte 4] moest inleveren bij Naam onderneming] en hij daar € 10,- voor zou krijgen. Verder heeft hij verklaard dat hij wist dat [medeverdachte 4] zich bezig hield met woninginbraken en dat hij eigenlijk wel wist dat het niet goed zat met de goederen. Omdat hij in geldnood zat heeft hij de telefoon toch aangenomen en ingeleverd.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan opzetheling van de telefoon.

5. Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van voornoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

zaak 15

Subsidiair

hij op 18 januari 2012 in de gemeente Alkmaar, een Panasonic fotocamera voorhanden heeft gehad en heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van die camera wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

2.

zaak 24

Subsidiair

hij op 27 februari 2012 in de gemeente Alkmaar, een HTC Desire S telefoon voorhanden heeft gehad en heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van die camera wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.

6. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Er zijn geen feiten en omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten, zodat dit strafbaar is.

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van de feiten 1 subsidiair en 2 subsidiair:

Telkens: opzetheling.

7. De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar nu niet gebleken is van enige omstandigheid die de strafbaarheid uitsluit.

8. De strafoplegging

8.1 Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft de rechtbank verzocht verdachte conform artikel 77c van het Wetboek van Strafrecht (Sr) te berechten volgens het jeugdstrafrecht. De officier van justitie heeft voorts gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van 60 dagen waarvan 22 dagen voorwaardelijk, met aftrek van voorarrest, met een proeftijd van twee jaren met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarde dat verdachte zich zal houden aan de aanwijzingen van Bureau Jeugdzorg afdeling Jeugdreclassering.

8.2 Standpunt van de verdediging

Ook de raadsman heeft verzocht artikel 77c Sr toe te passen. Gelet op het aantal dagen dat verdachte in voorarrest heeft gezeten, welke tijd voor hem in het Huis van Bewaring extra zwaar is geweest, is de raadsman van mening dat de oplegging van een straf gelijk aan het voorarrest passend is.

8.3 Oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon van verdachte.

De feiten

De rechtbank heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan opzetheling, door goederen in zijn bezit te hebben waarvan hij wist dat die bij woninginbraken waren weggenomen. Door van diefstal afkomstige goederen in zijn bezit te hebben, heeft verdachte een afzetmarkt voor gestolen goederen geboden en aldus bijgedragen aan het in stand houden van de diefstal van goederen en vermogenscriminaliteit in het algemeen.

De persoon van verdachte

Met betrekking tot de persoon van verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op het op naam van verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie, gedateerd 23 mei 2012, waaruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld voor een vermogensdelict. Dit heeft verdachte er kennelijk niet van weerhouden te recidiveren.

Voorts heeft de rechtbank acht geslagen op de brief, gedateerd 30 juli 2012 van mevrouw M. Klaassen, als gedragsdeskundige werkzaam bij Bureau Jeugdzorg. Mevrouw Klaassen deelt mee dat verdachte 21 februari 2011 een intelligentie onderzoek heeft ondergaan bij stichting MEE, waaruit blijkt dat hij functioneert op het niveau van een licht verstandelijk gehandicapte. Uit testafname gemeten met de WAIS-JIJ-NI is naar voren gekomen dat verdachte zowel op verbaal als performaal gebied functioneert op moeilijk lerend intelligentie niveau (VIQ 78 en PIQ 72). Het totaal IQ is op moeilijk lerend niveau (TIQ 74). Dit betekent dat verdachte kennis kan verwerven, maar moeite heeft om de verworven kennis toe te passen in het dagelijks leven. Informatie verwerking gaat beter bij concrete en betekenisvolle informatie. De verwerkingssnelheid komt uit op moeilijk lerend niveau (score 76). Mevrouw Klaassen wijst er op dat verdachte kan worden overschat door zijn omgeving. Omdat hij dingen zo goed kan onthouden, maakt hij de indruk niet moeilijk lerend te zijn. Mevrouw Klaassen merkt op dat verdachte door zijn cognitieve beperking niet leeftijdsadequaat functioneert. Volgens haar heeft verdachte structurele begeleiding nodig in zijn proces naar zelfstandigheid op het gebied van werk, wonen en relaties. Ook op het gebied van sociale redzaamheid en sociale vaardigheden zal hij structureel begeleid moeten worden.

Gezien het onderzoek van stichting MEE, de theorie over personen met een licht verstandelijke beperking en het functioneren van verdachte in het dagelijks leven acht de jeugdreclassering het wenselijk dat verdachte binnen het jeugdstrafrecht wordt berecht en verder wordt begeleid door de jeugdreclassering omdat hij ten aanzien van zijn ontwikkelingsleeftijd en ontwikkelingstaken binnen de doelgroep van de jeugdreclassering past.

Op 1 november 2012 heeft mevrouw F. Sout van Bureau Jeugdzorg een rapport opgesteld waarin ook zij adviseert verdachte te berechten volgens het jeugdstrafrecht. Zij geeft het advies om verdachte – indien hij schuldig wordt bevonden aan de ten laste gelegde feiten – te veroordelen tot een onvoorwaardelijke werkstraf, aangevuld met een voorwaardelijke jeugddetentie met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarde dat verdachte zich dient te houden aan de aanwijzingen van Bureau Jeugdzorg. Verder heeft mevrouw Sout een plan van aanpak opgesteld, waar verdachte zich in het kader van het toezicht aan dient te houden.

Op de terechtzitting van 16 november 2012 heeft mevrouw Sout voornoemd haar standpunt over de toepassing van het jeugdstrafrecht nader toegelicht. Zij geeft te kennen dat verdachte functioneert op een veel lager niveau dan zijn kalenderleeftijd, naar alle waarschijnlijkheid op het niveau van een 15-/16-jarige, mogelijk nog lager. Hoewel er meer personen met een licht verstandelijke beperking worden begeleid door Bureau Jeugdzorg, functioneert verdachte duidelijk op een lager niveau. Mevrouw Sout heeft bij de begeleiding van verdachte gemerkt dat hij heel graag dingen zelf wil regelen en het ook doet voorkomen dat hij het begrijpt als hem dingen worden uitgelegd, maar dat hij vervolgens toch niet in staat blijkt om de taken uit te voeren. Volgens mevrouw Sout is het onwenselijk dat aan verdachte een (deels voorwaardelijke) gevangenisstraf wordt opgelegd en past de oplegging van een (deels voorwaardelijke) jeugddetentie beter bij verdachte. Zo is in het Huis van Bewaring in Haarlem namelijk gebleken dat hij niet in staat was om zelfstandig, zonder hulp van medegedetineerden, te functioneren.

Toepassing jeugdstrafrecht

Verdachte was ten tijde van het plegen van de bewezen verklaarde feiten 19 jaar oud. In beginsel wordt ten aanzien van meerderjarige daders het volwassenenstrafrecht toegepast. De raadsman en de officier van justitie hebben verzocht conform artikel 77c Sr het sanctierecht voor jeugdigen toe te passen. Gelet op de persoonlijkheid van verdachte, zoals deze naar voren komt uit de brief van mevrouw Klaassen en uit hetgeen door mevrouw Sout op de terechtzitting naar voren heeft gebracht, zal de rechtbank aan artikel 77c Sr toepassing geven en verdachte berechten volgens het jeugdstrafrecht.

Jeugddetentie

Al het voorgaande in overweging nemende acht de rechtbank de oplegging van een jeugddetentie voor de duur van 50 dagen waarvan 12 dagen voorwaardelijk, met aftrek van voorarrest, met een proeftijd van twee jaren passend en geboden. Aan de voorwaardelijke jeugddetentie zal de rechtbank de bijzondere voorwaarde koppelen dat verdachte zich dient te houden aan de aanwijzingen van de Bureau Jeugdzorg afdeling Jeugdreclassering met oplegging van de maatregel hulp en steun.

Met betrekking tot de hoogte van de straf heeft de rechtbank tevens in aanmerking genomen dat de voorlopige hechtenis voor verdachte extra zwaar is geweest, nu hij gelet op zijn niveau van functioneren niet in staat is gebleken zelfstandig binnen een Huis van Bewaring te functioneren.

Justitiële Jeugdinrichting

Hetgeen hierboven is overwogen over de gronden voor toepassing van jeugdstrafrecht geeft tevens aanleiding tot de volgende overweging.

Indien de voorwaardelijk opgelegde jeugddetentie in een later stadium ten uitvoer zou moeten worden gelegd zou deze straf, gelet op het bepaalde in artikel 77dd lid 3 Sr., ten uitvoer worden gelegd als gevangenisstraf tenzij de veroordeelde naar het oordeel van de rechter in aanmerking komt voor jeugddetentie.

Gelet op de persoonlijkheid van verdachte, zoals deze thans uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren komt, geeft de rechtbank reeds nu in overweging om een eventuele tenuitvoerlegging te doen plaatsvinden in een Justitiële Jeugdinrichting.

9. Vordering van de benadeelde partijen

9.1 De vorderingen

De benadeelde partij [slachtoffer 1], heeft vóór aanvang van de terechtzitting in het geding over de strafzaak bij de officier van justitie opgave gedaan van de inhoud van de vordering tot vergoeding van € 1.356,41 wegens materiële schade die verdachte met betrekking tot het onder 1 tenlastegelegde aan de benadeelde partij heeft toegebracht.

De benadeelde partij [slachtoffer 2], heeft vóór aanvang van de terechtzitting in het geding over de strafzaak bij de officier van justitie opgave gedaan van de inhoud van de vordering tot vergoeding van € 1.614,64 bestaande uit € 1.364,64 aan materiële schade en € 250,- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, die verdachte met betrekking tot het onder 2 tenlastegelegde aan de benadeelde partij heeft toegebracht.

9.2 Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft verzocht de benadeelde partij [slachtoffer 1] niet-ontvankelijk te verklaren in zijn vordering omdat verdachte dient te worden vrijgesproken van de inbraak en omdat de camera, die bij de benadeelde partij is weggenomen, reeds in beslag is genomen en aan de benadeelde partij zal worden geretourneerd.

De officier van justitie is van mening dat de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2], voor zover deze de materiële schade met betrekking tot de telefoon ten bedrage van

€ 402,34 alsmede de immateriële schade van € 250,- betreft, hoofdelijk kan worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De benadeelde partij dient voor het overige niet-ontvankelijk te worden verklaard in diens vordering, aldus de officier van justitie.

9.3 Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen allereerst aangevoerd dat in beginsel alleen de geheelde fotocamera en telefoon voor vergoeding in aanmerking komen, omdat verdachte van de inbraken dient te worden vrijgesproken.

Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft de raadsman vervolgens opgemerkt dat schade ontstaan door het aanschaffen van een nieuwe camera geen rechtstreekse schade betreft, zodat de vordering in zoverre moet worden afgewezen. Subsidiair heeft de raadsman erop gewezen dat dit gedeelte van de vordering niet voldoende is onderbouwd omdat een aankoopbon van de nieuwe camera ontbreekt.

Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] heeft de raadsman gesteld dat uit de stukken blijkt dat de telefoon reeds is vergoed door de verzekeraar en dat de immateriële schade geen rechtstreekse schade betreft, zodat ook deze vordering in zoverre moet worden afgewezen. Voor het geval de rechtbank het wel billijk mocht achten een immateriële schadevergoeding toe te kennen, heeft de raadsman verzocht het gevorderde bedrag te matigen.

9.4 Oordeel van de rechtbank

Uit het onderzoek op de terechtzitting is gebleken dat de behandeling van een gedeelte van de vorderingen van de benadeelde partijen geen onevenredige belasting van het strafgeding opleveren zodat deze zich lenen voor behandeling in deze strafzaak.

[slachtoffer 1]

De rechtbank is van oordeel dat is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor in de rubriek BEWEZENVERKLARING onder 1 subsidiair bewezen verklaarde strafbare feit, door de handelingen van verdachte, rechtstreeks schade heeft geleden met betrekking tot de weggenomen fotocamera. Met betrekking tot de hoogte van het toe te wijzen bedrag heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

De rechtbank stelt voorop dat het de bedoeling is dat de benadeelde partij wordt terug gebracht in de situatie van vóór het schadeveroorzakende feit. De officier van justitie heeft te kennen gegeven dat zij er zorg voor zal dragen dat de camera wordt geretourneerd aan de benadeelde partij. De rechtbank gaat er dus vanuit dat de benadeelde partij zijn weggenomen camera zal terugkrijgen. In verband met een vakantie heeft de benadeelde partij echter een nieuwe (soortgelijke) fotocamera aangeschaft ter waarde van € 363,85. De rechtbank is van oordeel dat de schade van de benadeelde partij bestaat uit het verschil tussen de nieuwwaarde van de nieuw aangeschafte camera en het bedrag dat hij ervoor zal krijgen indien hij deze camera verkoopt. De rechtbank zal dit bedrag in redelijkheid begroten op € 200,- en de vordering tot dat bedrag toewijzen.

Verdachte dient daarnaast te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak moet maken.

Nu niet is gebleken dat de overige materiële schade het rechtstreeks gevolg is van het feit dat onder 1 subsidiair bewezen is verklaard, kan de benadeelde partij [slachtoffer 1] niet in dat gedeelte van zijn vordering worden ontvangen.

Gelet hierop zal de rechtbank bepalen dat de benadeelde partij voor dat gedeelte niet- ontvankelijk is in de vordering.

[slachtoffer 2]

Nu voorts is komen vast te staan dat de benadeelde partij [slachtoffer 2] als gevolg van het hiervoor in de rubriek BEWEZENVERKLARING onder 2 subsidiair bewezen verklaarde strafbare feit, door de handelingen van verdachte, rechtstreeks schade heeft geleden tot het gevorderde bedrag voor de weggenomen telefoon, groot € 402,34, kan de vordering tot dit bedrag worden toegewezen. Uit de ter onderbouwing van de vordering blijkt niet dat deze schade reeds door de verzekeraar is vergoed en dat is ook overigens uit het onderzoek ter terechtzitting niet gebleken. De rechtbank ziet geen aanleiding dit bedrag hoofdelijk toe te wijzen. De rechtbank zal dit bedrag vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 27 februari 2012 tot de dag der algehele voldoening.

Verdachte dient daarnaast te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak moet maken.

Nu niet is gebleken dat de overige materiële en de gevorderde immateriële schade van de benadeelde partij [slachtoffer 2] het rechtstreeks gevolg is van de onder 2 subsidiair bewezen verklaarde heling, kan de benadeelde partij [slachtoffer 2] niet in dat gedeelte van zijn vordering worden ontvangen.

Gelet hierop zal de rechtbank bepalen dat de benadeelde partij voor dat gedeelte niet- ontvankelijk is in de vordering.

10. Schadevergoeding als maatregel

De rechtbank heeft tot het opleggen van de hierna te noemen maatregelen besloten omdat verdachte naar het oordeel van de rechtbank jegens de slachtoffers naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door de in de rubriek BEWEZENVERKLARING bewezen verklaarde strafbare feiten is toegebracht aan de benadeelden. De toepassing van hechtenis, bij gebreke van voldoening van de verschuldigde bedragen, heft de opgelegde verplichtingen niet op.

11. Vorderingen tot tenuitvoerlegging

11.1 De vorderingen

De officier van justitie vordert dat de rechtbank zal gelasten dat de bij vonnis van de Kinderrechter van deze rechtbank van 29 april 2010 in de zaak met parketnummer 14.811007-10 aan verdachte opgelegde straf voor zover voorwaardelijk opgelegd, alsnog zal worden ten uitvoer gelegd, op grond van het feit dat verdachte niet heeft nageleefd de voorwaarde voor het einde van de proeftijd zich niet schuldig te zullen maken aan een strafbaar feit.

Tevens vordert de officier van justitie dat de rechtbank zal gelasten dat de bij vonnis van de Kinderrechter van deze rechtbank van 16 november 2010 in de zaak met parketnummer 14.701963-10 aan verdachte opgelegde straf voor zover voorwaardelijk opgelegd, alsnog zal worden ten uitvoer gelegd, op grond van het feit dat verdachte niet heeft nageleefd de voorwaarde voor het einde van de proeftijd zich niet schuldig te zullen maken aan een strafbaar feit.

11.2 Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd de vordering tot tenuitvoerlegging in de zaak met parketnummer 14.701963-10 toe te wijzen en in de zaak met parketnummer 14.811007-10 de proeftijd te verlengen.

11.3 Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de officier van justitie niet ontvankelijk is in de vordering tot tenuitvoerlegging in de zaak met parketnummer 14.811007-10, omdat de vordering na voorwaardelijke veroordeling niet binnen drie maanden na het eindigen van de proeftijd is ingediend.

Ten aanzien van de vordering met parketnummer 14.701963-10 heeft de raadsman verzocht de proeftijd te verlengen.

11.4 Oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft vastgesteld dat zij bevoegd is om over de vorderingen te oordelen.

Uit de stukken blijkt dat in de zaak met parketnummer 14.811007-10 de proeftijd is ingegaan op 18 mei 2010 en op 17 mei 2012 is geëindigd. De vordering na voorwaardelijke veroordeling is door de officier van justitie eerst ingediend op 9 november 2012. Nu de vordering van de officier van justitie niet binnen drie maanden na het eindigen van de proeftijd is ingediend, oordeelt de rechtbank dat de officier van justitie niet kan worden ontvangen in de vordering met parketnummer 14.811007-10.

Wel is de officier van justitie ontvankelijk in de vordering in de zaak met parketnummer 14.701963-10. De mededeling als bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering is op 9 november 2012 aan verdachte toegezonden.

De bij genoemd vonnis vastgestelde proeftijd is ingegaan op 1 december 2010 en was ten tijde van het indienen van de vordering van de officier van justitie niet geëindigd.

Uit de overige inhoud van dit vonnis blijkt dat verdachte niet heeft nageleefd de voorwaarde voor het einde van de proeftijd zich niet schuldig te zullen maken aan een strafbaar feit. Daarom zal de rechtbank de gevorderde tenuitvoerlegging van de niet ten uitvoer gelegde straf in de zaak met parketnummer 14.701963-10 gelasten.

12. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 36f, 77c, 77g, 77i, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg en 416 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

13. Beslissing

De rechtbank:

• Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 primair en 2 primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij.

• Verklaart bewezen, dat verdachte het onder 1 subsidiair en 2 subsidiair tenlastegelegde, zoals hierboven in de rubriek BEWEZENVERKLARING aangeduid, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven in de rubriek BEWEZENVERKLARING bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het bewezenverklaarde oplevert de hierboven in de rubriek STRAFBAARHEID VAN HET BEWEZENVERKLAARDE vermelde strafbare feiten.

Verklaart verdachte voor het bewezenverklaarde strafbaar.

• Veroordeelt verdachte voor het bewezenverklaarde tot een jeugddetentie voor de duur van 50 (vijftig) dagen.

Beveelt dat van deze straf een gedeelte, groot 12 (twaalf) dagen niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij later anders wordt beslist.

Stelt daarbij een proeftijd van twee jaren vast.

Stelt als algemene voorwaarden dat verdachte:

- zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat verdachte:

- zich zal gedragen naar de aanwijzingen, die verdachte zullen worden gegeven door of namens Bureau Jeugdzorg, afdeling jeugdreclassering, zolang deze instelling dit, in overleg met de officier van justitie te Alkmaar noodzakelijk oordeelt.

Verstrekt aan de genoemde instelling opdracht om aan de veroordeelde hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze bijzondere voorwaarde.

Bepaalt dat de tijd die door verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke gedeelte van de jeugddetentie in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

• Wijst toe de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] tot het volgende bedrag.

Veroordeelt verdachte tot het betalen van een bedrag van € 200,- (tweehonderd euro) als schadevergoeding.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten die de benadeelde partij tot op heden heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak moet maken.

De tot heden gemaakte kosten begroot de rechtbank op nihil.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.

• Legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 1] te betalen een som geld ten bedrage van € 200,- (tweehonderd euro), bij gebreke van betaling en van verhaal te vervangen door jeugddetentie voor de duur van 4 (vier) dagen.

Bepaalt dat betalingen door verdachte aan de benadeelde partij in mindering strekken op de betaling aan de Staat.

Bepaalt dat betalingen door verdachte aan de Staat in mindering strekken op de betaling aan de benadeelde partij.

• Wijst toe de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] tot het volgende bedrag.

Veroordeelt verdachte tot het betalen van een bedrag van € 402,34 (vierhonderdtwee euro en vierendertig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente van 27 februari 2012 tot de dag der algehele voldoening, als schadevergoeding.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten die de benadeelde partij tot op heden heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak moet maken.

De tot heden gemaakte kosten begroot de rechtbank op nihil.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet ontvankelijk in de vordering.

• Legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 2] te betalen een som geld ten bedrage van € 402,34 (vierhonderdtwee euro en vierendertig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente van 27 februari 2012 tot de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling en van verhaal te vervangen door jeugddetentie voor de duur van 8 (acht) dagen.

Bepaalt dat betalingen door verdachte aan de benadeelde partij in mindering strekken op de betaling aan de Staat.

Bepaalt dat betalingen door verdachte aan de Staat in mindering strekken op de betaling aan de benadeelde partij.

• Verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vordering tot tenuitvoerlegging in de zaak met parketnummer 14.811007-10.

• Gelast in de zaak met parketnummer 14.701963-10 de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke werkstraf voor de tijd van 30 (dertig) uur, opgelegd door de Kinderrechter van deze rechtbank bij vonnis van 16 november 2010. De taakstraf wordt vervangen door 15 (vijftien) dagen jeugddetentie als deze niet goed wordt uitgevoerd.

• Heft op het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte.

Dit vonnis is gewezen door

mr. P.H.B. Littooy, voorzitter,

mr. A.S. van Leeuwen en mr. L. Boonstra, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. N.J. Ros, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 6 december 2012.